Laatst rende ik vanaf het huis van mijn buurman naar mijn huis na een geslaagde wiskunde bijles. Laat ik u zeggen dat mijn ouders en ik in een vrijstaand huis wonen. Er zit dus zo’n vijftig meter tussen elk huis. Ik was kapot, ik zat te hijgen als een hond. Ik voelde me zo verrot als maar kon. Waarom zou ik me ook anders voelen, ik heb immers vijf jaar niet meer gesport.
Ik heb dan ook een schijthekel aan lichaamsbeweging. Ik veracht elke vorm van lichaamsbeweging. Het begint al als ik ’s ochtends opsta. Als ik eindelijk de moed heb om uit bed te stappen, dan steun en kreun ik vijf minuten lang. Wanneer ik eindelijk uit bed ben, moet ik naar de badkamer. Het ochtendritueel van naar het toilet gaan, vereist zo’n grote inspanning dat ik voor de rest van de dag ben uitgeteld. Aangekleed en wel weet ik mijn weg naar beneden te worstelen, waar het ontbijt op mij wacht. Geen koffie, koffie smaakt naar vergeten verdriet. Vieze bittere rommel wat zelfs niet beter smaakt met een heel pak suikerklontjes. Dan maar een bammetje met vlees en een bammetje met jam. Lekker.
Vervolgens komt het zwaarste moment van de dag, de fietstocht naar school. Vijf kilometer fietsen, vijf kilometer. Dat is voor mijn gevoel een gehele triatlon. Het ergste is nog wanneer je in de lente of herfst moet fietsen, dan is het ’s ochtends steenkoud en heb je ’s middags de hitte van de zevende hel op je kop schijnen.
Eindelijk aangekomen op school haast ik mij naar de kapstokken. En dan, de ellende. Vier trappen. Vier trappen die overlopen zijn met zwetende brugklassers die het begrip deodorant niet begrijpen. Een keer stonk iemand zo erg dat ik kotsneigingen kreeg. De kunst is dus dat je genoeg inademt om niet flauw te vallen, maar ook dat je niet teveel inademt zodat je bezwijkt aan de penetrante lichaamsdampen.
Nadat ik de hel van het trappenhuis heb overleefd en mijn ademhaling weer onder controle heb, betreed ik het lokaal. Hier word ik aangegaapt door klasgenoten die niet begrijpen wat ik allemaal al heb moeten doorstaan. Met een zucht zet ik mijn tas neer en plof ik op mijn stoel. Ik krijg van de docent een blik vol medelijden. Ik reageer met een flauwe glimlach. Met een tweede zucht haal ik mijn boeken uit mijn tas.
15:00, de bel. Vrijheid. Ik haast mij naar beneden om voor de horde bij de kapstokken te zijn. Half buitenadem spring ik door de open deur naar de fietsenstalling. Het noodlot slaat toe, een horde. Een traag lopende massa die graag alles ophouden bij de fietsenstalling, zij hebben geen schrijntje sympathie voor wie dan ook. Het lijkt net een scene uit The Walking Dead. Kwijl, gegrom, verrotte gore lucht en hitte. Na enkele momenten weet ik toch te ontsnappen. Niet dat ik geheel tevreden ben, ik moet nog een barre tocht maken door het niemandsland.
Thuis aangekomen laat ik me languit op de bank vallen. Ik kan niet meer, ik ben uitgeput. Ik weet nog enkele jammergeluiden te produceren. Mijn vader komt de kamer binnen en vraagt ‘vriendelijk’ of ik mijn bek wil houden. Hij heeft wel meer van dat soort uitspraken, maar dat is een verhaal voor een andere keer.
Met een laatste krachtinspanning ga ik naar boven, naar mijn slaapkamer. En daar staat ze, mijn steun en toeverlaat. Mijn laptop. Ik sleep mijzelf over de grond naar de bureaustoel en ga zitten. Opeens krijg ik al mijn kracht terug, alsof er een Duracell batterij in mijn rug wordt gestopt.
Tot een uur of tien blijf ik wakker. Vermoeid van een dag vol gebeurtenissen slenter ik naar de badkamer om mij te wassen. Eenmaal klaar loop ik richting mijn bed. Ik kruip lekker onder de wol, want morgen begint alles van vooraf aan. Volgens mij moet ik toch maar eens naar de sportschool.