Naar A.F. Th. van der Heijden. Een schrijfoefening.
2.
Ach, de dagelijkse gang naar de supermarkt. Het was allang niet meer wat het geweest was, dacht Hendrik terwijl hij door de automatische deuren schuifelde. De kruidenierszaken uit zijn jeugd waren allen ten onder gegaan toen de ene na de andere ‘innovatie’ als een vlinder uit zijn cocon schoot. Nu herkende niemand hem meer als hij door het klaphekje stapte. In zijn ene hand hield hij een blauw mandje, in het andere klemde hij het briefje met zijn fijne handschrift stevig vast. Zijn dagelijkse gang naar de supermarkt was voor hem al jaren een rustpunt. Een welkome afwisseling op dagen waarop hij uren door het raam staarde, hopend dat er vandaag iemand langs zou komen.
Normaal ging hij doordeweeks en nu hij op zaterdag was gekomen, merkte hij meteen dat het een grove fout geweest was. Bij de kassa scheen een schrijnend beeld hem tegemoet: rijen en rijen met mensen, zover hij kon zien. Daartussen waren webachtige dwarsverbindingen ontstaan, teweeggebracht door jongelui met petten die wilden voordringen en gehaaste zakenlui die dachten tijd te besparen door te wisselen van rij. Hendrik voelde zich diepongelukkig terwijl hij in de rij aansloot. Het leven strekte zich niet meer zolang voor hem uit, en het vooruitzicht zijn kostbare tijd door te brengen onder dit tl-licht, omringt door in hun telefoon bazelende tieners, vulde hem met verdriet. Het tafereel deed hem denken aan zijn jeugd, waarin hij de mieren in de achtertuin tot in den treure had bestudeerd. Hoewel ze altijd in een rechte lijn marcheerden, leken ze tegelijkertijd ongecontroleerd door elkaar te lopen. Alsof ze expres hun doel voor zich uitstelden, liever zijwegen namen dan de doorgaande weg. Hendrik schudde zijn hoofd, hij wist dat de jonge mensen spijt zouden krijgen van hun getreuzel en geneuzel.
Diep in gedachten schuifelde Hendrik door, waarbij hij ervoor zorgde dat de ruimte tussen hem en de man voor hem niet te groot werd. Hij wilde niemand op het idee brengen in te voegen. De mensen van nu hadden altijd haast. Als hij op het bankje voor zijn huis zat en de zon scheen zijn laatste stralen, dan was hij de enige die keek. De ondergaande zon herinnerde hem aan de dagen dat hij nog werkte als hoefsmid. Het vuur stak sterk af tegen de teerzwarte werkplaats en het eerste uur deed het altijd pijn om ernaar te kijken. De vlekken die op zijn netvlies stonden vaagden meestal pas laat weg. Maar nu kon hij op zijn bankje uren kijken naar de weerkaatsing van het zonlicht op de wereld.
Plotseling zakte hij door zijn knieën. De vrouw voor hem gilde. Vaag zag hij nog hoe een ring van mensen zich boven hem vormde, daartussen scheen fel tl-licht. Het mandje was uit zijn hand gegleden en het boodschappenlijstje lag naast Hendrik op de grond. Vanuit het licht verscheen zijn moeder. Haar haren perfect in de krul, zoals altijd wanneer hij thuiskwam. Het eten stond al op tafel: gepureerde aardappelen, bonen en karbonade, precies zoals hij het lekker vond. Langzaam doofde het tl-licht.











