Op een stuk mos had ze zich genesteld. Ze was een lustmachine, een godin gedompeld in verlangens van anderen. Begeerlijk sliep ze met haar armen geslagen om haar opgetrokken knieën. Haar lichtbruine kroeskrullen waren vervilt, haar huid witter dan de sneeuw die nog vallen moest. Felgroene ogen keken voor zich uit. De cirkel van zachte, groene plantjes was haar bed, haar huis. Bomen omringden de bewaakster van het woud. Dit was haar bed. Dit was haar thuis.
In haar kuiten spanden spieren zich aandachtig. Een hert en tijger ineen, zo sloop ze op haar tenen terwijl ze leek te dansen door de verzameling lege bomen. Oren gereed. Haar neus snuffelde langs elke zweem die niet van het bos afkomstig kon zijn. Grote ogen. De mistengel was slechts gewikkeld in losse doeken om haar magere lichaam. Ze vlogen langs haar heen zoals men het noemde, geruisloos.
Ze was verwilderd. Ze was woest.
door haar vingers liet ze glijden het
hout van de pijlen, ze likte haar
lippen vochtig, mikte, mistte – niet.
Aan haar vingers groeiden nagels als klauwen. Ze voelde verlangen. De korte stugge haren van het bruine dier schuurde langs haar palmen. Hebben. Ze wilde het hebben.
Tastend zocht ze de lichte delen, de vlekken, de leeggelopen holte waar de pijl het dier had geraakt. Hij was niet van haar, zij doodde zonder wapens. Desondanks –
zijn lichaam was nog warm.
Ze drukte haar hoofd tegen zijn ribben, pretendeerde haar ademhaling de zijne te zijn. De vergeten godin verdrong de schoonheid van het dier, zijn onschuld – doopte genadeloos haar vinger in de nog na gutsende wond. Uiterst precies tastte ze de binnenkant af. Voelde zijn warmte, zijn vlees, zijn spieren. Op haar tong, proevend, stollend bloed. Ogen dicht. De winterlucht bracht haar adem in wolkjes om haar heen. Niets smaakte fijner dan maagdelijkheid.
Haar knieën zakten steeds verder weg in de bodem, de enige plek die niet bevroren leek te zijn. Haar jurk doordrenkte zich met het rode lichaamsvocht en de grauwgrijze modder. Eén vinger. Twee. Drie. Haar hand verdween in de wond en ze schoof voorzichtig haar nagels onder de huid. Onbarmhartig rukte ze, schuurde ze het vel van het vlees, het omhulsel van de ziel.
Het geluid van haar tanden botsend met het bot. De pels droeg ze om haar schouders. Vol geweld had ze lopen graven in het lichaam van het jonge hert. Tot haar ellebogen kleurde ze rood, en bloed droop over haar kin terwijl ze gretig verder at.
Ze was een jager met houten pijlen. Vol afgrijzen keek ze naar de onwezenlijke vrouw die de vossenvoedster werd genoemd. Een maaltijd had ze verschaft aan het beest dat het meest verdiende om te sterven. De kou klom rond haar voeten, drong door tot haar botten. De roodgekleurde doeken naast het argeloze karkas: haar hart brak. Zonder twijfel verruilde ze hout voor zilver. Haar lange zwarte haren waren donkerder dan de zwartste ravenveren en ze mikte.