Stottercolumn - Stotterfoben, stotteraltruïsten en stotterankers
Stotterfoben, stotteraltruïsten en stotterankers
Ik tafeltennis. Klanktechnisch gezien voor veel stotteraars niet de meest geschikte sport. T-tong wil twee keer de voortanden eruit duwen, glijdt over de rand en verliest alle grip. Net als ik, alsof een eenvoudige smash de tafel mist. Tweemaal zelfs.
Synoniemenfreaks zal ik direct teleurstellen: ‘pingpongen’ ontlast de weerbarstige tong, maar verzegelt de lippen. Een kus die niet loskomt. Ook bilabiale p-plofklanken zijn niet mijn beste vrienden. Ik krijg het benauwd van ze.
Een tafeltennispartij kan een bonte stoet problemen uitlokken. Ik neem het voor lief dat mijn arm soms hapert bij het slaan van een backhandtopspin. Dat in een lange rally mijn voeten elkaar dusdanig toegenegen zijn dat ze me bijna doen struikelen. En dat ik na een knullig verloren punt vol overtuiging vloek in een vreemde tafeltenniszaal waar locals met meer religieuze bagage met afkeurende blik de lenigheid van hun wenkbrauwen demonstreren.
Echt een probleem wordt het als ik achter de tafel als enige een netservice van de tegenstander opmerk. Die opslag moet opnieuw. Zeker als prelude op een cruciaal punt. Tien seconden resteren. Vol adrenaline doe ik vergeefse pogingen om te protesteren. Zweet breekt uit, ik schaam me voor mijn tong die zich tussen mijn tanden door een weg naar buiten baant. Paniek. Frustratie. En intussen blijft het woord ‘net’ gevangen in mijn mond. Een synoniem als ‘gaasvormige afscheiding tussen de twee speelhelften van de tafeltennistafel’ biedt helaas geen soelaas. Soms zet ik het dan maar uit mijn hoofd en verlies ik het punt. Voer voor sportpsychologen.
Na afloop van een competitiewedstrijd wederom een beproeving: socialiseren met tegenstanders. En met locals die mij als godslasteraar zien. De meesten weten niet dat ik stotter. Het gros van hen zal het om het even zijn of ik vloeiende volzinnen formuleer of van elke lettergreep een manke meerling maak. Zelf voel ik me echter niet senang als ik stotter. Ik irriteer me aan mijn eigen gehaper. Zelfs na dertig jaar stotteraarschap beschouw ik mijn stotteren als een zwaktebod. Laat logopedisten, stottertherapeuten en andere motiverende professionals het maar niet horen. Als ik praat, ben ik kwetsbaar. Ik wil niet kwetsbaar zijn.
Een biertje na de wedstrijd wil helpen. En dan blijken tafeltennissers toch echt mensen te zijn. Ook onder pingpongers herken ik drie categorieën mensen-die-met-stotteraars-moeten-omgaan.
De eerste categorie mensen raakt nog meer in paniek dan de stotteraar zelf als die met hen een gesprek aangaat. Deze stotterfoben ontwijken je blik. Hun non-verbale taal verraadt onrust. En ze geven de indruk zo snel mogelijk van die voor hen zo vervelende situatie verlost te willen zijn. Tegen dit soort mensen bestaat voor mij maar één remedie: doodzwijgen en de rug toekeren.
Anderen daarentegen ontaarden in ongebreideld altruïsme. Die stotteraar móét geholpen en móét op zijn gemak worden gesteld. Enthousiast maken ze mijn zinnen af. Het geluk ligt duimendik op hun gezichten. Stotteraltruïsten maken van de stotteraar een buikspreekpop. Als ik geluk heb, zeggen ze twintig keer ‘Geeft niet, joh!’. In geval van pech: ‘Heel goed van je!’ De remedie: vriendelijk glimlachen en rap de plaat poetsen.
De derde categorie mensen heeft mijn voorkeur. Stotterankers bieden een stotteraar een veilige haven. Bij hen kan ik de touwen laten vieren. Zij ontwijken mijn onzekere ogen niet. Ze respecteren mij door me te laten uitspreken en grijpen gedoseerd in als ik vastloop op een taalkundige zandbank.
Ik tafeltennis. Tafeltennissende stotterfoben en stotteraltruïsten beuk ik met liefde van de tafel. Tafeltennissende stotterankers ook trouwens.
Richard Heeres (1975) is stotteraar. Hij werkt als freelance redacteur en tekstschrijver voor Tekstbureau Teksttalenten en is auteur van het boek ‘Vervelend dat ik stotter, maar niets te vertellen hebben is nog vervelender’, Bekende en minder bekende stotteraars over stotteren: interviews en portretten (www.stotteraars.nl).