Toega, in het rijk van de Evers en Veerberen
Hoort Allen, en leen me uw oor
Voor 't verhaal van Koningin Schimmeldoor
Uw trouwe verteller was hier niet alleen
Maar samen met Toega de Tortel op been
Toega was wijsgeer, dokter, druïde
En kort vooraleer de vrede geschiedde
Tussen de woeste Evers en de stam
van de Veerberen; sloeg de vlam
In de pijp tot een vurig hoogtepunt
Waar uw nederige verteller zich middenin bevond
We trokken door het barre Brinkland
Op een steenworp van beschaving
Waar de nomadenculturen hand in hand
Zich gezamelijk aan kennis konden laven
Maar op een dag, brak het contact
Schimmeldoor werd ziek, de relaties zuur
Gif en geweld doordrongen de setting
En Toega's geduld en kennis moest als vuur
de schakels smeden van de ketting
Aan de ene oever van de rivier 'Stronk'
Woonden de ‘Veerberen’, een stam
Die bedachtzaam en respectvol dronk
Van de vruchten en bomen van het land
Ze lijken op varkens, maar dan meer verfijnd
Rechtopstaand met vingers klein
en snuiten rond - Handelaars wiens
haar zich door rituelen in vlechten bevond
Met een triumviraat als leiders, alledrie 'n man
met zintuig’lijke titels: het Oog, het Oor, de Mond
In tegenstelling tot de beheerste praktijken
Van de Veerberen, leefden aan de overkant 'Evers'
Ruwe, bolsterige, krijsende schreeuwers
Die woest knollen aten; wortels wroetten, eikels!
Aan de droge duinen, uitgedroogde rivierbedden
Hadden zij niet de groene vingers voor irrigatie
Dus joegen ze door de woestijn uit irritatie
En uit hebzucht en lust; Zo verwedden ze goor
Hun lange termijn, conform het adagium
Van Hun Opperhoofd Koningin Schimmeldoor
En dus! Trokken Toega en uw gedweëe Verteller
Aanvankelijk rustig langs de delta van de Stronk
en doken in de wond'rlijk botanisch werreld
van dit droog klimaat dat van de rivieren dronk
Toega liet me allerlei planten zien
Zoals de MAANROOS die enkel bloeide 's nachts
(vanwege de koelte) en die het licht van de sterren vangt
En de SNORHAREN VAN FELIEN
Die zilverwit opspringen langs de oeverkant
Maar toen we lichtjes het wateroppervlak bevoelden
Veranderde onze wandeling al snel in een jacht:
opeens werden we gevangen in de netten van twee Evers
Waar eentje toen gevaarlijk sprak:
"Ik ben Kurzel, dit is Kras, wij hebben opdracht
Om jullie spionnen te arresteren, volgen mag"
Ze voerden ons naar de leren tenten die gerooid
In het zonlicht roken naar honger en huid
En hoe we ook smeekten, ze lieten ons er niet meer uit
Daar zaten ook Veerberen vast: welgeteld drie
“Het is ongezien”, zei het Oog, “het is ongehoord”, het Oor
Maar de Mond zei wijselijk helemaal niets
Maar Toega had een plan: en sprak toen tot Knars
“Beste varken, wij zijn geen spionnen, zoals u ziet
Zijn wij reizigers, niet van hier en niet verdacht
Ik heb gehoord: uw Koningin Schimmeldoor is ziek
Ik ben druïde; en kan haar mijn hulp bieden
En als bewijs van mijn goed gedrag
Heb ik hier in ruil voor uw trust
de allerlekkerste appel die ik mag ontvouwen.”
(omdat hij wist dat een Ever zijn eetlust
Nauwelijks in toom kan houden)
We kwamen bij de koningin, monsterachtig groot
Met poten als bomen; een buik als een luchtballon
Ze lag te kreunen van de pijn, reutelend, vuurrood
maar niets is iets wat Toega afschrikken kon
Hij leunde op zijn staf en sprak rustig tot mij:
“Steek je arm eens in haar neusgaten en grijp!
Grijp maar eens goed; er zit daar iets van kwade,”
Ik volgde zijn bevel en vond tot mijn verbazing
In haar neusholte een klein beeldje van klei
En warempel de Koningin kwam terug op adem!
Al snel was ze beter, en even snel wij weer vrij
En de tijden van gulzig plunderen waren voorbij
Er was pees en vree voor Veerberen en Evers
Ze zwaaiden ons uit toen wij voort moesten bewegen
Met een goed maal en een verhaal op de levers
Vroeg ik Toega, waarom ze ons wouden vangen
Hij sprak: “Wij Tortels verschillen met de varkens
En wel om deze reden:
Zij moeten een ander eerst kennen
Vooraleer ze kunnen leven in vrede"











