Spinnenschrift
Op tafel ligt een boekje met een krabbel als het spoor van een dronken spin.
Ze schrijft zoals de mannen die ze eens waste. Zoals haar oudtante haar balpen bewoog toen ze nog drie jaar en acht maanden te leven had.
Spinnenschrift.
Als je niet beter zou weten zou je er ook niks raars aan ontdekken.
Ze zou gebiologeerd de stand van verkrampte vingers opnemen en als een dia in haar herinnering hebben vastgezet. Het ritme waarmee de hand voetstappen afdrukte zou ze als basis gebruiken in de introductie deun van een of ander belangrijk project. Een radioshow ofzo. Haar nieuwe podcast op I-tunes misschien.
Als achttienjarige kon ze de motoriek van een half verlamde man nadoen, omdat ze zijn arm eens pakte met rechts omdat ze links de washand in zijn ziel moest drukken.
Dat je weet hoe je knieën moeten buigen als je de man omhoog haalt. Omdat hij zelf niet meer kan lopen. Of praten. Of denken als een uber intelligente intellectueel.
Wie weet. Misschien heeft hij de gedachten gang van de Nobelprijs winnaar voor de vrede, literatuur, wiskunde en je vraagt je af wat zijn beroep ook al weer was geweest voordat hersenen zich in zijn hoofd half lam drukten om kwart over zeven op een woensdag ochtend.
Eigenlijk je vrije dag en ieder ander mens heeft er twee in een week, of vier in veertien dagen. Soms zelfs achterelkaar en dan slapen ze, de werkenden. De studerenden. Jij niet.













