De scherven van mijn bestaan
Elke scherf is verbonden met elkaar, maakt deelt uit van het grotere geheel. We kunnen steeds opnieuw, één voor één, een scherf oppakken. Kijken hoe hij zich verhoudt tot de andere scherven. Net zo lang, totdat we alle scherven bij elkaar kunnen brengen. We zouden samen toeschouwers kunnen worden van een herrijzenis van hetgeen daar, in die ene kamer, zich zo bruut aan mij openbaart;
We zouden samen, als twee glasblazers, elke scherf kunnen doen smelten, een nieuwe vorm kunnen geven; een nieuwe betekenis. Zo zouden we samen maandenlang, misschien wel jarenlang bouwen aan een gigantisch glassculptuur. Een solide stuk, robuust van aard. We zouden het ‘ons meesterstuk’ noemen.
Ze doorbreekt de eindeloze stilte: “We kunnen samen naar de scherven kijken die op de grond liggen.” Ik hoor haar, ik hoor elk woord. Ik weet heel goed wat ze probeert te zeggen, waarom ze het zegt en hoe ze ieder woord zorgvuldig uitkiest. Het maakt me woedend. Ik wou dat ze haar mond hield en tegelijkertijd dat ze nooit zou ophouden met praten.
Ik weet het, ik weet het allemaal. Het maakt me woest! Ze heeft geen idee waar ik naar kijk. De glasscherven die ik zie, ziet zij niet. Het zijn niet haar glasscherven, ik zou ze nooit aan haar kunnen laten zien. Het is te pijnlijk, ik kan er niet naar kijken. Elke scherf die ik zou oppakken, elke hoek, elke vlijmscherpe rand die ik moet aftasten, scherf na scherf zou ik dieper gewond raken. Het zou onhophoudelijk bloeden, totdat ik helemaal leeggebloed ben. Dat ik wat ik zie, dat is wat ik voel. Maar dat begrijpt ze niet. Onnozele koe dat ze is! Zij heeft nooit haar eigen glaswerk zo verspreid zien liggen. Dat van haar bestond hooguit uit enkele brokstukken, van die grote, die je makkelijk kan oppakken, waaraan je hooguit een schrammetje overhoudt, die makkelijk terug te plaatsen zijn in het al aanwezige fundament. Mijn scherven zijn afzichtelijk! Er zou slechts het meest afstotelijke sculptuur uit kunnen voortkomen. Eentje die eenieder zou afschrikken en waarvan iedereen hollend zou wegrennen. Te lelijk om ooit op een veiling tentoon te stellen. Zo zou het sculptuur, mocht het er ooit komen, jaren ondergronds blijven staan, in een afgelegen kerker. Het zou nergens goed voor zijn, behalve stofvangen. Dat lieve, onnozele M, is waar ik naar moet kijken. Dat is waarom je me niet kan helpen en dat is waarom je hopelijk begrijpt dat ik niet anders kan dan zwijgen.