‘Ik red me wel.’ Ik redde me altijd. Stoere Sylvia. ‘Ik maak me echt zorgen’, zei mijn nichtje. ‘Wij maken ons zorgen. Je moeder, je zusjes, mijn vader, de hele familie.’ Ik wilde mezelf redden; dat had ik altijd gedaan. Nou ja, met wat hulp. Maar ik had geen zin me op te laten nemen. Ik voelde een druk, een pijn bij mijn hart. Ik wilde niet dat ze zich zorgen maakten om mij. Ik kon me echter niet op laten nemen. Ik had een hond om voor te zorgen.












