''Beëindigingsvergoeding onder wwz gematigd of toch niet?''
''Beëindigingsvergoedingonder wwz gematigd of toch niet''
Sedert de invoering van de WWZ is er in de juridische literatuur een uitvoerige discussie ontstaan over de verhouding tussen de transitievergoeding en de billijke vergoeding. Een billijke vergoeding kan in veel gevallen worden toegekend naast/bovenop een transitievergoeding.
De vraag is gerezen wat dan het karakter van die billijke vergoeding moet zijn naast de transitievergoeding. Een boete met een afschrikwekkende werking voor de werkgever die zich ernstig verwijtbaar heeft gedragen? Of een vergoeding waarbij niet wordt gelet op de lengte van het dienstverband en de leeftijd van de werknemer, omdat die elementen al in de transitievergoeding zitten? Maar welke elementen spelen dan wel een rol?
Recent (op 30 juni 2017) heeft de Hoge Raad een oordeel gegeven over de elementen die van belang zijn bij de bepaling van de billijke vergoeding. In het geval van een onterecht ontslag waarbij de werknemer niet de vernietiging van het ontslag vordert, maar in plaats daarvan een billijke vergoeding heeft de Hoge Raad enige duidelijkheid verschaft over de elementen die de hoogte van de vergoeding bepalen.
De Hoge Raad heeft uitdrukkelijk overwogen dat uit de wetsgeschiedenis niet blijkt dat de werkgever een specifiek punitief karakter aan de billijke vergoeding heeft willen toekennen. Dus niet het karakter van een boete om ervoor te zorgen dat de werkgever ernstig verwijtbaar gedrag in de toekomst niet meer zal vertonen.
Wat is dan wel van belang bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding?
Uitgangspunt en factoren die van belang kunnen zijn
De rechter dient de billijke vergoeding te bepalen rekening houdend met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval.
Dit ruime uitgangspunt maakt niet veel duidelijk, maar de Hoge Raad heeft een aantal factoren benoemd die van belang zouden kunnen zijn. Het gaat dan onder meer om de navolgende factoren:
Lengte gedurende welke de dienstbetrekking nog zou hebben voortgeduurd zonder het ontslag en de omvang van de loonderving in de toekomst die het gevolg is van het ontslag;
De ernst van de verwijten die aan de werkgever kunnen worden gemaakt;
De redenen voor de werknemer om af te zien van de vernietiging van het ontslag;
De transitievergoeding die de werknemer toekomt;
De situatie die voor de werknemer is ontstaan na het ontslag (wel of niet nieuwe baan, wel of niet recht op WW, etc.).
De grens voor de van belang zijnde factoren ligt bij de relatie met het ontslag. Zo komen niet voor vergoeding in het kader van een billijke vergoeding in aanmerking advocaatkosten die door de werknemer zijn gemaakt voorafgaande aan het ontslag.
Ook onder de WWZ zal onduidelijkheid blijven bestaan over de hoogte van de billijke vergoeding waarop een werknemer recht zal hebben. Die onduidelijkheid is het gevolg van het feit dat op alle omstandigheden van het geval acht moet worden geslagen. De billijke vergoeding doet dan ook in hoge mate denken aan de vergoeding in het geval van een kennelijk onredelijk ontslag onder het oude recht. Het is een schadevergoeding die naar billijkheid moet worden vastgesteld, maar waarbij dus wel alle schade veroorzakende factoren moeten worden betrokken. In ieder geval mag de schade niet worden vastgesteld aan de hand van een formule. Die wijze van vaststelling doet geen recht aan het uitgangspunt dat alle omstandigheden moeten worden meegewogen.