de Volkskrant | 26 november 2021| Foto: Bart Grietens
Theatermaker Mathieu Wijdeven duikt in zijn solovoorstelling Het waarom beantwoord in het leven van zijn betovergrootvader G. G. T. Rustwijk. Zwarte helden zoals hij zijn volgens Wijdeven veel te vaak vergeten. ‘Alles wat uit Suriname kwam deed er niet toe.’
‘Een vergeten betovergrootvader ontdekken is al bijzonder. Maar dat je dan ook nog zo veel met hem gemeen blijkt te hebben, dat is magisch’, zegt theatermaker Mathieu Wijdeven (30). Hij kijkt naar een groot zwart object dat in de hoek van de foyer van Studio de Bakkerij in Rotterdam-Noord staat. Tijdens het interview over zijn zeer persoonlijke solovoorstelling Het waarom beantwoord doet hij dat wel vaker: even naar zijn betovergrootvader kijken. De majestueuze zwarte sculptuur die Wijdeven maakte is namelijk een beeltenis van hem. Het doet denken aan een zwarte diamant.
Wijdevens voorstelling, die vrijdag in Theater Rotterdam in première gaat, is een ode aan zijn betovergrootvader: de Surinaamse kunstenaar, dichter en theatermaker George Gerhardus Theodorus (G.G.T.) Rustwijk (1862-1914). Een vergeten Surinaamse held, vertelt Wijdeven, zoals zoveel zwarte helden die geen plek kregen in de koloniale geschiedschrijving. Wijdeven zelf had tot drie jaar geleden ook geen benul van het bestaan van zijn betovergrootvader. In Het waarom beantwoord reconstrueert hij de zoektocht naar zijn betovergrootvader, die daarnaast een zoektocht naar zijn eigen identiteit bleek te zijn.
‘Ik wist niets over Suriname’, vertelt Wijdeven. Ja, hij wist wel dat hij Surinaamse roots had. Zijn moeder is een Afro-Surinaamse vrouw (‘Als ze boos was, ging ze Surinaams praten’), zijn vader is een witte man. Klasgenoten en buitenstaanders vroegen er weleens naar; met zijn bruine huidskleur en grote bos krullen viel hij in een Brabants dorp nogal op. Desondanks voelde hij zich vooral Brabants.
De jonge theatermaker groeide op in Sprang-Capelle, een dorp naast de Efteling. Weilanden, heel veel oude schoenenfabrieken, het Halve Zolenfietspad. Dat vat het volgens Wijdeven wel zo’n beetje samen. Suriname voelde ver weg. ‘Ik had er als kind een sprookjesachtig beeld bij, door de verhalen van mijn moeder over haar jeugd daar. Ze vertelde bijvoorbeeld dat er een lange slang onder de kast in haar biologielokaal ‘woonde’. Als kind vond ik dat heel spannend, ik was doodsbang voor slangen.’
Wijdeven doorliep de toneelacademie in Maastricht. Het werd zijn handelsmerk dat hij bij wijze van vooronderzoek abstracte sculpturen maakt, waarmee hij vaak de straat op gaat om gesprekken te voeren met voorbijgangers. Wijdeven vormt met Nick Bos beeldend theatercollectief Firma Draak. Daarnaast speelde hij onder andere in voorstellingen van performancecollectief URLAND, regisseur Davy Pieters en Tryater. Afgelopen najaar was hij verantwoordelijk voor het decor in het veelgeprezen tv-programma In een boek kan het wél (VPRO), een theatrale ode aan vergeten verhalen, van schrijver Raoul de Jong.
Een jonge theatermaker met een druk bestaan dus. Maar toen drie jaar geleden zijn relatie met zijn vriendin stukliep, begon Wijdeven te twijfelen aan alles. ‘Ik zat in een diepe crisis. Ik lag maar op de bank en kon niets meer. Ik wist het allemaal niet meer: of ik nog op de goede weg zat met mijn theaterwerk, waarom ik het allemaal deed’, zegt Wijdeven. ‘Als ik eraan terugdenkt, krijg ik weer een brok in mijn keel.’
‘Soms hoeven twee zielen niet samen te komen. Soms ben je uit ander hout gesneden’, zei Wijdevens moeder, die naar Rotterdam was afgereisd om haar zoon te troosten. Ze merkte daarbij terloops op dat dit citaat van zijn betovergrootvader kwam die dichter en kunstenaar was. Dat zette Wijdeven aan het denken, de enige artistiekeling in een familie vol beta’s. De zoektocht naar wie zijn betovergrootvader was werd volgens Wijdeven een obsessie. ‘Ik vond het heerlijk om me erin te verliezen.’
Zijn moeder bleek slechts een dichtbundel van Rustwijk te hebben, Matrozenrozen (1914). Volgens haar de eerste dichtbundel door een Surinamer geschreven, maar meer wist ze niet. En dus wordt Wijdeven doorverwezen van het ene onbekende verre familielid naar het andere. Die blijken net als Wijdeven allemaal actief in de kunsten, zoals operazanger Anthony Heidweiller en regisseur Maarten van Hinte. Maar ook theatermaker Nina de la Parra blijkt familie. Zij is degene die hem uiteindelijk aanspoort van de zoektocht een voorstelling te maken.
Een oudtante geeft Wijdeven Het waarom beantwoord of het wee ontsluierd voor de welvaartscommissie, een door Rustwijk geschreven theatertekst die hij in 1911 als onemanshow in het Thalia Theater te Paramaribo, het oudste theater van Midden-Amerika, voordroeg. Het doel van de monoloog: bij de welvaartscommissie uit Nederland aandacht vragen voor de mensonterende omstandigheden waarin het gros van de Surinamers verkeren. Ook pleit hij voor het vieren van de afschaffing van de slavernij: ‘Ik roep u op en nodig u allen uit als één! Uw kolonie wil een feest voor de zoons en dochters van 1863!’ Keti Koti, zoals de herdenking en viering wordt genoemd, is in Nederland nog altijd geen nationale feestdag.
Het beeld dat in familieverhalen, krantenartikelen, foto’s en teksten van Rustwijk opdoemt, is dat van een gesoigneerd, uitgesproken en veelzijdig kunstenaar – er was weinig wat hij niet deed. Het opvallendste: hij was net als Wijdeven een enthousiast theatermaker, decorbouwer en beeldend kunstenaar. ‘Hij zat bij het grootste theatergezelschap van Suriname’, vertelt Wijdeven, ‘maar hij deed van alles in Thalia Theater. Hij was toneelmeester en maakte jeugdtheater. Hij schreef serieuze stukken, maar hij kon ook heel grappig zijn en trad op met gedichten op verjaardagsfeestjes. Maar hij knapte ook meubels op, hij moest gewoon geld verdienen.’
Eindelijk vallen voor Wijdeven dingen op hun plek. ‘Het voelde alsof ik hem kende’, zegt hij. Raoul de Jong, schrijver en daarnaast zijn buurman en dramaturg, heeft daar een verklaring voor: in het wintigeloof wordt gezegd dat een geest zeven generaties leeft. ‘De ontdekking dat mijn betovergrootvader theatermaker was en de meerwaarde en de lol daarvan inzag, gaf me een soort erkenning. Ik was altijd een buitenbeetje in de familie. Ze vonden het leuk dat ik mijn ‘passie’ volgde en ze hebben me altijd gesteund, maar alle neven gingen iets doen waardoor je uiteindelijk wel een auto hebt.’
Nog zo’n openbaring: de Black Lives Matter-demonstraties in de zomer van 2020. De Rotterdamse theatermaker had zich tot dan toe tijdens de pandemie verschanst in zijn kleine woning met al het onderzoeksmateriaal. ‘Ik kwam mijn huis niet uit, en ineens stond ik daar met al die mensen op de Erasmusbrug. Waar ik al die tijd mee bezig was, had ineens wereldwijd de aandacht. Het was een beetje spookachtig, als een pad dat zich ontwaart.’ Rustwijk gaf Wijdeven weer richting, hij beseft dat dit het soort verhalen is dat hij wil vertellen. ‘Door deze voorstelling ben ik me echt Surinaams gaan voelen, omdat het van een soort sprookje realiteit is geworden. Die kennis over je eigen wortels gun ik iedereen.
Alle Nederlanders zouden wat aan Rustwijks nalatenschap kunnen hebben, zegt Wijdeven. ‘Mensen zoals Rustwijk bieden een bodem om op te staan, want die duistere geschiedenis van de slavernij voelt soms bodemloos. Maar er waren mensen die streden’, zegt Wijdeven. ‘Rustwijk was een van de interessantste figuren in begin 1900, maar dat is een tijd waar niet veel interesse voor is. Er is wel aandacht voor de slavernij en voor verzetsstrijder Anton de Kom, maar daartussen zit een gat.’
Wijdeven denkt dat hij wel weet waarom: ‘Suriname is altijd gefocust geweest op Nederland, alles wat uit Suriname kwam deed er niet toe. Het hele Surinaamse onderwijs was gericht op Nederland. Daarom was er onlangs pas nieuwe interesse voor zo’n tentoonstelling als de Surinaamse School in het Stedelijk Museum (tot afgelopen zomer daar te zien, red.). Dat zijn allemaal kunstenaars die vroeger voor amateurs werden aangezien, alleen maar omdat ze Surinaams waren.’
Verzetsheld Anton de Kom werd vorig jaar als eerste Surinamer aan de canon van Nederland toegevoegd. ‘Hij werd van obscure Surinamer een nationale held’, zegt Wijdeven. Een status die ook Rustwijk verdient, vindt de theatermaker. ‘Rustwijk deed in zijn theatermonoloog zulke verregaande verzoeken voor emancipatie. Het is pijnlijk dat de welvaartscommissie er destijds niet was om zijn speech te horen. Dat voelt als iets wat ingelost moet worden.’
Theatermaker Sadettin Kirmiziyüz deinsde er lange tijd voor terug, maar nu wil hij het hebben over de ‘lange arm’ van Turkije. Maar eerst moet de lucht tussen hem en de Volkskrant geklaard.
Er zijn drie dingen waar je het beter niet over kunt hebben met Turken: godsdienst, politiek en voetbal’, zegt Sadettin Kirmiziyüz (Zutphen, 1982). ‘Dat wordt altijd heftig.’ Daarom vermeed hij de onderwerpen in zijn voorstellingen. ‘Maar het is tijd om me niet meer te verschuilen achter ‘ik ben maar een theatermaker’’, zegt hij na een repetitie op een bankje in de foyer van Het Nationale Theater.
En dus gaat zijn nieuwe voorstelling Is This the Real Life over ‘de lange arm van Turkije’, in Kirmiziyüz’ definitie: de invloed van Turkije op het leven van Turkse Nederlanders. ‘Ik vind dat onze generatie, met een migrantenachtergrond, die zich zo actief uitspreekt tegen islamofobie, racisme, discriminatie en antisemitisme, ook eerlijk moet durven zeggen dat we te veel onder invloed staan van wat er in Turkije gebeurt’, zegt de theatermaker wiens voorstellingen veelal over racisme en identiteit gaan. ‘Nu ik dit hardop zeg, denk ik: dit komt gewoon in de Volkskrant. Dat is best wel groot.’
Over de krant gesproken: er is iets wat eerst opgehelderd moet. Dit najaar ging zijn spraakmakende voorstelling Citizen K. in reprise. Daarin somt de theatermaker een lijst op van pijnlijke momenten waarop hij met zijn Turkse afkomst werd geconfronteerd, waaronder een interview in de Volkskrant met de kop ‘Creatief met Turk’.
Wil je dan nog wel door deze krant worden geïnterviewd?
‘Het was een superleuk interview, alleen bedacht de eindredactie toen die kop. Ik dacht: hè, wat is dit nou weer? Een uitgebreid interview over mijn voorstelling Somedaymyprincewill.com, waarom ik dit soort theater maak, echt een inhoudelijk, artistiek gesprek. Dat werd tenietgedaan door die kop. Ik werd gereduceerd tot een woordgrap. Dat vond ik echt niet tof. Ik voelde me vernederd.
‘Door de reacties in mijn omgeving heb ik er toen niets van gezegd. Mensen zeiden: ‘Nee joh, dat is maar een grap, een knipoog. En het interview is heel tof, toch? En een grote foto!’ Het was een andere tijd, zeven jaar geleden vonden mensen dat soort grappen nog leuk. Nu zou ik het niet meer accepteren.’
Waarom niet?
‘Ik ben vader geworden. Daar komt het op neer. Ik wil niet dat mijn twee kinderen dit ook moeten meemaken.’
Zeven jaar geleden, mei 2013, was ook het moment dat er in het Gezipark in Istanbul protesten uitbraken tegen de Turkse overheid. Het was een van de eerste keren dat Kirmiziyüz iets merkte van Turkse bemoeienis in Nederland. Hij had iets over de protesten op Facebook geplaatst. ‘Een onschuldige opmerking over wat de politie deed, maar ik kreeg meteen een telefoontje van mijn moeder die vroeg wat ik op internet had gezet. Mijn moeder zit niet op Facebook. Dat is dus via via bij haar terecht gekomen.’
Drie jaar later was er de couppoging in Turkije. Een fractie binnen het Turkse leger probeerde tevergeefs de macht te grijpen. Volgens president Erdogan zat geestelijk leider Fethullah Gülen erachter. Kirmiziyüz deelde een nieuwsbericht hierover op Facebook, waarna een kennis zei dat ze dacht dat de coup in scène was gezet door Erdogan om zijn machtspositie te versterken. De vrouw werd door Erdogan-aanhangers onmiddellijk beschuldigd Gülenist te zijn en met de coup te maken te hebben. Ze wisten heus wel wie ze was.
Kirmiziyüz: ‘Ik durfde niks meer te zeggen, het was een soort zelfcensuur. En dat gaat tegen mijn aard in. Ik maak voorstellingen over mijn twijfels over het geloof. Ik maak voorstellingen over racisme, drugsgebruik – ook dat van mij. Heftige dingen. En dat ik dit dan uit de weg ga... Ik dacht: ik kan mezelf niet serieus nemen als ik dit niet bespreek.’
Waarom heb je er dan toch zo lang mee gewacht?
‘Omdat ik het niet durfde. Ik maakte mezelf bang voor die lange arm. Wat die ook is.’
Je zou afgelopen voorjaar naar Turkije gaan om daar onderzoek naar te doen. Maar toen begon de pandemie.
‘Ik stond een paar keer op het punt om met de voorstelling te stoppen. De reis ging niet door. We moesten zoomen. Toen we weer mochten afspreken, lukte dat telkens niet: kind ziek, crèchebegeleider ziek, zelf verkouden. Ik dacht: is het echt wel zo belangrijk allemaal?
‘Maar ik heb in deze periode ook bijna dagelijks contact met mijn moeder; ze woont alleen, in een flat in Zutphen. Mijn zoontje van 6 jaar oud spreekt beter Nederlands dan zij, dus ik voel me verantwoordelijk om de persconferenties te vertalen. Mijn moeder ervaart de pandemie heel anders dan ik, mede door berichten die ze uit Turkije krijgt. En dan word ik weer bevestigd in mijn idee dat ik het over dit onderwerp moet hebben.’
Wat vertelt je moeder?
‘Mijn moeder stuurde mij al twee maanden voor de eerste lockdown een appje door van iemand uit Turkije die zei: ‘Zorg dat je genoeg eten in huis hebt, want ik ken iemand die in het ziekenhuis werkt...’ Mijn moeder denkt echt dat corona haar komt pakken. Ik kan je appjes voorlezen waarin ze zegt: ‘Ik word binnengesloten door corona. Het is er bijna. De buren hebben het.’ Dat ik hier tijdens het repeteren zei: hahaha, mijn moeder laat zich helemaal gek maken.
‘Een tijdje later liep ik de supermarkt uit terwijl ik met haar belde. Ik had keukenrol gekocht, want het wc-papier was op, en zij zei: ‘Ik zei het toch? Je moet brood kunnen maken, hamsteren.’ Ze kreeg gelijk natuurlijk. Het was zo heftig. Met mijn gezin naar die eerste persconferentie kijken: ‘Alle restaurants, alle cafés, gaan vanavond dicht.’’
Heb jij ook virusangst gehad?
‘In het begin. Ik ben een week heel ziek geweest. Supermoe. Twintig uur per dag slapen. Ik dacht dat ik het had. Mijn vrouw vond me een aansteller. Van haar moest ik een afspraak maken bij de GGD. Al die vragen aan de telefoon. Moe? Misselijk? Toen ik ophing, zei ik: ik denk dat ik doodga. Misschien heb ik dat van mijn moeder. Maar nu ben ik eraan gewend.’
Welke rol heeft het Turkse nieuws in jouw familie?
‘Bij mijn moeder staat de hele dag de Turkse televisie aan. Ze bidt vijf keer per dag, de flat gaat ze alleen uit als het echt nodig is. Verder zit ze thuis. Op het Turkse journaal ziet ze wat er in Nederland gebeurt. Die cartoonrel laatst met Wilders en de aangifte van Erdogan tegen hem heeft ze via het Turkse journaal meegekregen. Daar is het narratief anders dan hier: het Westen wordt afgeschilderd als anti-Turks, anti-islam. Wat wij zien als vrijheid van meningsuiting wordt daar gezien als een provocatie. Andersom zag ik een toespraak van Erdogan bij de NOS waarvan de ondertiteling niet klopte. Dit soort dingen heeft veel invloed; mijn vader vertrouwt de NOS niet.’
Begrijp je het wantrouwen?
‘Ik dacht dat ik een observeerder was, maar dat is niet waar, want ik voel ook dingen. Mijn neef uit Istanbul vertelde dat hij die coupnacht de straat op was gegaan. In Nederland dachten we dat Erdogan erachter zat. Maar hij zei: ‘Ik heb mensen overreden zien worden door tanks en mensen kapotgeschoten zien worden. Hoe kun je denken dat dit nep was?’ Door zoiets ga ik twijfelen.’
Kritiek op Turkije ligt gevoelig. Bekende Turkse Nederlanders worden geregeld bedreigd. Ben je daar niet bang voor?
‘We hebben vorig jaar Lawrence of Arabia gemaakt. Geen populaire figuur onder Turken, want hij hielp de Arabieren. Nou, ik heb het geweten. Zo veel anonieme berichten. ‘Zionist.’ En: ‘Ben je wel een Turk of ben je een Armeen?’ Nog net niet: ik kom je doodmaken.
‘Ik wil weten hoe dat werkt. We hebben het in Nederland de hele tijd over ‘de lange arm van Turkije’, maar wat is die dan? Ik ben nog nooit door iemand van de ambassade of van de regering gebeld die zegt: wat is dit nou? Of een brief. Nee, het zijn altijd andere Turken of familieleden die commentaar hebben.’
Maak je je daar zorgen over?
‘Misschien wil ik mijn moeder niet teleurstellen. Ze kijkt toch anders naar me als ze hoort dat er een leuk interview met haar zoon in de krant stond, dan als ze hoort dat ik iets heb gezegd over Turkije. Dat is confronterend. Citizen K. was nog veilig, dat onderwerp lag buiten mij. Dat ging over opgroeien in een andere wereld, niet over waar ik vandaan kom. Ik heb het altijd gehad over hoe het is om een Turkse Nederlander te zijn, nooit over hoe het is om Nederlandse Turk te zijn.’
Ze is altijd de eerste in alles, acteur en theatermaker Romana Vrede. Sinds ze de Theo d’Or - de belangrijkste toneelprijs van het land - won zijn al haar dagen gevuld. Een gesprek over aandacht, kwetsbaarheid en billen afvegen. ‘Ik ben altijd al anders geweest. Ik heb het maar geaccepteerd en omarmd.’
In de woonkamer van de Rotterdamse acteur en theatermaker Romana Vrede staat Barbapapa op. Haar 16-jarige zoon Charlie heeft zich voor de tv geïnstalleerd en wil niets anders dan naar de tekenfilm kijken. “Voor nu vind ik dat wel even goed, dan kunnen wij rustig praten,” zegt Vrede. Maar als ze vervolgens een pak koekjes uit de kast trekt voor bij de thee, veroorzaakt dat de nodige opwinding bij Charlie, die autisme heeft en zwakbegaafd is. “Wiiiii”, zegt-ie en wijst naar het pak. Hij wil óók een koekje.
Tijdens het interview zorgt Charlie constant voor vrolijke achtergrondgeluiden, omdat hij zo meeleeft met de tekenfilm. Charlie ziet eruit als een jongeman van 25 jaar, maar heeft het IQ van een kind van 20 maanden. Praten kan hij niet. Een paar keer loopt hij met grote passen naar Romana omdat er een boterham gesmeerd moet worden, een peertje gegeten of een broek verschoond. Het is hoe een gemiddelde dag van Romana eruitziet als ze niet aan het repeteren of draaien is, of op het toneel staat.
Maar straks komt de oppas, ze moet vanavond draaien, vertelt Romana, die middenin de opnames van de speelfilm I don’t wanna dance zit. Ze heeft een joggingbroek en een hemdje aan. Lekker makkelijk, over een paar uur zit ze toch weer in de make-up. Haar vlechten, die ze tijdelijk heeft laten zetten voor haar rol in de film, zitten samengebonden in een hoge knot op haar hoofd. “Maar na het draaien gaan de vlechten er weer af, hoor,” zegt Romana, die normaal gesproken een superkorte coupe heeft.
Dat korte kapsel nam ze twintig jaar geleden nadat ze aan de toneelschool in Arnhem was afgestudeerd. Dat had een paar redenen: “Ten eerste omdat Charlie als kleuter mijn haarvlechten gebruikte als lianen. Dat was op een gegeven moment vermoeiend. Ten tweede omdat ik merkte dat ze in de theater- en filmwereld niet zo goed weten hoe ze om moeten gaan met black hair. Door het kort te houden, kon ik altijd een pruik opzetten. En kort haar kan alles zijn: edgy, maar ook superclassy. De derde reden was dat ik mezelf wilde strippen van alles wat feminien was, niet veel sieraden of make-up of mooi haar. Nu ik lang haar heb, loop ik op de markt en dan zie ik weer mannen kijken van: hé, wat loopt daar. Je wordt mooi omdat je lippenstift draagt, omdat je lang haar hebt. Maar ik wil zien wie ik ben als ik gestript ben van alles wat buitenkant is.”
Door dat korte haar werd je ook weleens aangesproken als man.
“Non-stop.”
Hoe vond je dat?
“Nou ja, vooral hoe mensen vervolgens hun excuses aanboden, vond ik erg. Zo van: ‘O, sorry, ik dacht dat je een man was!’ Omdat ik kort haar heb denken ze dat ik sowieso een man ben, en als ze erachter komen dat dat niet zo is, dan ben ik mislukt als vrouw. Dan val je buiten de norm.”
Waarom had je geen zin in dat hele vrouwelijke?
“Het voelde constant opgetut, niet natuurlijk. Voor mij althans niet. Ik zeg niet dat mensen in jurkjes en lippenstift en oorbellen niet natuurlijk zijn, maar voor mij voelde het als iets wat ik aantrek, een masker dat ik opzet om vervolgens mooi gevonden te worden. Terwijl ik vind dat mijn schoonheid veel dieper ligt dan dat. Ik vind mezelf ook echt bloedmooi met kort haar. Daarom wil ik het straks weer kort. Misschien dat ik het daarna wel een beetje laat groeien, omdat ik de film- en theaterwereld een boodschap wil geven: deal with it. Dit is mijn haar, en als je wil dat mijn personage anders is, moeten we met mijn haar doen. Het is tijd dat er meer kennis komt komen over zwart haar en hoe je daar mee omgaat. Net als over make-up. Toen ik 20 jaar geleden als acteurbegon, werd altijd aan mij gevraagd of ik mijn eigen foundation mee wilde nemen, want mijn kleur hadden ze niet. Nu gebeurt dat gelukkig niet meer.”
De norm bevragen en alles wat wel en niet normaal is ter discussie stellen, is typisch Romana. Dat doet ze als acteur in de voorstellingen die ze maakt bij het Nationale Theater – door haar gekscherend de Bijenkorf van de toneelwereld genoemd. (Daarvoor was ze onder andere verbonden aan het Onafhankelijke Toneel en maakte ze de voorstelling Who’s afraid of Charlie Stevens over haar zoon.) Ze won in 2017 de belangrijkste toneelprijs van Nederland, de Theo d’Or, voor haar rol in Race bij het Nationale Theater. De onderscheiding betekende haar doorbraak bij het grote publiek. Media noemden het een mijlpaal in de Nederlandse theatergeschiedenis, omdat ze de eerste zwarte vrouw was die de prijs won. En sindsdien is Romana een graag geziene gast, onder meer bij de televisieprogramma’s De Wereld Draait Door (DWDD) en Zomergasten. Ze heeft het drukker dan ooit; alle dagen dat ze niet in het theater staat worden opgevuld met het schrijven van een boek en verschillende rollen in films en series. “Alleen omdat ik nu bekend ben, hoor,” relativeert ze, “de filmwereld is nog minder divers dan de theaterwereld. Maar gelukkig voor hen ben ik ook goed in mijn werk.”
Je hebt eens gezegd: toen ik die theaterprijs won, werd ik van acteur ineens die zwarte acteur. Waarom voelde dat zo?
“Door de media-aandacht. Ik kom nu denk ik in het Guinness Book of Records omdat ik de eerste zwarte vrouw ben die hem heeft gewonnen, want in de media ging het daar de hele tijd over. Mark Rietman (collega-acteur bij het Nationale Theater, red.) zei: ‘Ik denk dat negen van de tien mensen nog nooit van de Theo D’or hadden gehoord totdat jij hem won.’.”
Je was ineens een soort Obama van de toneelwereld, zei je.
“Ja, hij was ook de eerste. Maar ik ben natuurlijk geen Obama. Weet je, het is de eerste stap, het is hoe je ergens binnenkomt, hoe je aandacht krijgt. Vervolgens ligt het eraan wat je met die aandacht doet. Bijvoorbeeld onze Rotterdamse burgemeester, of de president, of ik, om mezelf maar in een heel bescheiden rijtje te plaatsen, haha. Dit moet je niet opschrijven hoor, dat is een absurd rijtje! Maar goed, toen ik al die uitnodigingen kreeg van de media dacht ik: prima, dan ga ik bij DWDD zitten omdat ik dan anderhalve minuut op die kruk over dingen kan praten die ik belangrijk vind. Over racisme, autisme, seksisme. En over dingen die ik mooi vind, of spannend. Zo bereik ik toch een miljoenenpubliek, in het theater moet ik daar tien jaar voor spelen.”
Vond je het storend, die nadruk op je kleur?
‘Ja, heel. Ik werd er angstig van. Ik hou van de aandacht, maar ik ben ook een echte Rotterdammer: eerst doen, dan pas praten. Ik woon niet voor niets in Rotterdam-Zuid. Ik functioneer het beste vanuit een soort underdogpositie, of dat heb ik mezelf aangeleerd. Studeren, onderzoeken, luisteren, kijken, als ik een rol voorbereid. Daarna de première en dan pas de reacties. Maar nu krijg je tijdens de eerste try-outs al dat mensen zo gaan zitten kijken: hmm, dat is Romana Vrede. Daar word ik heel zenuwachtig van. Dan ik denk: laat me eerst even werken. Ik wil beoordeeld worden op mijn werk.’
Was alle aandacht ook niet fijn?
‘Nee, sinds die hel begon, heb ik een management dat alle verzoeken doet. Anders ga ik eraan onderdoor. Het is zo veel. En ik heb Charlie die me met beiden benen op de grond houd. Ik bedoel: ik heb vaak drie uur voor de première nog billen staan vegen. That keeps you grounded, trust me.”
Als kind groeide de Rotterdamse acteur op in een witte omgeving in Rotterdam-Zuid. Haar familie was een van de weinige Surinaamse families in de buurt. Thuis was ze het enige kind dat altijd druk en aanwezig was. Maar ook later was ze in alles altijd de eerste of de enige; van al haar vrienden was ze de eerste die een kind kreeg, de enige die een kind kreeg met een beperking en ze was eerste zwarte studente op een toneelschool. En dan date ze momenteel ook nog een zwangere vrouw. “Echt iets voor mij, ik moet altijd weer opvallen!” Romana lacht, en dan weer serieus: “Ik ben altijd al een beetje anders geweest. Ik heb het maar geaccepteerd en omarmd.”
Dat maakt je ook speciaal.
“Opvallen is fijn, maar aan de andere kant het is ook fucking eenzaam. Niemand weet hoe het is om een kind te hebben met autisme en om queer te zijn en zwart, en daar gevierd om te worden. Daarin ben ik een soort frontsoldaat.”
Wat is de grootste misvatting over jou?
“Mensen denken altijd dat ik outgoing en happy ben, want als ze me zien dan geef ik veel energie. Dan is er geen moment van rust. Terwijl ik eigenlijk introvert ben. Ik ben iemand die de telefoon niet opneemt als iemand belt of als iemand appt. Dat ga ik liever uit de weg. Ik heb het nu heel erg druk, en dat is natuurlijk ook heerlijk weet je, begrijp me goed, maar het is niet waar ik op draai, niet wat me energie geeft. Ik denk dat mensen niet doorhebben dat ik iedere dag nadenk over wanneer ik eindelijk weer een dag vrij heb. Een paar dagen geleden was ik op de set en toen kwam de opnameleider naar me toe en die vroeg: ‘Gaat het?’ Ik moest toen bijna huilen omdat hij de eerste was die dat aan me had gevraagd sinds we aan het draaien waren. Mensen denken van mij altijd dat ik sterk ben, dat ik alles onder controle heb. Niemand zal aan mij vragen: zal ik je helpen met dragen? Ze gaan er vanuit dat ik het wel kan. Ik kan superkwetsbaar zijn terwijl ik alle ballen hooghoud, maar dat wordt vaak niet als zodanig gezien.”
Romana loopt naar de televisie, ze vindt dat Charlie wel genoeg Barbapapa heeft gekeken. “Ga maar naar je kamer, even lekker muziek luisteren.” Ze geeft haar zoon een kus, en Charlie loopt braaf richting de trap. Het contact Charlie is niet altijd zo eenvoudig geweest. “Toen hij nog heel klein was dacht ik eerst: ik kan dit niet, ik wil het niet. Ik had geen contact met hem, tenminste niet zoals ik dat wilde. Daar gaat die voorstelling over. Ik probeerde contact te maken vanuit wat normaal is. Een baby zegt dan op een gegeven moment ‘mama’, en die wil bij je zijn. Maar Charlie was zo niet. We waren een keer in een speeltuin en toen wilde hij liever met een vreemde man mee en niet met mij, ik denk omdat die man een beetje op zijn vader leek. Ik voelde me compleet afgewezen en niet erkend als moeder door mijn eigen kind.” En ook later was het moeilijk. Tot twee jaar geleden had Charlie twee tot drie keer per week een agressieve bui. Wie dan in de buurt was kon een klap verwachten. “Dan moest ik me verstoppen op het toilet omdat hij helemaal losging. Ik heb toen ook een slot gemaakt op zijn speelkamer zodat ik hem daar dan even kon opsluiten.”
Romana werkt momenteel aan een boek over haar leven met Charlie. De werktitel: De nobele autist. Het is haar tweede project over Charlie, het eerste was de voorstelling over hem die afgelopen seizoen in reprise ging. In de zomer stond ze ermee op theaterfestival Oerol en Charlie was gewoon mee. “Hij is gek op het strand. Mensen denken altijd dat autistische kinderen niet flexibel zijn, maar dat is helemaal niet waar. Hij is flexibeler dan ik of de meeste kinderen. Veel kinderen zijn van die zeikerds: ‘ik wil dat niet, ik vind dat niet leuk.’ Hij heeft dat helemaal niet, hij is heel meegaand. Als ik vanavond zou verhuizen en zou zeggen we wonen nu in Groningen, dan zou hij dat prima vinden.”
Romana heeft meestal genoeg aan een enkele beweging of geluid van Charlie. Maar hij verrast haar nog steeds weleens. Het feit dat-ie de afgelopen dagen ineens per se bij zijn moeder in bed wilde slapen, bijvoorbeeld. Ze denkt dat het kleutergedrag is, een fase. “Zijn ontwikkeling niet eenlijnig. In sommige dingen is hij echt een 2-jarige. Maar emotioneel lijkt hij soms 80, wijs en heel zorgzaam. Als ik druk doe, dan zegt hij dat ik naast hem moet komen zitten en dan doet hij een arm om me heen: heel even naar Barbapapa kijken, dat is goed voor je. En als je iets aan Charlie vraagt zal hij nooit nee zeggen. Hij altijd bereid om je te helpen, iets te dragen of iets voor je te pakken. Dat vind ik bijna goddelijk, bijna heilig, een soort Ghandhigedrag.”
Ben je door Charlie de acteur geworden die je nu bent?
“Zeker. Op een praktische manier, door pauzes te laten vallen in mijn spel, dat vind ik altijd spannend. Ook absurde overgangen, die heeft hij ook. Het is wat Polonius over Hamlet zei: ‘though this be madness, yet there is method in it’. Maar wat belangrijker is: door hem kan ik me veel beter verplaatsen in andere mensen, en dus ook in mijn personages. Als ik iets niet snap, dan moet ik het verder onderzoeken in plaats van denken: hè, dat is raar. Hij heeft me geleerd meer vragen te stellen, begrip te hebben en opener te zijn. Als we allemaal net iets meer als Charlie zouden zijn, dan zou het een stuk mooier zijn.”
Toen de Marokkaanse journalist en activist Fedwa Misk hoorde dat een collega, Hajar Raissouni van de krant Akhbar Al-Yaoum, was opgepakt door de politie op verdenking van illegale abortus en buitenechtelijke seks, reageerde ze onmiddellijk. Op Facebook plaatste ze een tekening van een baarmoeder, de rechter eileider getekend als een arm met een opgestoken middelvinger. „Aan alle poortwachters van de patriarchale tempel, mijn baarmoeder bedankt u.”
In Marokko is abortus verboden, tenzij de vrouw toestemming krijgt van haar echtgenoot. Raissouni is niet getrouwd voor de Marokkaanse wet. De journaliste riskeert daarom een celstraf tot twee jaar, de arts die de abortus zou hebben uitgevoerd kan tot tien jaar krijgen.
Honderden mensen verzamelden zich begin deze week voor de rechtbank in Rabat om steun te betuigen aan Raissouni. De zaak is het gesprek van de dag in Marokko, vertelt Fedwa Misk, een bekende Marokkaanse feministe, aan de telefoon. „Online en op de radio gaat het nergens anders over. Mensen zijn ontzettend begaan met Raissouni. De omstandigheden rond haar keuze voor abortus zijn onduidelijk. Hoe dan ook: zij hoort niet in de gevangenis, maar thuis of in het ziekenhuis.”
Fedwa Misk Roger Cremers
Misk, die in oktober spreekt op het literaire festival ‘Read my world’ in Amsterdam, gelooft net zomin als veel van de betogers dat de abortus en de buitenechtelijke seks de reden zijn van de arrestatie. Raissouni zou vooral zijn opgepakt omdat ze een kritische journalist is. Ze schreef over de opstanden in de Rif en interviewde protestleider Nasser Zafzafi, die nu een celstraf van 20 jaar uitzit.
Misk: „Volgens hulporganisaties vinden dagelijks 600 tot 800 abortussen plaats in Marokko. Daar wordt niet tegen opgetreden. Het abortusverbod is gebruikt om Hajar een lesje te leren. Ook speelt mee dat ze gelieerd is aan een islamistische krant die kritisch is over de staat. De islamisten zijn populair in Marokko en dat ligt gevoelig bij de Marokkaanse overheid.”
Vrouwen horen niet mee te praten
Misk weet uit ervaring hoezeer mondige, kritische vrouwen in Marokko met tegenstand te maken krijgen. Ze is oprichtster en hoofdredacteur van een feministisch webmagazine, Qandisha. In de eerste editie, die vlak voor de verkiezingen van 2011 uitkwam, interviewde ze de leider van de gematigd-islamistische partij PDJ, Abdelilah Benkirane. Ze vroeg hem: „Ik ben atheïst, ik drink alcohol en ik heb seks zonder getrouwd te zijn. Wat denkt u daaraan te gaan doen?”
Haar assertiviteit werd Misk niet in dank afgenomen. Ze ontving doodsbedreigingen, haar site werd gehackt. Maar de generatie vrouwen die tijdens de Arabische Lente werd wakker geschud, laat zich niet meer beknotten, zegt zij. „In ons land is het niet gebruikelijk dat vrouwen op de voorgrond treden en meepraten. Maar toen zijn we met tienduizenden de straat opgegaan. We zijn uitgesproken over het zelfbeschikkingsrecht van man én vrouw.”
Een van de zaken waar de Marokkaanse vrouwenbeweging tegen ageert, is het abortusverbod. Tot nu toe zonder veel resultaat, geeft Misk toe. „Er lag eerder wel een voorstel om de huidige wet te versoepelen en abortus toe te staan na verkrachting, na incest of als de gezondheid van de moeder in gevaar is. Maar dat is nog altijd niet goedgekeurd. De minister van Familiezaken, Bassima el Hakkaoui, suggereerde in een interview dat er een referendum zou moeten komen over het onderwerp. Een referendum waarin anderen gaan beslissen over onze baarmoeder! Niet te geloven.”
„Marokko heeft zo’n beetje alle mensenrechtenverdragen getekend, we worden beschouwd als een land dat democratiseert. Maar vrouwen hebben hier niet eens het zelfbeschikkingsrecht over hun baarmoeder. Dat is ongelofelijk triest. En gevaarlijk. Veel vrouwen, voorál arme vrouwen, plegen op onverantwoorde wijze abortus met alle gevolgen van dien.”
Rode fluitjes uitgedeeld
Toch doet de feministische lobby in Marokko het niet slecht, vergeleken met sommige andere landen in de Arabische wereld, zegt Misk. „Vrouwenbewegingen blijven bij de overheid aandringen op verandering. In 2012 hebben wij met Qandisha gepleit voor de heropening van een verkrachtingszaak rond een parlementariër. Hij is uiteindelijk veroordeeld. En de wet die bepaalde dat een verkrachter zijn gevangenisstraf kon ontlopen door met het slachtoffer te trouwen, is in 2014 afgeschaft. Maar daar moest wel eerst de zelfmoord van het 16-jarige meisje Amina El Filali aan vooraf gaan. Zij werd gedwongen met haar verkrachter te trouwen.”
Begin dit jaar won de feministische lobby in Marokko een grote slag toen een brede wet van kracht werd die allerlei vormen van geweld tegen vrouwen – tot straatintimidatie aan toe – strafbaar stelt. Aanleiding voor de wet was wederom een incident dat opschudding veroorzaakte: een filmpje waarop te zien was hoe een meisje in een bus door een groepje jongens werd aangerand terwijl niemand ingreep, ging viral en leidde tot protesten in de grote steden. Op Twitter begonnen Marokkaanse vrouwen hun eigen #MeToo-beweging onder de hashtag #masaktach, ofwel: ‘Ik zal niet zwijgen’.
Even leek dat alles effect te sorteren, zegt Misk. „Er werd veel over de wet gesproken in de media en op straat. Activisten deelden rode fluitjes uit. Als vrouwen werden lastiggevallen, konden ze daarop blazen. Al werden de fluitjes door sommige mannen belachelijk gemaakt, ze waren wel het gesprek van de dag.”
Maar, constateert de activiste een jaar later, voor echte verandering is méér nodig. „Hoe mooi wetten ook zijn, rechters hebben altijd bewegingsruimte bij de toepassing en interpretatie. Vaak pakt dat nadelig uit voor vrouwen: veel rechters zijn conservatief, soms zelfs misogyn. Daarom hebben we meer vrouwelijke rechters nodig dan de huidige 30 procent.
„Misogynie onder Marokkaanse mannen is hardnekkig, dat verdwijnt niet van de een op de andere dag. Het onderwijs blijft achter – bijna de helft van de vrouwen is analfabeet. En het merendeel van de samenleving is conservatief. Een samenleving moet zélf willen veranderen.”
Op dit artikel rust auteursrecht van NRC Handelsblad BV, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.
De 4 mei-voordracht die schrijver Daan Heerma van Voss zal houden in De Nieuwe Kerk in Amsterdam wordt een moment van verzet tegen vergetelheid. “Vergeten is vanzelfsprekend, maar ook een beetje wreed.”
Tijdens de Nationale Herdenking op de Dam denkt Daan Heerma van Voss aan zijn naamgever. Daan de Jong, beste vriend van zijn vader. Een “heel vrolijke, grappige man, die negentig procent van de tijd een heel innemende warme persoonlijkheid was die elk feestje verrijkte”.
Diezelfde Daan de Jong zat als klein, Joods jongetje ondergedoken in Zeeland, ergens in een herenhuis, bij een rijk middenstandsgezin. Na de oorlog wilde Daan daar weg. Hij zat daar alleen en was verschrikkelijk eenzaam. Maar dat mocht niet van zijn oom Loe de Jong (historicus, red.), die vond dat hij niets te klagen had omdat hij genoeg speelgoed had. Zijn eigen ouders hadden de oorlog niet overleefd.
Daan de Jong hield er een merkwaardige relatie met de oorlog aan over, vertelt Heerma van Voss. De schrijver had een warme band met hem. “Omdat we het altijd over alles hadden, behalve over de oorlog, dacht ik: we moeten een keer samen naar Auschwitz. Maar hij wilde daar niet over praten.”
Hoe reageerde hij op jouw idee om naar Auschwitz te gaan?
“Eerst afhoudend, hij schrok. Maar al snel vond hij het een goed idee. Helaas werd hij ziek en stierf hij, nog voordat we dat konden doen. In 2015 heb ik die reis zonder hem gemaakt, en toen zag ik het laatste stukje dat hij altijd verborgen hield.”
Wat zag je?
“Ik begreep het zwijgen beter. Het was tijdens het 70-jarig jubileum van de bevrijding, veel mensen dachten dat het kamp gesloten was, dus ik was ongeveer de enige daar. Helemaal verlaten, het sneeuwde, het was ongelooflijk koud. Het voelde alsof mij een sleutel was gegeven tot Daan.”
Je kende Auschwitz vooral van beelden. Wat was het verschil met daar staan?
“Ik ben in meerdere vernietigingskampen geweest, maar Auschwitz is een soort macaber heiligdom. Alles dwingt je om je respectabel te gedragen. Om je stil te gedragen, nederig. Je ziet sowieso iets wat je niet had mogen zien, wat er niet had mogen zijn. Het dwong mij om stil en reflectief te zijn.”
Je schreef ergens: ik voelde me een getuige.
“Een stille getuige. Maar een getuige is wel een soort betrokkene, op afstand. Het is niet hetzelfde als een slachtoffer. Ik had niet het idee: ik hoor bij dit leed. Maar wel: ik heb dit kwaad, waarover ik zoveel heb gelezen, nu voor het eerst gevoeld. Dat heeft ook te maken met de krankzinnige uitgestrektheid ervan. Zeker Auschwitz II-Birkenau. Industrieterrein na industrieterrein. De grond is keihard, je weet hoeveel bloed daar nog in zit.”
Was er een plek in Auschwitz extra indrukwekkend?
“Barak nummer tien, waar Mengele zijn experimenten uitvoerde, dus waar Daans vader (de arts Sally de Jong, red.) te werk was gesteld. Ik kon me inbeelden wat Daan gevoeld zou hebben. Hij was er een keer eerder geweest. Dat vond ik heftig. En dat daarnaast in barak nummer elf, in een heel lullig keldertje, geëxperimenteerd werd met vergassingen. Dat is heel vreemd.”
Leidt een schoolbezoek aan Auschwitz tot meer begrip onder jongeren, denk je?
“Ja, dat helpt. Zonder meer. Maar het zou ook helpen als alle scholieren een keer naar Robbeneiland gingen, of naar Indonesië om te zien waar de politionele acties hebben plaatsgevonden. Contact met de plek waar iets gebeurd is, vergroot het inzicht, of in ieder geval het respect waarmee je ergens over praat. Maar het is een moeilijke vraag, omdat je ook een hiërarchie maakt. Wat is wel belangrijk, en wat niet?”
Sta je anders op de Dam, nu je in Auschwitz bent geweest?
“Nee, zo ver zou ik niet willen gaan. Tijdens die twee minuten denk ik aan Daan, aan Ischa Meijer (familievriend, red.), aan Henk, de broer van mijn grootvader die in het verzet zat. Maar ook aan de boodschappen, en of ik de kraan heb open laten staan. Dat ik nog naar de film wil, dat ik nog iets moet afmaken. Ik denk net als veel mensen ook aan onzindingen. Maar ik denk niet aan Auschwitz, aan de massaliteit van zes miljoen, of de tientallen miljoenen, gewone soldaten er nog bij gerekend. Voor mij moet herdenken een gezicht hebben.”
Wat wil je de toehoorders in De Nieuwe Kerk straks meegeven?
“Twee dingen. Dat we moeten beseffen dat vergeten erbij hoort. De nagedachtenis wordt elk jaar iets flauwer. Ten tweede: dat die verflauwing niet betekent dat we er met de pet naar moeten gooien. Het thema dit jaar is verzet en voor mij is verzet in bredere zin dat we ons verzetten tegen die vergetelheid. Dat we blijven proberen te herinneren, op welke manier je dat ook prettig vindt, en dat we daar twee minuten voor reserveren. Vergeten is niet alleen vanzelfsprekend, maar ook een beetje wreed. Dus we moeten het niet als verplichting zien, maar als een soort erekwestie.”
‘Die geheel witte cast van alles is liefde is gênant’
NRC Handelsblad | 5 april 2017
Voor de cover van de cultuurbijlage schreef ik een stuk over typecasting in de Nederlandse filmwereld. Waarom moeten Nederlandse acteurs van kleur zo hun best doen om typecasting te voorkomen?
Michael K. Williams is – behalve een fantastisch acteur – een zwarte man. Niet zo gek dus dat hij werd gevraagd voor de rol van gangster Omar Little in de HBO-serie The Wire, toch? Ik bedoel: wie anders had die rol kunnen spelen? Een witte jongen? Nee, Williams zal altijd een gangster spelen. Jong, oud of Southern, maar altijd gangster.
Dit is het gesprek dat de Afro-Amerikaanse acteur Williams voert met zichzelf in een filmpje met de titel Am I Typecast? Een antwoord komt er niet in de video die hij maakte voor het tijdschrift The Atlantic. Er worden vooral vragen opgeroepen.
Het witte Hollywood ligt momenteel onder een vergrootglas. Zwarte filmmakers boycotten in 2016 de uitreiking van de Oscars omdat er geen gekleurde acteurs waren onder de genomineerden via #OscarsSoWhite.
Ook in Nederland speelt de discussie. De meeste Nederlandse filmmakers lijken het erover eens dat er meer (culturele) diversiteit moet komen. Maar wordt er ook nagedacht over de rol van typecasting?
Niet meewerken aan stigma
„Ik heb als acteur niks te klagen, omdat ik daar altijd heel duidelijk in ben geweest”, zegt acteur en Gouden-Kalfwinnaar Nasrdin Dchar. „De clichérollen wil ik niet. Tenzij het verder gaat dan het cliché, maar dat gebeurt bijna nooit.” De reden dat de Marokkaans-Nederlandse acteur die rollen afwijst, is simpel: het is voor hem als acteur niet interessant genoeg. Dchar voelt ook een verantwoordelijkheid naar de Marokkaanse gemeenschap die toch al vaak negatief wordt geportretteerd. „Ik wil niet bijdragen aan het stigma dat er heerst. Natuurlijk komt er criminaliteit voor, dat verhaal mag worden verteld, maar dan op een manier die verder gaat dan het cliché. Kijk naar de rol van Marwan Kenzari in Wolf (2013). Dat is niet alleen een Marokkaanse crimineel, het is een gelaagd personage.”
Dchar speelde een tijdje terug een rijke, witte zakenman. Daar was hij zelf blij mee, omdat hij geen Marokkaans personage hoefde te spelen, maar sommige Marokkaanse Nederlanders dachten daar anders over. „Ze zeiden: dit is het moment dat je juist een Marokkaan had moeten spelen. Er zijn toch ook Marokkaanse zakenmannen? Toen dacht ik: ‘Fuck, je doet het ook nooit goed.’”
Acteur Achmed Akkabi herkent de kritiek uit de Marokkaanse gemeenschap. „Ik zit er niet mee, maar er zijn acteurs die daar wel moeite mee hebben”, zegt hij. Akkabi ziet het taboe op homoseksualiteit, seks- en zoenscènes, als een van de oorzaken waarom er weinig Marokkaanse en Turkse Nederlanders in films te zien zijn. Zo speelde hij zelf tot vijf keer toe de rol van een homo. „Een acteur moet bereid zijn alles te spelen, anders wordt het voor een regisseur moeilijk om met je te werken.”
De vakkenvuller ontgroeid
De Marokkaans-Nederlandse Akkabi zette zelf zijn eerste stappen als acteur toen hij werd gevraagd voor de rol van Rachid de vakkenvuller in een reclamespotje van Albert Heijn. „Natuurlijk was dat typecasting. Maar zeg nou eerlijk, de meeste vakkenvullers zijn toch Marokkaans?” Bovendien, zegt de acteur, is hij dat soort rollen snel ontgroeid, omdat hij daartoe de kans kreeg en omdat hij het vak serieus nam. „Ik ben naar de toneelschool in Maastricht gegaan. In mijn schooljaar zaten toen twee donkere jongens. Gelukkig verandert dat nu, steeds meer verschillende jongeren melden zich aan.”
Dchar heeft een heel enkele keer met typecasting te maken. Zo sprak hij in 2015 een spotje in voor een ministerie. Toen de opname er eigenlijk op zat, werd hem gevraagd om „een allochtoons accent te doen”. „Daar was ik toen echt pissed over. Het ministerie bood excuses aan, maar het is me nooit duidelijk geworden wie dat nou had bedacht. De opdrachtgever, de regisseur, of het castingbureau?”
Tot zo’n zes jaar geleden waren er veel bi-culturele acteurs te zien in multiculturele films als Shouf Shouf Habibi (2004), Pizza Maffia (2011) en Schnitzelparadijs(2005). Dat genre is, tot groot verdriet van regisseur Tim Oliehoek die zelf Pizza Maffia maakte, verdwenen. „Door dat genre is een groep jonge Marokkaanse acteurs ontdekt die daarna in veel films heeft gespeeld.”
Dat die films draaiden op clichés en typecasting, vindt Oliehoek geen probleem. „Het genre comedy moet het daarvan hebben, van uitvergrote karakters. In een realistische speelfilm zou je iemand niet zo snel vragen met een Marokkaans accent te spelen, maar in een komedie kan het juist leuk zijn om dat dik aan te zetten.” Toch vindt Oliehoek het jammer dat een acteur die hij ooit als pizzakoerier castte sindsdien in producties vooral als pizzakoerier opduikt. „Hij heeft veel talent. Ik gun hem andere rollen.”
Ook Job Gosschalk, producent, scenarioschrijver en castingdirecteur van Kemna Casting, vindt typecasting geen probleem, mits er aan tegencasting wordt gedaan. „Ik vindt het onzin om geen Marokkaanse of Turkse taxichauffeur te casten. Die zijn er heel veel in Amsterdam. Waarom zou ik dat vermijden?” Maar een onverwachte keuze voor een rol maken, vindt hij ook belangrijk. Zo besloot hij een keer een jonge zwarte vrouw te casten toen hij opdracht kreeg een mannelijke arts met een geruststellende blik te vinden.
Kwaad op de castingdirecteur
Gosschalk zou dat nog veel vaker willen doen, maar volgens hem is het aanbod van acteurs te mager. „Een Turkse man of vrouw van boven de vijftig die een beetje kan acteren? Die vind je niet.” Onder jongeren is dat aanbod de afgelopen jaren wel groter geworden, maar voorheen was dat ook problematisch. „Die jongeren wilden liever advocaat of arts worden, dan er een spelen. De hoofdrolspeelster in Layla M.(2016) zat ook niet op de toneelschool, die is door regisseur Mijke de Jong zelf gevonden.”
„De woede van sommige gekleurde acteurs ten opzichte van castingdirecteuren vind ik misplaatst”, zegt Gosschalk. „Ik snap dat acteurs zich in de discussie over diversiteit in eerste instantie op ons richten; wij zijn degenen die hun vertellen dat ze het niet zijn geworden. Maar dat is onterecht. Wij doen er alles aan om meer diversiteit te krijgen. Maar daarbij blijft gelden: we kiezen de beste acteur voor de job.”
Bovendien, zegt Gosschalk, heeft het castingbureau het niet voor het zeggen. Producenten en regisseurs zijn in eerste en laatste instantie verantwoordelijk voor de samenstelling van de cast. „Ik merk de afgelopen drie jaren dat die steeds vaker vragen naar gekleurde acteurs, maar soms denken ze er gewoon niet aan.”
Gosschalk en producent Frans van Gestel overkwam dat zelf toen ze in 2007 kaskraker Alles is Liefde maakten, een film met een geheel witte cast. „Het kwam toen gewoon niet in ons op om naar andere acteurs te kijken. Dat is gênant. Nu ben ik daar veel meer mee bezig. Bij de volgende grote commerciële film die ik maak, wordt dat anders. Daar hebben we voor de hoofdrol een acteur van niet-Nederlandse komaf gevraagd. Gewoon omdat die de beste persoon voor die rol is”, zegt Van Gestel.
Nieuwe verhalen
Regisseur Tim Oliehoek bevestigt die verandering in de Nederlandse filmwereld. Hij merkt dat castingbureaus steeds vaker doen aan colorblindcasting. „Zonder dat ik erom vraag krijg ik vaak acteurs van allerlei achtergronden op auditie terwijl die rol voor een wit persoon is geschreven.”
Nasrdin Dchar kreeg op die manier de rol van een joodse man in oorlogsfilm Süskind. Hij en ook andere acteurs worden zo steeds vaker gevraagd voor personages met een andere afkomst. Maar als het gaat om periodefilms doet Gosschalk liever niet aan colorblindcasting. „Dat is gewoon raar, in de Tweede Wereldoorlog waren hier nog geen Turken en Marokkanen en Surinamers.”
Gosschalk denkt, net als Dchar en Akkabi, dat vooral nieuwe verhalen moeten worden verteld. Die kunnen geschreven worden door de huidige scenarioschrijvers, maar het beste door mensen van niet-Nederlandse komaf. „Als ik scenario’s schrijf, komen daar vaker homo’s en joden in voor dan bij andere scenarioschrijvers. Dat is niet zo gek, ik ben een joodse homo. Dat staat dicht bij me. Dat zal dus ook gelden voor het werk van gekleurde schrijvers.”
Tv-recensie Zomergasten: de rationale wetenschapper
NRC Handelsblad | 24 juli 2017
Ik verving een week lang tv-recensent Hans Beerekamp en trapte af met een stuk over Zomergasten waar Rosanne Hertzberger te gast was.
‘Daar zitten we dan’, zei Janine Abbring, terwijl ze om zich heen keek. De studio was een grote poel water, en de zomergastenpresentator en haar eerste gast Rosanne Hertzberger zaten er middenin, op het dak van een witte caravan. Een intervieweiland, noemde Abbring het spectaculaire decor.
Van tevoren dachten de twee vrouwen sceptisch dat het om een spiegelvloer zou gaan. „Maar”, zei Abbring trots tegen wetenschapper Hertzberger, „je hebt kunnen vaststellen dat het H2O is.” Ze vertelde er niet bij hoe ze het eiland op- en afkwamen, voor een eventuele plaspauze tijdens het drie uur durende gesprek, maar op Twitter circuleerde een foto van de studio met een houten loopbrug – de Janine Abbringbrug.
Abbring kondigde het eerste fragment aan uit Dances with Wolves. Ze grinnikte. „Waarom lach je?” vroeg schrijfster en microbioloog Hertzberger. „Omdat het een draak van een film is”, zei Abbring eerlijk. Het waren dus niet de zenuwen waar de debuterende interviewer last van had, maar het was haar mening. En daar worstelde ze gedurende de uitzending wel vaker mee.
Hertzberger had daar geen last van, ze was duidelijk op haar gemak bij Abbring. De bioloog wilde graag weten wat haar gesprekspartner vond, bijvoorbeeld van vaccinatieweigeraars. In eerste instantie zei Abbring dat ze niet kon doen alsof ze het niet erg vond, ouders die hun kinderen niet inenten. Toen Hertzberger doorvroeg, krabbelde ze terug. „Nee, ik wil weten wat jij ervan vindt. Je hebt er ook een column over geschreven.”
De fragmenten die Hertzberger had gekozen waren niet per se mooie televisie, maar waren er om het grotere verhaal te ondersteunen. Zo werd haar verhaal over Fritz Haber, kunstmestuitvinder en vermeend oorlogsmisdadiger, geïllustreerd met een kort filmpje waarin een tractor kunstmest over een weiland sproeide. En haar kritiek op zogenoemde kruidenvrouwtjes, die dure diëten verkopen en de wetenschap ondermijnen, liet ze zien aan de hand van twee YouTube-filmpjes van Green Happiness-vrouwen en een jongen die het Paleodieet wilde verspreiden.
Hertzberger bleek een boeiende en bevlogen gast. De eerste twee uur besteedde ze voornamelijk aandacht aan wetenschappers. Geniale mensen, volgens Hertzberger, met soms geweldige uitvindingen die meer waardering verdienen. Dat betekent niet dat ze allemaal perfect waren. Hertzberger zei een zwak te hebben voor ,,gekkies” en ,,mensen die buiten de lijntjes kleuren”: „Je hebt in de wetenschap ook mensen nodig die ernaast zitten. Je moet ook luchtfietsen, een beetje fantaseren.”
Abbring probeerde de wetenschappelijk uitleg van Rosanne Hertzberger, die soms heel gedetailleerd was, luchtig en begrijpelijk te houden. Ze vatte samen en onderbrak haar snel pratende gast regelmatig, met als resultaat dat er vaak halve zinnen overbleven, waardoor het verhaal er niet duidelijker op werd. Op die momenten greep Abbring naar wat ze van tevoren haar reddingsboeien had genoemd: de fragmenten.
Hertzberger kwam niet weg met uitsluitend afstandelijke, rationele verhalen. Abbring vroeg de joodse microbioloog naar haar geloof, en wilde weten wat er mis was gegaan in Amerika, waar Hertzberger vanwege een ruzie met haar begeleiders haar onderzoek en werkplek voortijdig moest verlaten. En hoe het kon dat Hertzberger – net als haar opa, van wie er ook een fragment was over zijn tijd in vernietigingskamp Auschwitz – zo feitelijk antwoordde op persoonlijke vragen? Een bevredigend antwoord op die vragen kreeg de kijker niet. Hertzberger was zo nu en dan ontroerd, en vertelde over haar persoonlijk falen. Maar boven alles bleek ze een rationele wetenschapper.
Tv-recensie ‘Kijken in de Ziel’ met militairen: spannende verhalen en geestig legerjargon
NRC Handelsblad | 25 juli 2017
Ik schreef als vervanger van Hans Beerekamp een tv-recensie over de nieuwe interviewreeks ‘Kijken in de Ziel’ waarin Coen Verbraak met Nederlandse militairen sprak.
“Op verjaardagen merk ik dat mensen echt aan mijn lippen hangen wanneer ik vertel wat we doen”, zei helikopterpiloot Roël Boezen in de VPRO Gids naar aanleiding van de nieuwe reeks Kijken in de Ziel. Na onder meer psychiaters, voetbaltrainers en topondernemers was het nu de beurt aan militairen om interviewer Coen Verbraak te vertellen over hun vak.
Dat kapitein Boezen niet overdreef over hoe spannend zijn werk is, bleek uit de eerste aflevering van de interviewserie. Zijn verhaal over een missie in Afghanistan, waarbij zijn helikopter met zes commando’s moest landen op een scherpe bergtop vol Talibanstrijders, met twee achterwielen op twee verschillende rotsen en de voorkant nog in de lucht, klonk als een scène uit een Hollywoodfilm.
Voor de bijzondere actie kreeg hij een onderscheiding, een Vliegerkruis. En toch noemt Boezen de afloop bitterzoet. Bij terugkeer kregen de commando’s en hij veel kritiek. Sommigen vonden dat ze het risico niet hadden moeten nemen. De anekdote maakte de dilemma’s van de militairen pijnlijk inzichtelijk. En dat allemaal als antwoord op de ogenschijnlijke simpele vraag: wat doe je met een bevel?
Door Verbraaks heldere en empathische interviewstijl was de eerste kennismaking met de militairen zeer boeiend. Door ze bijvoorbeeld te vragen naar het belang van discipline („We hoeven niet allemaal hetzelfde te zijn, om hetzelfde te doen”), of ze bereid waren hun leven te geven (zonder uitzondering: „ja”) en te vragen naar hun jeugd leerden we zowel het beroep als de militairen zelf beter kennen.
En er mocht gelachen worden. Daar was in de vorige reeks, De Achterblijvers, met mensen die iemand verloren hebben, logischerwijs minder ruimte voor. Toen kapitein Boezen wees naar het Vliegerkruis op zijn uniform, een klein wit-oranje gestreept vierkantje, zei Verbraak: „Het is een beetje een zwemdiploma, als je zo kijkt.” En over de sterren op de schouder die worden gebruikt om iemands rang in het leger te duiden – vier sterren is de hoogste – zei de interviewer: „Eigenlijk hetzelfde systeem als bij koelkasten.” De militairen konden er gelukkig zelf ook om lachen.
We maakten ook kennis met het komische jargon en de vele afkortingen waar militairen dol op zijn. Waarom ze die gebruiken? „Voor een deel is dat gewoon humor, en voor een deel scheelt dat een hoop tekst als je iets moet opschrijven”, zei Tom Middendorp, Commandant der Strijdkrachten (CDS). LiBroZa (linkerbroekzak), het KiKaDeWaDO (het kind kan de was doen) en HelaPiDaKa (helaas pindakaas). Het bleek hun manier om de draak te steken met de formele afkortingen die ze gebruiken bij hun werk. Sommige woorden stammen nog uit de tijd van Nederlands-Indië zoals pendek (onderbroek) en blauwe hap (rijsttafel).
Tijdens de eerste aflevering kreeg Verbraak maar één keer het antwoord: „Daar kan ik niets over zeggen.” Dat valt alleszins mee, vooral omdat Defensie bekend staat als een gesloten organisatie. Vorige week bleek uit onderzoek van RTL Nieuws dat het Ministerie van Defensie vergeefs heeft geprobeerd om bronnen te achterhalen die informatie lekten. De aanleiding was berichtgeving van verschillende media over onder meer een nieuwe missie naar Afghanistan.
Of de militairen zo openhartig blijven, moet uit de volgende afleveringen blijken, die onder meer over Srebrenica gaan. Hopelijk komen dan de weinige vrouwen ook wat vaker aan het woord.
‘Witte Nederlanders moeten een dikkere huid kweken’
NRC Handelsblad | 18 april 2017
Anousha Nzume (47) ,theatermaker en actrice, schreef een boek over het zogeheten witte privilege en andere vormen van racisme. „Toen ik onlangs ergens dagvoorzitter was, dachten mensen dat ik het entertainment was.”
„Meisje, jij zal nooit Eline Vere spelen”, zei haar leraar Nederlands toen Anousha Nzume als puber vertelde dat ze actrice wilde worden. „Ik wist dat hij gelijk had”, zegt ze. „Het waren de jaren tachtig, Kerwin Duinmeijer was net vermoord door een neonazi vanwege zijn huidskleur en als ik om me heen keek, zag ik nauwelijks mensen van kleur. De politiek was wit, de theaters waren wit, op televisie was iedereen wit.” Ze besloot niet naar de toneelschool te gaan maar naar de Kleinkunstacademie. Dan zou ze theatermaker worden en dan had ze meer zelf in de hand.
Anousha Nzume (47) doorliep de Kleinkunstacademie, werd actrice en speelde in onder andere de tv-series Vrouwenvleugel en Oppassen. Maar ze werd pas echt een publiek figuur toen ze zich in de media begon uit te spreken tegen racisme. Eind vorig jaar bijvoorbeeld, toen ze het bij Pauw opnam tegen VVD-fractieleider Halbe Zijlstra, die vond dat RTL het Sinterklaasfeest vermoordde door Zwarte Piet te vervangen door Roetveegpieten. Zijlstra leek niet naar Nzume te willen luisteren. Toen tv-maker Sophie Hilbrand Nzumes vraag herhaalde, reageerde Zijlstra wel. Nzume: „Dat is zo typisch: als een wit persoon iets zegt, wordt die sneller gehoord.”
Over dit zogenoemde witte privilege en andere vormen van racisme schreef ze het boek Hallo witte mensen, dat donderdag verschijnt.
Had je hier anders gezeten als er een witte journalist tegenover je zat?
„Ja, dat maakt voor mij wel uit. Niemand is objectief. Witte journalisten ook niet, maar omdat wit de norm is, vinden ze vaak wel dat ze objectief zijn. Ik ben niet objectief en ik ga ervan uit dat jij dat ook niet bent, maar ik denk dat je gedwongen wordt opener te kijken wanneer je als gekleurd persoon opgroeit in een witte samenleving. Dingen die ik aan witte journalisten moet uitleggen, hoef ik waarschijnlijk aan jou niet uit te leggen. Wij zijn het misschien soms oneens, maar de kans dat jij soortgelijke dingen hebt meegemaakt, is groter. Bijvoorbeeld hoe het is om het enige gekleurde meisje in een klas te zijn.”
Heb je daardoor ook sneller een klik met mensen van kleur?
„Mijn beste vrienden zijn wit. Dat klinkt grappig, maar het is wel zo. Ik ben opgegroeid in een witte omgeving, een van mijn oudste vriendinnen is wit. Ze is wel joods, dus ze begrijpt veel van wat ik meemaak. Verder is mijn man wit, bij hem voel ik me natuurlijk ook superveilig.”
Anousha Nzume heeft een Russische moeder en een Kameroense vader. Haar ouders ontmoetten elkaar in Moskou, waar haar vader geneeskunde studeerde en haar moeder als bioloog verbonden was aan de universiteit. Toen ze vier jaar was, verhuisden ze voor hun werk naar Nederland. Ze kwamen terecht in Amsterdam-Zuid, in Buitenveldert, een witte buitenwijk. Daar opgroeien was heftig, zegt Nzume. Ze werd gepest, buitengesloten en ‘spoetnikker’ genoemd. Op de middelbare school, die eveneens wit was, had ze meer vrienden, maar sommige leerlingen lieten haar nog steeds subtiel merken dat ze anders was.
Heb je weleens gedacht: was ik maar niet zwart?
„Jazeker, in de puberteit. Op mij werd altijd gereageerd alsof ik het met iedereen wilde doen – dat gebeurt vaak met zwarte vrouwen. En dan zat ik ook nog op hockey; een cultuur waarin iedereen met elkaar zoent en nog wel meer. In die zin zijn witte kinderen net als alle kinderen. Ik snap alleen niet waarom zwarte kinderen vaak worden geassocieerd met ‘bangafeestjes’ en ‘Bijlmerboxen’. De mensen die daarover beginnen, zou ik weleens mee willen nemen naar de hockeyfeesten uit mijn jeugd. Ik vind het allemaal prima hoor, maar het is wel typisch dat dat nooit afstraalt op de hele groep en bij zwarte kinderen wel.”
Is er iets veranderd nu jouw kinderen (9, 11 en 13 jaar, red.) opgroeien?
„Dat is het erge: er is in dertig jaar nauwelijks iets veranderd. Neem de zwarte zoon van een vriendin. Als hij gaat stappen, weet hij niet of hij een leuke avond zal hebben, omdat hij niet weet of hij de club in mag. Een leuke jongen, zit op de havo, voetbalt, heeft leuke vrienden, doet zijn best – en hij weet niet of hij bij het stappen weer voortijdig thuis zal zijn. Dat is niet eerlijk. Het is onethisch en onmenselijk.”
Heb je daarom dit boek geschreven?
„Ja, het is ook de reden dat ik me over Zwarte Piet heb uitgesproken. Of eigenlijk is de reden mijn zoon. Hij is half creools, half Hindoestaans, geadopteerd uit Suriname. Hij kwam als kleuter een keer ontzettend verdrietig uit school. Dat kwam door Zwarte Piet. ‘Ik wil wit zijn’, zei hij. En hij kon precies uitleggen waarom. Hij wist dat Zwarte Piet minderwaardig was, omdat de hele klas hem met Zwarte Piet vergeleek.
„Toen ik een paar jaar eerder tijdens een ouderavond over Zwarte Piet was begonnen, begreep niemand het. Ze vonden hem gewoon een leuk fantasiefiguur. Nu is het daar trouwens compleet veranderd: blauwe, gele pieten, helemaal geweldig. Zo zie je maar: als je niet die knuppel in het hoenderhok gooit, dan gebeurt er te weinig.”
Vind je dat je te lang te aardig bent geweest over dit onderwerp?
„Ik merk dat er onder mensen van kleur nog angst is om zich uit te spreken. Zo ben ik ook opgegroeid: slikken, ademhalen, leuk blijven doen. Ik wil mensen niet vertellen wat ze moeten doen. Maar ik wil wel zeggen: als je wilt, kun je erover beginnen. Dit is ook jouw ruimte. Daarom draag ik dit boek op aan jonge mensen. Dit is jouw land, doe het, grijp je kans, ga ervoor.”
Met Mariam El Maslouhi maak je een podcast over dit thema. Zij stelde het niet op prijs dat Sunny Bergman een anti-Zwarte-Piet-documentaire maakte en had liever gezien dat een zwarte filmmaker dat had gedaan.
„Ik support Sunny, het is een heel goede film. Maar vraag je aan mij: had niet een zwarte vrouw het moeten maken? Dan zeg ik: ja natuurlijk. Dat is ook gebeurd, een jaar eerder maakte Bibi Fadlalla een film over Zwarte Piet, maar die had bij lange na niet hetzelfde effect. Het is pijnlijk dat onze stemmen zich nog zo in de marge bevinden. Dat realiseert Sunny zich ook. Dus dat we het daar met elkaar over hebben, en dat dat soms een pijnlijk gesprek is, is alleen maar goed.”
Hoe belangrijk is kleur voor jouw identiteit?
„Ik voel me gewoon Anousha, ik voel me niet een bepaalde kleur. Maar buiten de deur speelt het wel een grote rol. Bijvoorbeeld als iemand schrikt als ik zeg dat iets onzin is. Dan denk ik: o, ja, ze denken waarschijnlijk dat ik een angry black woman ben. Of laatst, toen ik ergens dagvoorzitter was, dachten mensen dat ik het entertainment was en niet de presentator. Het zegt iets over de machtsverhoudingen en hoe hardnekkig de culturele aannames zijn.”
Wanneer heb je je voor het eerst publiekelijk uitgesproken over racisme?
„In 2008, naar aanleiding van het boek Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje. Het was oppervlakkig, seksistisch en racistisch. Dat was nog geen reden om te reageren. Maar toen Hanneke Groenteman op televisie zei dat zij dacht dat de vrouwen in zijn boek exemplarisch waren voor de zwarte vrouw, dacht ik: ho, wacht even. Nu moet ik ingrijpen. Ik schreef een stuk voor de Volkskrant en daarna zat ik bij De Wereld Draait Door. Na de uitzending, tijdens een debat in Pakhuis de Zwijger, stak de uitgever van Vuijsje een vinger in mijn gezicht en zei: ‘Dit is een democratie hoor, hier geldt vrijheid van meningsuiting!’ Alsof die niet ook voor mij geldt.”
Hoe verklaar je dit soort reacties?
„Het heeft te maken met wat antropoloog Gloria Wekker white innocence noemt: het idee dat witte mensen onschuldig zijn. Nederlanders worden opgevoed met het idee dat we een klein land zijn. We zijn sterk, maar geen daders. Als je nooit hoort over wat Nederland allemaal tijdens de slavernij heeft gedaan, wat Nederland in Indonesië heeft gedaan, dan valt dit verhaal rauw op je dak.
„White fragility, witte gevoeligheid, speelt ook een rol. Nederlanders van kleur dealen dagelijks met racisme, die kunnen daardoor wel tegen een stootje, maar witte Nederlanders zijn minder gewend. Witte Nederlanders moeten een dikkere huid kweken. Er zit niks anders op, want we moeten het er wel over hebben.”
In je boek beschrijf je dat je door dit soort discussies vrienden bent kwijtgeraakt.
„Ja, zelfs een van mijn beste vrienden, een producent. Toen ik hem heel voorzichtig vertelde dat ik een rol uit een van z’n series stereotiep vond, ging hij verschrikkelijk tekeer. Ik ben er kapot van geweest, het is nooit meer helemaal goed gekomen tussen ons.”
Wat zeg je tegen mensen die dit een slachtofferverhaal vinden?
„Weet je, als je dit boek helemaal leest en dat is wat je eruit haalt, dan heb je het niet begrepen. Dat zou ik echt jammer vinden. En aan de andere kant denk ik: er zíjn heel veel slachtoffers van racisme. Kunnen we het daarover hebben, alsjeblieft?”
Op het filmfestival Movies That Matter interview ik aanstaande vrijdag Sylvana Simons over haar filmkeuze Crash, Artikel 1 en blikken we terug op de verkiezingen. Kom ook!
Vrij Nederland | 23 november 2016 | foto: Maarten Kools
Voor Vrij Nederland maakte ik een reportage over de impact van het schooladvies. Het artikel leidde tot een item in Pauw en Kamervragen aan de staatssecretaris.
Uiteindelijke werden jeugdvrienden Nordin Ghoudani en Thomas Rijsman allebei sportjournalist. Dat ze allebei hun droombaan via heel andere routes bereikten, wijten ze aan hun schooladvies. Rijsman: ‘Het is het zoveelste bewijs dat sommige kinderen achtergesteld worden.’
Door Yasmina Aboutaleb
Even kijken of je het nog wel kan, zegt Thomas Rijsman (39). Hij wipt de bal de omhoog naar zijn vriend Nordin Ghouddani (39). Die trekt zijn designerbroek omhoog, neemt de bal aan op zijn borst en past hem terug. Daarna een snelle veeg over zijn Hugo Boss-poloshirt – zou toch zonde zijn als die vies werd. ‘Weet je nog dat we altijd twee teams maakten, de Nederlanders tegen de buitenlanders?’ zegt Rijsman. ‘En ik mocht meedoen met de buitenlanders, omdat ik eigenlijk een Belg ben?’ Ghoudani lacht, hij weet het nog. Hier op het veldje kwam iedereen uit de buurt samen. Jongens met namen als Aissa en Moussa, Farid, maar ook Maurits, Diederik en Pieter. Dit veldje in de wijk Zorgvlied was misschien wel het mooiste voetbalpleintje van Tilburg. Basisschooljongens waren ze, toen ze hier dagelijks te vinden waren. Nu zijn ze terug als bijna middelbare mannen. Ze halen herinneringen op en praten over hoe het mogelijk is dat zij, twee vrienden, voetbalfanaten, een vergelijkbare Citoscore hadden en toch een compleet verschillend schooladvies kregen. Allebei droomden ze van een carrière als sportjournalist, Rijsman werd naar het VWO gestuurd, Ghoudani kreeg het advies om ‘iets met zijn handen’ te gaan doen op de LTS.
Wat was de gedachte achter die verschillende schooladviezen? Had het iets te maken met het feit dat Ghoudani van Marokkaans-Nederlandse afkomst is en Rijsman een blonde Belg? Of dat de een uit het arme deel van de wijk kwam, en de ander uit het gedeelte met de villa’s?
Het had niet veel gescheeld of Nordin Ghoudani was automonteur geworden zoals zijn basisschoolleraar voorstelde. Talloze scholen en opleidingen versleet hij voordat hij besefte dat al die carrières die anderen voor hem bedachten niet bij hem pasten. Sinds september is hij redacteur bij Studio Voetbal. Hij nam – geheel toevallig – de baan van zijn basisschoolvriend Rijsman over, die als eindredacteur naar Ziggo Sport verhuisde. Thomas Rijsman, zoon van een hoogleraar psychologie en een bewegingswetenschapper, studeerde psychologie en werkt al jaren in de sportjournalistiek. Nordin Ghoudani heeft nu eindelijk de baan die hij altijd al wilde hebben. Maar dat ging allemaal niet vanzelf. Hij heeft zich – om met premier Rutte te spreken – moeten invechten. En dat begon, volgens de vrienden, bij het verschillende schooladvies dat ze kregen. ‘Dat was het moment dat ik rechtsaf sloeg en Nordin links,’ zegt Rijsman.
Arm en rijk
De pauze is net begonnen als Ghoudani en Rijsman aan komen lopen bij hun oude basisschool, de Christoffel in Tilburg. Het is een gemengde school, een mix van culturen en sociale klassen. Dat is goed te zien op het schoolplein. ‘Kijk daar lopen de kleine Thomas en Nordin,’ zegt Rijsman over twee spelende vriendjes.
De mannen herinneren zich de Christoffel als een fijne school. Een overwegend witte school, in hun klas zaten maar drie kinderen van Marokkaanse-Nederlandse afkomst, maar wel een school met verschillende sociale klassen. Logisch, want de school ligt precies op de scheiding van arm en rijk. Aan de ene kant staan de villa’s met rieten daken en Volvo’s voor de deur, aan de andere kant smalle straten met arbeiderswoningen.
‘Mannen, wat goed om jullie te zien,’ zegt leraar John Smulders, terwijl hij de twee omhelst. Smulders was hun leerkracht in groep zeven en bewaart goede herinneren aan de jongens, en zij aan hem. ‘Thomas was vrij rustig, deed het goed op school. Nordin was iets drukker en presteerde gemiddeld,’ zegt Smulders. De school had in de jaren tachtig te maken met een grote verandering van de leerlingenpopulatie. Door gezinshereniging kwamen er Marokkaanse en Turkse kinderen op school en dat vereiste aanpassingen van het docentencorps, vertelt Smulders. Er werd veel energie gestoken in het betrekken van de ouders bij de school. Hij herinnert zich vader Ghoudani nog wel. ‘Een aardige man. Al was zijn Nederlands niet zo goed, hij kwam altijd naar de ouderavonden.’ Leraren stonden in hoog aanzien bij de migrantenouders, zegt Smulders ‘De school en de leraar waren bijna heilig voor ze.’
Gepensioneerd leraar Jan van Raak gaf Ghoudani en Rijsman les in groep acht en gaf de jongens hun schooladvies in 1989. Hij herinnert zich meer moeilijkheden. ‘Er waren een paar van die Marokkaantjes…’ Van Raak slaakt een diepe zucht. ‘…Daar hebben ze het nu nog steeds over op school. En niet in de goede zin.’ Het grootste obstakel was de taal. ‘Thuis werd er vaak alleen Marokkaans gesproken. En als de kinderen dan op school Nederlands moeten praten, is dat soms gebrekkig. Daarom vind ik dat alle ouders Nederlands moeten leren.’ Met die ouders kon Van Raak goed opschieten, maar dat gold niet voor alle leraren. Sommigen moesten de ouders op het gedrag van hun kinderen aanspreken. ‘De Marokkaanse jongens speelden de hele dag op straat en waren minder gemotiveerd dan de meisjes. Die zaten waarschijnlijk wel de hele dag binnen, huiswerk te maken.’ Vooral dat het gebrek van concentratie zat die jongens in de weg, zegt Van Raak. ‘Die leerden vaak thuis ook niet voor proefwerken. De meiden deden dat meestal wel, daarom kregen zij ook vaak een hoger advies. Voor jongens was LBO vaak het hoogst haalbare.’
Aardig menneke
Jan van Raak gaf veertig jaar les op de Christoffel en hij heeft al zijn opschrijfboekjes bewaard, dus ook dat van 1988-1989, waarin de cijfers van Thomas Rijsman en Nordin Ghoudani staan. De namen en getallen zijn met een sierlijk handschrift opgeschreven.
‘Nordin was een aardig menneke’, zegt Van Raak. Hij leest voor uit zijn docentenboekje: ‘Kletst veel, vlug afgeleid, aardig, af en toe en brutaaltje en slordig.’
De cijfers geven een wisselend beeld, soms haalde Ghoudani goede cijfers, dan weer onvoldoendes. De schoolrapporten van groep zeven zijn beter. Hij wijt dat zelf aan de leraar. ‘Bij Smulders voelde ik me meer op mijn gemak dan bij Van Raak. Die leek de pik op mij te hebben – op alle Marokkaanse leerlingen trouwens.’ Volgens Jan van Raak spreken de cijfers voor zich. Taal, spelling en begrijpend lezend waren allemaal niet goed. ‘Daarom vind ik het opmerkelijk dat Nordin journalist is geworden, want als die jongetjes een verhaaltje moesten schrijven, dan was het vaak na drie zinnetjes voorbij.’
Ter vergelijking haalt hij een handgeschreven opstel van Thomas Rijsman tevoorschijn. Hij wordt in het docentenboekje omschreven als: een goede leerling, druk, populaire bink. Maar ondanks die voorbeeldigheid, was dit opstel met de titel ‘Thomas, het populairste jongetje van de klas’ strafwerk, omdat hij een invaldocent had gepest. Hij had haar stoel met een touwtje onder haar vandaan getrokken. In de brief reconstrueert Rijsman niet alleen het verhaal, maar schrijft hij ook hoe hij er goed vanaf komt terwijl een andere jongen, de Marokkaans-Nederlandse Aissa, wel onmiddellijk straf kreeg toen hij iets vervelend had gedaan. Discriminatie, noemt Rijsman het in de brief. Volgens Van Raak werd daar in die tijd snel mee geschermd door leerlingen. De Marokkaans-Nederlandse kinderen, hij had er toen drie, voelden zich snel aangevallen. Hij begrijpt niet waarom, hij behandelde alle kinderen gelijk. Al kan hij iets over het hoofd hebben gezien in de overvolle klassen met achtendertig leerlingen.
Citoscores
De Citoscores van de leerlingen staan niet in het boekje van Van Raak. De Cito was volgens hem nog niet verplicht en de leerlingen konden facultatief een andere toets afleggen, het Algemeen Proefwerk. Bij Rijsman staat onder het kopje ‘toets’: VWO. Bij Ghoudani staat er niets. ‘Nordin heeft die test waarschijnlijk niet gemaakt. Ik kan het niet anders uitleggen, want ik noteerde alles.’ Rijsman en Ghoudani herinneren zich dat heel anders. ‘Onze klas heeft de Citotoets gemaakt, dat weet ik honderd procent zeker,’ zegt Rijsman. Met name de zenuwen op de dag van de uitslag staan hem nog bij. ‘Ik was heel competitief, dus ik weet dat nog heel goed. Er waren vijf kinderen die 550 hadden, de maximale score, en daar zat ik verdomme niet bij. Ik had 547. Dat ik niet de hoogste score had, vond ik niet eens zo erg, maar er zaten er drie bij van wie ik dacht: hoe kan jij nou zo hoog scoren? Ik vertrouwde het niet.’ Ghoudani herinnert zich de uitslagen minder goed. ‘Ik had 542 geloof ik, maar zeker weet ik het niet.’ Hij herinnert zich nog wel dat ze allemaal een briefje met de uitslag meegekregen. Leraar Van Raak vindt het onwaarschijnlijk dat Ghoudani een Havo-score of hoger zou hebben gehaald. ‘Iemand die bij mij de sommetjes en het dictee hartstikke fout maakt, maakt die in de toets niet ineens goed. Ik denk dat hij het zich mooier herinnert dan het was. Ik dacht over Nordin: die is niet voor de boeken gemaakt. Voor wat dan wel, wist ik niet.’ Collega John Smulders weet niet meer welke toets er gebruikt werd op de basisschool. Navraag bij het secretariaat van de Christoffelschool levert ook niets op – het schoolarchief gaat maar vijf jaar terug.
Bang voor vuur
Het moment dat hij zijn schooladvies kreeg, herinnert Ghoudani zich nog goed. Hij zat met zijn vader aan het bureau van schoolmeester Jan van Raak. Die begon over een mooie school in de buurt, Lagere Technische School De Westhoeve. Het leek hem het beste als de jonge Ghoudani ‘iets met zijn handen’ zou gaan doen. Dan kon hij automonteur worden, bijvoorbeeld. Zijn vader knikte enthousiast, automonteur was een mooi beroep. Misschien konden ze wel samen een garage beginnen, zei hij later tegen zijn zoon. Maar ook als Van Raak een ander beroep had genoemd, zou zijn vader daarin mee zijn gegaan, zegt zijn zoon. De achterliggende gedachte: wij zijn maar eenvoudige mensen, de meester zal het wel weten.
‘In de Marokkaanse cultuur is respect voor de leraar belangrijk. Die heeft gestudeerd, heeft ervaring, daar ga je niet tegenin,’ zegt Ghoudani. Bovendien deed zijn vader ongeschoolde arbeid en was zijn moeder huisvrouw. Ze wisten niets over het Nederlandse schoolsysteem. En Nordin hij was het oudste kind van zes. ‘Ik was bovendien een volgzaam kind en ik wist niet wat ik wilde, ik had geen idee wat de opties waren.’ Dat hij later net zo iemand als de grote Mart Smeets wilde worden, die hij altijd op televisie zag, had hij nooit tegen iemand gezegd. Het leek hem onbereikbaar. Wist hij veel dat het beroep van Smeets journalist was en dat daar een opleiding voor bestond.
En dus ging hij na de zomer na de LTS. ‘Het was verschrikkelijk,’ zegt Ghoudani. ‘Ik heb twee linkerhanden en ben doodsbang voor vuur. En toen bleek daar dat ik moest solderen. Terwijl de jongens om me heen lekker aan het werk waren, hield ik met trillende handen de soldeerbout vast.’ Hetzelfde gold voor houtbewerken. ‘De andere jongens waren mooie rondingen aan het vijlen en ik stond daar maar. Wat een hel. Ik haatte mijn leven toen echt.’ Zijn mentor adviseerde hem aan het eind van jaar om iets heel anders te gaan doen. Ghoudani stapte over naar de LEAO, het begin van zijn carrière als stapelaar – de term voor leerlingen die telkens opklimmen naar een hoger onderwijsniveau. Na de LEAO deed hij een jaar MEAO en haalde in het volwassenonderwijs in drie jaar zijn mavo-, havo- en vwo-diploma. Tenslotte ging hij naar de School voor Journalistiek waar hij in 2002 afstudeerde.
Gevangenis
Zover was Nordin Ghoudani nooit gekomen als er niet een beslissend moment aan vooraf was gegaan: de dag dat hij opgepakt werd door de politie. Hij zou in totaal zestig dagen vastzitten. Dát, en een bezoek van zijn ouders aan hem in de gevangenis zorgden voor een omslag: ‘Ik nam me voor mijn ouders trots te gaan maken.’ Dat hij vast kwam te zitten, verraste zijn omgeving. Hij was een aardige jongen, braaf, had geen crimineel verleden (‘Al heb ik wel een keer snoep gepikt’) en was geen hangjongere. Hij kreeg als tiener wel verkeerde vrienden. Oudere jongens die veel geld hadden, dronken, blowden en bij wie meisjes over de vloer kwamen. Dat vond de zeventienjarige Ghoudani wel interessant.
Hij wilde wel een keer mee toen die jongens op dievenpad gingen – alleen om te kijken. ‘Ik was toen al bezig met schrijven, dus het leek me wel interessant materiaal.’ Zo was hij op een nacht getuige van een roofoverval door zijn vrienden. Een dag voor zijn achttiende verjaardag werd hij opgepakt wegens medeplichtigheid. Op zijn verjaardag kwamen zijn ouders hem opzoeken op het politiebureau, zijn moeder had kip meegenomen. ‘Ze waren heel verdrietig, ze hadden dit nooit verwacht, maar ze bleven me steunen. Ze geloofden dat ik niets had gedaan. Dat mijn ouders toen voor me klaar stonden, heeft veel voor me betekend.’ Hij werd uiteindelijk vrijgesproken en hield er geen strafblad aan over. ‘Ik heb een streep gezet door die vrienden en ben gaan doorstuderen.’
Keigoed
‘Ik kon mijn oren niet geloven,’ zegt Rijsman over Ghoudani’s begin op de LTS. . ‘Het is het zoveelste bewijs dat sommige kinderen achtergesteld worden.’Hij hoorde pas recent welk schooladvies zijn vriend en opvolger bij Studio Voetbal had gekregen De mannen dronken een kopje koffie op het terras voor de studio van Pauw. Ze kenden elkaar van de kleuterklas en waren elkaar na de basisschool uit het oog verloren, dus er viel een hoop bij te praten. Nordin Ghoudani is niet boos op zijn basisschoolleraar, de lange route die hij afgelegd heeft hem gemaakt tot wie hij is, maar hij vraagt zich weleens af hoe zijn leven na een ander advies zou zijn verlopen. ‘Ik ben niet de enige die onderschat is,’ zegt hij. ‘Ik ken meer Marokkaanse-Nederlandse kinderen van mijn basisschool met een laag advies die heel goed terecht zijn gekomen. En ook mijn broers en zussen kregen een laag schooladvies, lts of vmbo en hebben uiteindelijk toch een HBO-opleiding gedaan. Die feiten spreken voor zich, dat kan geen toeval zijn.’
Zijn favoriete leraren van de LEAO zien het lage schooladvies niet als een probleem. ‘Kinderen zijn op de basisschool nog te jong om te weten wat ze willen en dan is het helemaal niet verkeerd om onderaan te beginnen,’ zegt Ghoudani’s oud-lerares Maatschappijleer, Monique Peters, zelf ook een stapelaar. ‘Nordin heeft het op eigen kracht geflikt en dat zegt iets over zijn karakter. Wie weet was dat niet naar boven gekomen als hij aan de rijke kant van Zorgvlied was geboren.’ Volgens Claus van Teeffelen, voormalig gymleraar van Ghoudani en tegenwoordig afdelingsleider op een middelbare school, zijn bijna al zijn leerlingen van de LEAO goed terecht gekomen. Succesvol doorstuderen was eerder regel dan uitzondering. ‘We hadden een multiculturele school, ik was bij wijze van spreken de enige witneus, en die leerlingen waren vaak ontzettend gemotiveerd.’ Ze hadden vaak last van wat hij noemt ‘het witte boorden-denken’ – het idee dat alleen beroepen achter een bureau goed genoeg waren en dan het liefst arts, advocaat of bankier.
‘Dat was niet altijd haalbaar, maar wie was ik om ze in de weg te zitten. Ik moedigde ze aan om te proberen het zo ver mogelijk te schoppen.’ Wie wil komt er wel, was destijds het idee. Peters: ‘Tegenwoordig is het schooladvies helaas veel bepalender voor je carrière, omdat het stapelen onmogelijk is gemaakt: wie wil doorstuderen, bouwt een gigantische studieschuld op.’
Nu is het schooladvies van de leraar doorslaggevend, maar er is een tijd geweest dat de Citotoets bepalend was. ‘Dat vond ik geen goede zaak, zegt Peters, want die toets is een momentopname. Een leraar die met het kind heeft gewerkt, heeft er meer kijk op. De motivatie van een kind is ook belangrijk. Je moet laten zien: ik wil dat.’
De vader van Nordin Ghoudani leeft niet meer, maar hij heeft nog meegemaakt dat zijn zoon afstudeerde aan de School voor Journalistiek. ‘Hij was ook een enorme voetbalfan. Hij zou het leuk hebben gevonden om te zien dat ik uiteindelijk bij Studio Voetbal terecht ben gekomen,’ zegt Ghoudani. Nadat hij was afgestudeerd lukte het hem in eerste instantie niet om een baan te krijgen als sportjournalist. ‘Ik stuurde veel open sollicitaties, maar je moet de juiste mensen kennen.’ Hij was een tijdje hoofdredacteur van MZINE, een tijdschrift over Marokkaanse Nederlanders en werkte daarna voor televisieprogramma’s, het afgelopen jaar voor Pauw en sinds september dus ook voor Studio Voetbal.
‘Keigoed,’ zegt gepensioneerd basisschoolleraar Jan van Raak over de carrière van zijn vroegere leerling. ‘Dan heb je doorzettingsvermogen. Ik sta versteld.’ Toch heeft hij niet het gevoel dat hij er destijds naast zat. ‘Ik denk niet dat hij het gered had met een hoger advies. Hij heeft het nodig gehad om er telkens een stapje erbij te doen.’ En dat geldt niet alleen voor Ghoudani, volgens Jan van Raak. ‘Het blijkt dat die Marokkaanse kinderen op de basisschool nog niet weten hoe ze dat aan moeten pakken. Pas later denken ze: zo wil ik niet verder leven, zo op straat rond bungelen.’ Maar is de schoolcarrière van Ghoudani niet toch het bewijs dat hij op de basisschool werd onderschat? Van Raak: ‘Misschien, maar ik vind dat kinderen op school zelf moeten laten zien wat ze in zich hebben. De meisjes deden dat wel, die kregen dus ook een hoger advies dan de jongens. Hun achtergrond vond ik niet zo belangrijk, voor mij was het kind het kind – ik hoopte dat ze na groep acht allemaal op de plek terecht zouden komen waar ze voor bestemd waren.’
Ongelijke kansen
Behalve de capaciteiten van het kind wordt de schoolcarrière van kinderen bepaald door het opleidingsniveau en het inkomen van de ouders. Recent rapporten van de Onderwijsinspectie, de OESO en het CBS kwamen onafhankelijk van elkaar tot dezelfde conclusie: kinderen van hoogopgeleide ouders krijgen vaker een hoger schooladvies dan kinderen met lager opgeleide ouders, ook al hebben ze dezelfde Citoscore. De Onderwijsinspectie constateerde dat de verschillen tussen leerlingen met lager en hoger opgeleide ouders alleen maar toenemen. Volgens de Inspectie is er een aantal oorzaken aan te wijzen. Leraren laten het niveau van de opleiding van de ouders meespelen met het idee: als het kind hoogopgeleide ouders heeft, krijgt het meer steun. De toename van zogenaamd schaduwonderwijs (bijles, huiswerkbegeleiding, Citotraining) draagt ook bij aan grotere verschillen. Die worden ook groter vanwege homogenisering van brugklassen en, later, door selectie in het hoger onderwijs. Minister Jet Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker stellen dat er geen gemakkelijke oplossingen zijn voor dit probleem. Ze vinden dat de aanbeveling van de OESO om de centrale eindtoets weer bepalend te laten zijn in plaats van het advies van de docent op gespannen voet staat met het belang dat ze hechten aan het oordeel van de leerkracht. De voorzitter van de VO-raad waarin schoolbesturen en scholen in het voortgezet onderwijs verenigd zijn, Paul Rosenmöller, reageerde in het Algemeen Dagblad fel op de conclusie van Onderwijsinspectie. ‘Onacceptabel,’ noemde hij de kansenongelijkheid, en ‘in strijd met de fundamentele uitgangspunten van het Nederlands onderwijs als publiek goed’.
Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten. www.fondsbjp.nl
Op dit artikel rust auteursrecht van Vrij Nederland, respectievelijk van de oorspronkelijke auteur.
‘De slavernij mag dan wel voorbij zijn, we zijn er nog niet klaar mee’
NRC Handelsblad | 10 februari 2017 |
Yaa Gyasi is blij. Ze had niet durven dromen dat haar debuut ‘Weg naar huis’ zo goed ontvangen zou worden.
Ze had zelfs nooit gedacht dat een zwart meisje romanschrijfster zou kunnen worden. „Pas toen ik Song of Solomon van Toni Morrison las, besefte ik dat ik ook een boek zou kunnen schrijven,” zegt Gyasi (1989) in het Amsterdamse Ambassade Hotel.
Dat boek is er nu dus gekomen, en hoe: er werd een flink voorschot betaald en de Amerikaanse auteur Ta-Nehisi Coates noemde haar debuut ‘inspirerend’. Volgens de Jamaicaans-Engelse schrijfster Zadie Smith is het boek voorbestemd een klassieker te worden. The New York Times riep het uit tot een van de tien beste romans van 2016.
De Ghanees-Amerikaanse Gyasi vertelt in haar ambitieuze roman een episch verhaal dat tweehonderdvijftig jaar beslaat, over zeven generaties en op twee continenten. Veertien personages vertellen het verhaal van de slavernij, afwisselend in Afrika en de Verenigde Staten. Het begint bij de halfzusjes Esi en Effia in Ghana, waarvan er een wordt verkocht als slaaf en de ander wordt uitgehuwelijkt aan een rijke, Britse slavenhandelaar. Effia leeft in luxe en comfort, Esi wordt samen met duizenden anderen verscheept naar Amerika, waar haar kinderen en kleinkinderen, direct en indirect, door de verhalen van hun familie, opgroeien in slavernij.
Het boek volgt beide families tot het heden. ‘Weg naar huis’ is daarmee niet alleen een roman over slavernij en liefde, maar ook over het Amerika van nu.
Was het boek een persoonlijke zoektocht voor u?
„In zeker zin wel, ja. Ik begon aan het boek toen ik nog erg jong was, en het voelt alsof ik ermee ben opgegroeid. Het boek is persoonlijk en intiem. Ik was pas negentien jaar toen ik een beurs kreeg om onderzoek te doen in Ghana. Daar kwam ik op het idee voor mijn roman. Het was het begin van mijn volwassenwording en het nadenken over de belangrijke vragen van het leven.”
Welke vragen waren dat?
„Wat betekent het om zwart te zijn in Amerika? Meer had ik niet. De rest kwam toen ik Ghana was en bij toeval het Cape Coast Castle bezocht – een toeristische trekpleister waar ik nooit naartoe zou zijn gegaan als een vriend me niet in Ghana had opgezocht. In het kasteel hoorde ik voor het eerst over Britse soldaten die daar vroeger woonden en leefden en de lokale vrouwen trouwden. De gids nam ons ook mee naar de kerkers onder het gebouw. Daar werden de slaven opgesloten voor ze werden verscheept. Ik wist meteen dat ik daar iets mee wilde doen.”
Hoe was het om in de kerkers te staan?
„Ik stond in de mannenkerker. Die was heel klein en pikdonker – met uitzondering van een klein gaatje in het plafond waar een straaltje licht doorheen kwam. De muren waren vies, modderig. En het stonk nog steeds, na al die tijd. Ik voelde woede en verdriet. Onvoorstelbaar hoe je iemand anders zoiets kunt aandoen.”
Hoe kwam u op het idee om zeven generaties in het boek op te nemen?
„Dat heeft drie jaar geduurd. Mijn oorspronkelijke idee was een ‘gewone’ roman, waarin ik zou schrijven over het heden met flashbacks naar het verleden. Maar toen ik bezig was, merkte ik dat ik wilde laten zien hoe langzaam de dingen veranderden. Die subtiliteit kon ik het beste laten zien door het verhaal chronologisch te vertellen aan de hand van zo veel mogelijk generaties.”
U laat in het boek zien hoe Afrikanen zelf meewerkten aan de slavernij. Waarom vond u dat belangrijk?
„Voordat ik naar Ghana was geweest, had ik er wel eens vaag over gehoord, maar er was een bezoek aan het Cape Coast Castle voor nodig om het hele verhaal te horen. Mensen daar praten er liever niet over. Ik vermoed dat het te maken heeft met schaamte. En de angst dat mensen je verantwoordelijk willen houden voor de totale slavenhandel, terwijl het maar een klein deel van het verhaal is.”
U beschrijft gruwelijke taferelen in het boek. Was dat niet moeilijk?
„Bij het schrijven had ik daar geen last van, omdat ik een zekere mate van afstand voelde. Het was allemaal verzonnen. De research vond ik wel zwaar. De wetenschap dat deze dingen echt gebeurd waren, met echte mensen, vond ik verschrikkelijk.”
Zoals?
„Ik ontdekte dat na de afschaffing van de slavernij mensen voor de meest onbenullige dingen konden worden opgepakt en verkocht aan bedrijven in bijvoorbeeld de kolenmijnen-industrie. De details lezen over het zware leven van de mannen en kinderen, soms maar dertien jaar oud, maakte me verdrietig.”
Verandert het lijden van zwarte mensen met elke generatie?
„Zwarte Amerikanen worden nog steeds gedood. Niet op dezelfde schaal als vroeger, maar toch. Het idee dat het nog niet steeds helemaal voorbij is, is deel van het lijden.”
Ta-Nehisi Coates schreef twee jaar geleden een pleidooi voor herstelbetalingen aan nazaten van slaven. Uw boek zou kunnen worden gebruikt als een ondersteuning daarvan. Wat zou u daarvan vinden?
„Coates laat in zijn prachtige essay zien hoe de slavernij nog steeds van invloed is op het beleid van de Amerikaanse overheid. Hij richt zich in zijn artikel op huisvesting, maar je zou een gelijksoortig stuk kunnen schrijven over het gevangeniswezen of het onderwijs. Al die terreinen laten zien dat we de achterstand niet hersteld hebben toen de slavernij voorbij was. Dus is de vraag: wat kunnen we er nu aan doen? Ik denk dat herstelbetalingen een goede manier kunnen zijn. Als mijn boek daaraan bijdraagt, ben ik daar blij mee.
„Het speelveld zal nooit gelijk zijn, daarvoor is er te veel gebeurd. Misschien als meteen na de afschaffing van de slavernij iedereen veertig acres en een ezel had gekregen zoals beloofd was, misschien dat het dan nu heel anders was geweest. Maar dat is niet zo. Het enige wat we kunnen doen, is proberen meer balans in het systeem aan te brengen. De slavernij mag dan wel voorbij zijn, maar we zijn er nog niet klaar mee.”
In uw boek vertelt een geschiedenisleraar hoe belangrijk het is om de mensen die niet gehoord worden een stem te geven. Is dat wat u wilde doen met dit boek?
„Ja, absoluut. Vooral tijdens de eerste hoofdstukken merkte ik hoe weinig bronnen er waren van slaven die uit de eerste hand vertellen hoe ze door de slavenhandel geraakt waren. Ik vond het belangrijk om het aanbod in die verhalen te vergroten, ook al is het fictie.”
U verhuisde van Ghana naar Amerika toen u twee jaar oud was. Daar groeide u op in Huntsville, Alabama. Hoe belangrijk voor uw identiteit is het feit dat u een immigrant bent?
„Ontzettend belangrijk. Toen ik een kind was, was dat waar ik me mee identificeerde. Het feit dat ik een buitenlander was in een land dat eigenlijk het enige land was dat ik ooit had gekend. Ik voelde me heel erg verbonden met mijn immigrant-zijn, en dat is eigenlijk nog steeds zo.”
Waar komt dat gevoel vandaan?
„Kinderen zeiden wel eens tegen me dat ik klonk als een wit meisje. Nu vind ik het iets goeds, het is deel van mijn culturele geschiedenis. Maar als kind maakte het me verdrietig, omdat ik het gevoel had dat ik iets verkeerd deed, maar ik wist niet hoe het dan wél moest. Ik zou nooit klinken als mijn ouders, want die hebben een sterk Ghanees accent. En we woonden in buurten die erg wit waren.
„Ondertussen gingen mijn ouders alleen maar om met Ghanees-Amerikanen. Ik leefde eigenlijk in twee werelden, die van thuis en buiten. Daardoor had ik het gevoel dat ik nergens paste. Ik was niet Ghanees genoeg en niet Amerikaans genoeg. Gelukkig had ik broertjes in wie ik mezelf herkende.”
Hoe was het om terug te zijn in Ghana?
„Ik was er wel eens met mijn ouders en broertjes geweest, dus het was niet de eerste keer. We logeerden toen ook bij tantes en ooms, ik ontmoette familieleden, nichtjes en neefjes die ik nog nooit had gezien. Het was fijn om eindelijk te weten hoe de rest van mijn familie eruit zag. Ze leken op mij, daardoor voelde ik me thuis.
„Dat begon eigenlijk al op het vliegveld toen de douanier mijn paspoort pakte en mijn naam op de goede manier uitsprak. Dat was een heerlijk gevoel, want het gebeurt normaal nooit dat iemand mijn naam in een keer goed zegt. Maar toen ik mijn bagage afhaalde en een taxi probeerde te nemen, was het duidelijk dat de Ghanezen me als een buitenlander zien.”
U heeft uw boek ‘Weg naar huis’ genoemd. Waar is thuis voor u?
„Ik ben net naar New York verhuisd en dat is heel nieuw voor mij. Ik heb nog nooit eerder aan de Oostkust gewoond, maar ik vind de buurt leuk en ik woon daar met mijn vriend, dus momenteel is dat mijn thuis. Maar ik denk dat ik me overal wel thuis kan voelen. Met de juiste mensen en spullen kun je dat gevoel creëren. Thuis is voor mij niet verbonden aan een specifieke plek. Mijn ouders zouden op deze vraag heel anders antwoorden, zij zouden Ghana zeggen. In mijn geval is het Amerika, maar ook dan is er niet een specifieke staat of stad die ik thuis zou noemen.”
Thuis is voor u overal en nergens.
„Dat klopt, maar ik zie dat niet als iets slechts. Het kan juist wel goed zijn om flexibel te zijn, dan kun je overal wonen. Maar het kan ook eenzaam zijn, dat je niet behoort tot een specifieke groep of regio.”
LINDA.meiden wijdde een enthousiaste recensie aan ‘Dit maak je nooit meer mee’.
Yasmina ontgaat niets. Als columniste van onder meer Het Parool zet ze haar observaties - een verliefd stelletje of Benny de gemeentemedewerker die enthousiast de kauwgom van de straat krabt - om in lekker leesbare stadsscènes. Alsof je er zelf bij bent.
NRC-recensent Bas Blokker over ‘Dit maak je nooit meer mee’: ‘Haarfijne miniatuurtjes uit alledaags Amsterdam.’
Dit is het begeleidende artikel:
Het afgelopen jaar verschenen weer heel wat boeken over Amsterdam. Of spelend in Amsterdam. Columns, geschiedenis, fotografie, biografieën, fictie. Journalist Bas Blokker struinde door de stapels en maakte een keuze.
Door: Bas Blokker
‘Ik wilde dat ik niet in Amsterdam woonde, dan ging ik erheen met vakantie.” Zomaar een citaat (van K. Schippers) uit Leesbaar Amsterdam, een stadsplattegrond in literaire zinnen. De kaart is vorig jaar gepubliceerd en kan voor een volgende editie worden aangevuld met zinnen die 2016 in druk verschenen, zoals: „Het plein was niet veranderd. Links de Albert Heijn, rechts de Dirk. Ertussenin een rij winkels waar niemand iets te zoeken had.” Zo beschrijft Walter van den Berg in Schuld het Sierplein. Of deze zin, van Yasmina Aboutaleb in een van haar gebundelde Parool-columns: „Binnen rook het naar een mengelmoes van drank en schoonmaakmiddel, maar voor een koffie verkeerd betaalde je het bijna vooroorlogse bedrag van één euro zeventig.” (Over café ’t Monumentje, hoek Westerstraat / Tweede Boomdwarsstraat). Of deze beschrijving van Amstel 218. „Het had een deftig gezicht, dit huis. Het had wangen van steen, een hoge stoep met twee monden en zeker twaalf ogen.” Zo beschrijft Geert Mak het huis van de familie Six.
De oogst van een Amsterdams boekenjaar is wel eens minder geweest. Opvallend is dat dit jaar tal van naar aard, temperament en beroep zeer verschillende prominente Amsterdammers een biografie kregen. Burgemeester Van der Laan, zijn verre voorganger Jan Six, dirigent Willem Mengelberg, koningin Juliana (met haar Paleis toch ook een beetje stadgenote), uitgever Geert van Oorschot, crimineel Willem Holleeder en de beste Nederlandse voetballer ooit, Johan Cruijff. Ook opvallend, vooral bij die laatste, is dat Amsterdam er als decor van het leven vaak nauwelijks in voorkomt.
Dat geldt niet voor De levens van Jan Six. Het boek helt misschien wat zwaar over naar het eerste decennia van deze hoofdstedelijke dynastie, maar ja, de zestiende en zeventiende eeuw zijn nu eenmaal onze Gouden Eeuw. Het knapst is de terloopse verweving van hoofdpersonen met de stad waarin zij wonen. Geert Mak schreef het Amsterdamse boek van het jaar.