De rivier vergeet niet
Esa Denaux
Pluizige plukken gleden over haar armen naar de grond terwijl de schaar door haar haren ging. Sommige bleven halverwege steken in haar schoot, alsof ze nog even de warmte van haar lichaam wilden opzoeken. Het haar kriebelde, maar Tamuk kon het niet van haar knieën vegen; haar handen waren gebonden, de touwen zo strak om haar polsen dat ze haar vingers niet meer voelde. ‘Zit stil,’ zei de dokter. Hij stopte even met knippen en draaide haar hoofd opzij zodat hij bij het moeilijk bereikbare kroeshaar rond haar oren kon. Toen hij klaar was, plaatste hij de schaar op tafel, nam scheerzeep en scheermes en verwijderde het weinige haar dat nog restte. Haar kale hoofd liet hij drogen in de stralen van de lage zon die door het raam naar binnenviel. Hij boog zich over de tafel om een aantal dingen op een vel papyrus te pennen. ‘Heb je een naam of zal ik je er één geven?’ vroeg hij. ‘Tamuk.’ Ze zag hoe hij haar naam neerschreef en daarna zijn handtekening op de rol pende. ‘Moroi?’ vroeg ze. ‘Zo mag je me noemen. Zo noemen de andere slaven me ook.’ ‘Ik betwijfel of je naam lang op hun lippen ligt.’ Moroi haalde een pamflet van de boekenplank tegen de muur en legde hem op haar schoot. ‘Hierin staan alle regels die je moet weten. Ik geef je een korte samenvatting...’ Tamuk luisterde al lang niet meer, en schudde haar hoofd om de vermoeidheid te verdrijven. Haar oorbellen klingelden. Staal op staal. Zoals de dag dat de jagers het verdrag verbraken en haar dorp binnenvielen, de dag die voor haar was begonnen met het wassen van de traditionele gewaden van haar moeder.
De grote doeken doopte ze in de Westrivier en met gelijkmatige bewegingen schrobde ze de stof. Zeep gebruikte ze niet, wel het zachte zand van de rivierbedding. Af en toe liet ze haar gedachten meedwalen met het meanderende water, naar het punt waar de rivier afboog en de Zuidstrivier net niet raakte. Door de jaren heen was die buiging verder uitgehold, een dunne slibmuur was het enige wat beide rivieren nog van elkaar scheidde. Vandaag leek het erop dat ze elkaar zouden kunnen raken. Ze hees vlug de natte gewaden omhoog en legde ze in de mand die ze op haar hoofd schoof. Met kaarsrechte rug en snelle tred ging ze terug naar het dorp. Toen ze aankwam in het dorp, riep ze om haar moeder. Haar stem klonk hard en droeg ver. De kinderen stopten met spelen. Hun bal, gemaakt van de buigzame bladeren van de Minnedoorn, rolde eenzaam verder. Ook de volwassenen, die voorheen gezapig aan het keuvelen waren, stopten met praten. Ze vertelde hen: ‘Zuid en West vloeien binnenkort samen. De jagers komen terug. Ga binnen en sluit alles af.’ De deuren waren gesloten, gebarricadeerd van binnenuit met stokken en meubels. Aan de allerkleinsten was verteld dat ze zich stil moesten houden, aan de oudere kinderen dat niemand als held sterft. Het dorp ademde stilte toen de stofwolken verschenen aan de horizon. Tamuk en haar moeder waren de enigen die zich nog buiten bevonden. Als dorpsoudste had haar moeder zich aan de oever van de Westrivier opgesteld. Tamuk stond naast haar, hand op haar gevest, zwaard nog niet getrokken. In de verte materialiseerden de ruiters. De ruiters droegen maskers; samengebonden twijgen lieten enkel hun ogen onbedekt. Ze minderden geen vaart toen ze het veld doorkruisten en hun paarden de Nimmerdistels vertrappelden. Ze keken om niet naar de Minnedoorn die in volle bloei stond. In volle vaart reden ze het dorp door en hielden pas op met galopperen toen ze de kolkende Westrivier bereikten, de rivier die nu aan kracht gewonnen had door het water van Zuid. ‘Wij spreken niet met ruiters zonder gezicht,’ zei haar moeder. De aanvoerder liet zich van het paard glijden. In één beweging trok hij zijn masker af. Tamuk wou dat hij het had opgehouden. Naar haar staarden niet één, maar twee gezichten. De man had een gezicht van gewone grootte, zoals het hare, maar ook een aangroeisel ter hoogte van zijn kin. Het leek het meest op een verschrompelde aardappel, maar het had ogen, een neus en een mond. Toen de ruiter sprak, was het die mond die openging en een hoog piepend geluid voortbracht. Zijn normale mond bleef gesloten. ‘Ik denk dat je weet waarvoor we komen,’ zei de ruiter. ‘U bent niet de aanvoerder met wie ik de vorige keer een verdrag sloot,’ zei haar moeder. Ze legde haar hand kort op Tamuks arm. Die had iets willen zeggen, maar zweeg. Daarna nam haar moeder een rol perkament uit de vouwen van haar gewaad. ‘Hij beloofde ons met rust te laten zolang we aan uw natie voorrang in de handel gaven, een afspraak waar we ons altijd aan hebben gehouden.’ Tweegezicht nam de rol aan en scheurde de papyrus doormidden. ‘Volgens wettelijk decreet zijn alle verdragen gesloten voor de heerschappij van keizer Tiber ongeldig.’ ‘Dat kunt u niet zo maar doen!’ riep Tamuk. ‘Tamuk,’ zei haar moeder afgemeten. ‘De overwinnaar schrijft de geschiedenis. Dus als dit heerschap beweert dat de oude verdragen niet meer gelden dan zij het zo.’ Ze wendde zich tot de aanvoerder: ‘Zouden wij een verdrag met uw nieuwe heerser kunnen sluiten?’ Hij lachte schamper: ‘Geen verdrag. Je dorp zal dienen als uitvalsbasis om het Westen te veroveren. En wij hebben bevel gekregen het te bezetten.’ ‘We zijn allemaal vrij geboren!’ zei Tamuk. Haar moeder schoot haar een waarschuwende blik en zei toen: ‘Vergeeft u mij de onstuimigheid van mijn dochter, heer. Ze is nog jong. Natuurlijk mag u vrij beschikken over onze huizen, maar veel rijkdom zult u hier niet vinden.’ ‘We weten allebei dat je liegt,’ zei hij. ‘Maar de rijkdom die hier te vinden is, valt niet te uit te drukken in goud.’ Tweegezicht keek haar even aan en liep toen naar de Westrivier. Voorzichtig zette hij een paar stappen. Bij de derde stap werd hij bijna onderuit gehaald door de stroming. Hij sprak: ‘Tem de rivier, oude vrouw, zodat we ongehinderd naar het Westen kunnen marcheren.’ De oude vrouw schudde haar hoofd en hief haar handen. Op haar teken begon de rivier nog wilder te bruisen. ‘U zaait enkel dood en verderf. Ik weiger de volkeren over de rivier dezelfde oogst te schenken.’ ‘Ze controleert de rivier!’ riep één van de manschappen angstig toen de rivier uit haar bedding trad. Daarop sprong Tweegezicht vooruit met getrokken dolk. De scherpe punt verdween sneller in haar moeders zij dan Tamuk kon reageren. Tamuk ontstak in woede, hief haar zwaard en liep op de aanvoerder af. ‘Neem iedereen in het dorp gevangen,’ schreeuwde hij naar zijn manschappen die richting dorpsplein stormden om de barricades te doorbreken. Terwijl zij weg stoven, trok hij zijn zwaard. Tamuk deelde haar eerste slag uit, maar hij pareerde hem handig. ‘De rivier valt niet te temmen,’ hijgde ze. ‘Het heeft geen zin. Vertrek nu en de rivier spaart je.’ ‘Daarin vergis je je. Met de dood van je moeder zal hij niets anders kunnen doen dan zacht rouwen.’ ‘Mis. De rivier vergeet niet,’ zei ze. ‘Hij neemt wraak wanneer je het minst verwacht.’ Ze haalde weer uit en trof hem vol op de schouder. Hij viel achterover en het achterhoofd van zijn grootste kop raakte één van de rotsblokken aan de oever. Als een overrijpe meloen spleet het in tweeën. Ze spuwde op hem en haastte zich naar haar moeder. ‘Moeder.’ Ze knielde neer. ‘Het spijt me.’ Met beide handen drukte ze de open wond toe. Haar moeder duwde haar handen weg zodat het bloed weer kon stromen. ‘Het heeft geen zin.’ Ze zuchtte en plaatste haar hand op Tamuks borstkas. ‘Jij bent nu ons volk. Overleef.’ Tamuk voelde hoe haar huid begon te gloeien. Een ogenblik brandde haar lichaam even fel als de zon. Vonken schoten over, Tamuks ogen lichtten op, alsof ze zich voedden met de warmte die haar moeders lichaam verliet. En toen haar moeder levenloos en koud achterbleef, antwoordde Tamuk stil: ‘Dat beloof ik.’ De herinnering aan haar moeder keerde nog elke dag weer. Zo ook vandaag. De lage voorjaarszon stak in haar ogen toen ze de arena betrad. Pijl en boog had ze geweigerd. In plaats daarvan had ze zes werpmessen gevraagd en gekregen. Eén hield ze ontspannen in haar linkerhand, de andere staken binnen bereik in haar heupgordel. Met een snelle blik nam ze de omgeving in zich op; een kuil in het midden van de ring waaruit ongeduldig gegrom opsteeg, een dun ijzeren gaas over de arena om de bezoekers te beschermen tegen verdwaalde pijlen, een kleine marmeren plaat waarop ze moest plaatsnemen als startpositie en voor de rest niets dan zand in een brede cirkel om de kuil heen. Aan de andere kant van de ring zag ze hoe haar tegenstander ook plaatsnam op de marmeren plaat, maar zijn gelaatstrekken kon ze niet onderscheiden, verblind door de zon die zich achter haar tegenstander had geschaard. De helwitte zonnestralen hadden ook het publiek opgelost. Enkel de tribune rechts van haar was zichtbaar, met het vooruitstekende podium waarop Tiber zat. Naast de keizer zag ze degene waardoor ze hier was beland. Tweegezicht keek haar aan, maar slechts één paar ogen bewoog. De asgrauwe ogen van zijn gewone gezicht bleven doods voor zich uitstaren. Wie goed keek kon een fijn filmlaagje over de irissen zien en hoewel Tamuk te ver stond om die details te onderscheiden, wist ze toch dat ze dat deel van zijn wezen had gedood. De keizer zette de jachthoorn aan zijn mond en blies het startsein. Eén moment was het stil. Toen zoefde een pijl door de lucht. Ze rolde opzij, maar was niet snel genoeg en de pijl nestelde zich in haar schouder. Bewegen, dacht ze in paniek, bewegen, ook al doet het pijn. Ze moest weg, weg uit deze zon. Ze rende langs de leeuwenkuil, vermeed de rand en zigzagde naar haar tegenstander toe. Nog een pijl. Ze vermeed hem ternauwernood door zich plat op de grond te gooien. Genadeloos volgde de derde pijl, een schampschot langs haar scheenbeen. Met een schreeuw rolde ze opzij, de dierenkuil in, maar gelukkig kon ze nog net de rand met beide handen vastgrijpen. De beesten konden haar al ruiken, want het bloed uit haar schouder en been vloeide rijkelijk, maar zolang ze bleef hangen, konden ze haar niet bereiken. Ondanks de helse pijn kon ze nog denken. Ze trok zich niet onmiddellijk op. Haar belager had twee opties. Ofwel zou hij haar van bovenuit moeten beschieten ofwel zou hij zich moeten verplaatsen naar de andere kant van de ring. Tamuk hoopte op een ongeduldige tegenstander, een tegenstander die op haar toe zou stappen. Ze nam een risico door één hand los te laten. Ze liet hem rusten op de werpdolk om haar gordel. Toen twee voeten aan de rand verschenen, sloeg ze toe. Haar belager aarzelde. Zij niet. Ze verplaatste haar dolk met grote snelheid en sneed zijn achillespezen door. Hij slaakte een kreet en viel achterover. Met haar laatste krachten hees ze zich weer over de rand. Ze schopte de boog weg die hem bij de val ontglipt was en ging over hem staan. Nu ze hem van dichtbij kon bekijken, herkende ze zijn gelaatstrekken. Hij had kroeshaar en een donker getaande huid, maar zijn neusbrug was breder en zijn wenkbrauwen waren dikker. Hij was afkomstig van het bergvolk waar ze zo vaak handel mee had gedreven. Ergens deed het haar verdriet te weten dat de jagers al zo ver in het landschap waren doorgedrongen en ook dit volk hadden onderworpen. Ze slikte, haalde een tweede dolk uit haar gordel, knielde en drukte het lemmet tegen zijn keel. Hij beefde toen ze tegen hem zei: ‘Waar haat heerst, eindigt beschaving... Het spijt me.’ Moroi trok voorzichtig de afgebroken pijl uit haar schouder en gaf haar een paar kleine, twijgvormige blaadjes. ‘Kauwen.’ Haar sterke tanden vermaalden de blaadjes tot een pap die ze in zijn hand spuwde. Met behendige vingers smeerde hij het goedje op de open wond. ‘Niet bewegen,’ zei hij, terwijl hij haar schouder verbond. ‘En nu een paar nachtjes slapen en dan ben je weer gevechtsklaar. Ik zal je naar je kamer escorteren.’ Hij hielp haar van de tafel af en wat later liepen ze door een raamloze gang. De meeste deuren waren gesloten. Het enige licht kwam van de toortsen die tegen de muur gemonteerd waren. De schaduwen die ze wierpen, kropen langs de muren als wispelturige mieren. Ze passeerden de openstaande arenapoort. Tamuk bleef staan voor de geopende deuren. ‘Waarom stop je?’ Moroi kwam naast haar staan en zag nu ook wat zij zag. De leeuwen waren uit de kuil verwijderd, maar zwijnen waren losgelaten in de ring rondom de kuil. Alsof ze truffels gevonden hadden, hadden ze zich bovenop het lijk gestort. Met hun lange slagtanden trokken ze zijn kledij aan repen en beten ze zich vast in het vlees. ‘Waarom krijgt hij geen begrafenis?’ vroeg Tamuk. Moroi haalde zijn schouders op. ‘Dood is dood. Het is goedkoper om hem zo op te ruimen. Varkens zijn grondig.’ ‘Dat zijn ze zeker,’ zei Tamuk. Ze keek hem kort aan, haar kaken op elkaar geklemd. Nadat de jagers haar gevangen hadden genomen en aan het paard hadden vastgebonden, keerden ze terug naar het Oosten. Ze waren gedwongen zich terug te trekken want de stroming van de Westenrivier was te sterk, het volk erachter mogelijk nog sterker. Ergens voelde Tamuk blijdschap. Als ze ooit uit de grip van de jagers kon ontsnappen dan zou ze nog steeds naar het Westen kunnen gaan. Die blijdschap verdween toen ze zag hoe de troep halt hield bij de Minnedoorn. Tweegezicht draaide zich naar haar om. ‘Ik heb het koud, jij niet?’ Hij deed teken naar één van zijn manschapen. Die knielde neer, haalde een tondeldoos uit en stak het knisperdroge twijghout in brand. Tamuk deed niet de moeite om haar hoofd te heffen en het schouwspel te bekijken. De vlammen waren zo hevig dat ze de warmte kon voelen. Toen de boom helemaal was afgebrand en enkel een zwart geblakerd kadaver achterbleef, glimlachte Tweegezicht. Eigenhandig groef hij de wortels op en sloeg ze aan stukken. ‘Hier zal nooit meer liefde groeien,’ zei hij. Daarop reden ze door. Alsof de vernedering nog niet genoeg was, stopte de horde bij het veld Nimmerdistels. Sommige waren al uitgebloeid. Zij hadden hun zielen al aan het dodenrijk prijs gegeven. Anderen stonden nog in volle bloei, met paarse bloemen die deinden op de wind. ‘Hoe stond het ook weer in het verdrag?’ Tweegezicht nam haar kin vast en dwong haar te kijken. Tamuk wist heel goed wat het verdrag had gezegd, maar weigerde te antwoorden. ‘Jij je zin.’ Tweegezicht deed zijn gulp open en urineerde op de dichtstbijzijnde bloem. ‘Laatste stop voor de hoofdstad, mannen,’ nodigde hij ook de anderen uit. Het zuur sijpelde de grond in; de distels, eeuwenlang door haar volk geplant en verzorgd, zouden nu zeker sterven, en met hen zou ook de ziel vergaan. Moroi duwde haar kamerdeur open. ‘Behandel je alle gevangenen zo vriendelijk?’ Tamuk ging voorzichtig zitten op de stoel naast het bed. Samen met de spiegel aan de muur waren dit de enige drie meubelstukken in de kamer. Het raam was te hoog om naar buiten te kijken; de vier muren waren haar enige uitzicht. Over de spiegel had Tamuk een doek gehangen. ‘Alleen diegenen die een kans maken. Ik onthoud alle namen.’ ‘Je vangt hen met je pen.’ Moroi fronste, maar leek toen eindelijk te beseffen waar ze heen wilde. ‘Jullie hebben geen schriftsysteem.’ ‘Nee, wel een dorpsoudste. Zij verzamelt de belangrijkste verhalen, zij is onze geschiedenis. Elke avond bij de Westrivier droeg ze de verhalen voor. Zij was ook onze heler, de enige die de Oude magie bezat en kon doorgeven.’ ‘Waar is de dorpsoudste nu?’ ‘De nieuwe zit voor je,’ zei Tamuk. ‘Waarom vertel je me dit allemaal?’ Moroi deed een stapje achteruit zodat hij niet langer in de deuropening stond, maar in de gang. ‘Omdat ik je hulp nodig heb om het volgende gevecht te winnen.’ ‘Wat krijg ik ervoor in de plaats?’ ‘Ik zal je assisteren bij je werk. Geen groene papjes meer. Kom binnen en doe de deur dicht.’ Moroi gehoorzaamde, stapte aarzelend binnen. ‘Geef je me je drinkbus?’ Ze deed de draagdoek van haar schouder. Met haar linkerhand pulkte ze het verband ervan. Ze opende de drinkbus en leidde het water over de wonde. Ze fluisterde alsof ze het wilde geruststellen en maakte cirkels rond de wond met haar vinger. Langzaam verdween het rood van de wonde en smolt het vlees samen. Zodra ze klaar was, kon ze haar rechterschouder weer bewegen. Het vlees zag nog rauw, maar er zat geen gat meer. Moroi stond met open mond te kijken. Hij bleef een tijdje stil. ‘Als je dat kan leren, zou het je veel papyrus besparen,’ zei Tamuk. ‘Waarom is je spiegel afgedekt?’ Hij liep naar de spiegel en trok het laken ervan. Hij staarde een tijdlang naar zijn spiegelbeeld en zag zoals zij hem zag: een lange magere man met grijzende slapen. Tamuk antwoordde: ‘Omdat spiegels gevaarlijk zijn. Wil je dat ik je vertel over de jongen die iemand anders wilde zijn?’ Elke dag huilde hij urenlang in de spiegel tot zijn moeder de spiegel brak en hij bij het spiegelende water van de rivier troost zocht. Zolang de zon scheen, bleef hij bij het water en wanneer het volle maan was, bleef hij zelfs de hele nacht. Zijn moeder, bezorgd dat hij op een dag in slaap zou vallen en verdrinken, verbood hem de rivier te bezoeken. Ze leerde hem netten vlechten. ‘Zo gaat de tijd sneller,’ zei ze. ‘Ik wil niet dat de tijd sneller gaat,’ zei hij, ‘ik wil mezelf niet zijn.’ Zijn moeder ging liefdevol door zijn haren. ‘Je blijft altijd mijn zoon.’ ‘Maar niet degene die je wilde,’ zei hij. Zijn handen gingen verder, knoop per knoop, maar zijn moeder zag dat zijn handen nooit zo behendig zouden vlechten zoals de hare. ‘Wat wil je dat ik doe?’ vroeg ze stil. ‘Laat me naar de dorpsoudste gaan. Bied haar één van je mooiste netten aan in ruil voor haar raad en hulp.’ De moeder stemde in en samen trokken ze naar de grootste lemen hut van het dorp. De deur stond uitnodigend op een kier en binnen brandde een zwak vuur. De dorpsoudste zat in kleermakerszit voor het dampende hout en ademde diep in. Het gat in het dak van de hut was gedicht zodat de rook vrij door de kamer danste. ‘Dorpsoudste,’ zei de moeder. Eerbiedig legde ze het net op de offertafel. ‘Ik weet waarvoor je komt,’ zei de dorpsoudste, ‘maar ik kan je andere zoon niet terugbrengen. Een slangenbeet kan ik genezen. Een dode niet.’ ‘Ik kom niet voor Jonis. De Nimmerdistels hebbe zijn ziel. Ik kom voor Kaziel.’ ‘Mijn antwoord blijft hetzelfde. Vraag hem wat hij werkelijk wil.’ De moeder keek vragend naar haar zoon die haar hand liefdevol vastnam. ‘Toen Jonis stierf, was u zo verdrietig. De eerste weken wilde u zelfs niet naar me kijken. Daarom bleef ik maar turen, hopend dat de tijd me dezelfde trekken als mijn broer zou geven. Hopend dat met de tijd ook ik zijn talenten zou erven. De tijd heeft me verraden.’ ‘Je blijft mijn zoon.’ Zijn moeder kneep ik zijn hand. Kaziel schudde zijn hoofd. ‘Niet de zoon die je wilde.’ Hij draaide zich naar de dorpsoudste. ‘Dorpsoudste, wij hebben u ons beste net geschonken. Zou u nu ook mijn wens kunnen vervullen?’ Hij haalde een haarlok uit zijn broekzak. ‘Geef mijn moeder de zoon die ze verlangt.’ De dorpsoudste nam de lok aan, stond op en ging naar de kom water in de hoek. ‘Als dat is wat je wil.’ Ze begon te huilen zodat haar tranen zich met het water vermengden en legde toen de haren erin één voor één. Het water verdikte, gaf een stank af die zich vermengde met de houtgeur in de hut. Het hele proces duurde tien tellen. Toen het water niet langer draaide, gaf ze de kom aan de jongen. ‘Wees gewaarschuwd. Echt veranderen doen we nooit.’ Kaziel knikte en dronk de kom in één teug leeg. Daarop begon zijn gezicht langzaam te veranderen. Zijn gelaatstrekken kreukelden zoals de rimpels in het water en vervlakten na een tijdje. Zijn moeder slaakte een zucht van verlichting en omhelsde haar zoon die het uiterlijk van haar gestorven zoon had aangenomen. Tevreden verlieten ze de hut. Die nacht bleef ze de hele nacht op en hield ze zijn hand vast. Maar drie weken later kwam haar geluk tot een einde. Toen ze die ochtend opstond, werd ze opgeschrikt door een schaduw die door het raam naar binnen viel. Haar zoon. Hij had zich opgehangen aan de boom naast haar huis. En zo verloor ze toch nog in één klap haar eerste en tweede zoon. Tamuk hielp de dokter in de komende dagen. Ook bij hem dekte ze de spiegel af. ‘Je hebt nog geen duidelijk antwoord gegeven op mijn vraag,’ zei Moroi. ‘Spiegels leiden ofwel tot eigenliefde ofwel tot zelfhaat. In beide gevallen verlies je jezelf.’ ‘Nee, mijn andere vraag.’ Hij waste het bloed van de vorige patiënt van zijn handen. ‘Hoe kan ik je helpen bij je volgende gevecht? Wil je dat ik vergif toedien aan je tegenstander?’ ‘Waar is de eer in bedrog?’ ‘Ik zie niet in hoe ik je anders kan helpen.’ ‘Je kunt zorgen dat ik moet strijden op een dag waarop het regent.’ ‘Daarover beslis ik niet.’ ‘Je kunt zeggen tegen de magister dat mijn schouderwond nog niet helemaal hersteld is. Houd me hier zolang het droog is. Regen. Dat is het enige wat ik nodig heb.’ ‘Ik zal zien wat ik kan doen.’ Hij keek naar de druppels water die waren achtergebleven op zijn handen, tilde toen het doek op en gebruikte de spiegel om zijn haar goed te leggen. De regen liet plassen achter in de ring en maakte blaasjes in het zand. Het publiek zat droog. Hun stemmen kaatsten opgewonden tegen het vlassen zeil boven hun hoofd. Ze waren luidruchtiger dan gewoonlijk, waarschijnlijk door het uitblijven van de zon. Bij sommigen speelde nog de irrationele angst dat de zon deze keer voorgoed onder de horizon zou blijven. Moroi had haar gewaarschuwd dat ze tegen een vrijwilliger zou vechten, iemand die niet zou stoppen tot het bloed vloeide. Tamuk stond op de marmeren plaat. Ook nu had ze werpmessen gekozen, maar ze liet ze deze keer aan haar gordel. Liever concentreerde ze zich op het regengordijn dat haar scheidde van haar tegenstander en de kuil in het midden van de ring quasi onzichtbaar maakte. Ook het podium van de keizer was niet te zien, noch kon ze Tweegezicht onderscheiden. Ze wachtte op de hoorn en bereidde de bezwering voor door de vingertoppen van haar twee wijsvingers op elkaar te plaatsen. Toen het metalen geluid klonk, liet ze haar energie door de ring knallen als een zweep. Ze trok de vallende druppels naar zich toe en dwong ze samen tot een scherm van hard water. Ze zag een pijl haar richting uit vliegen maar die botste tegen de muur voor haar. Mikken was in dit weer onmogelijk. Ze zette zichzelf in beweging; haar schild hield ze voor borst en hoofd. Ze ging snel, maar rende niet. Ze wist dat ze anders zou uitglijden en alsnog de dood zou vinden in de kuil die ze de vorige keer ternauwernood was ontsnapt. Vreemd genoeg kwamen er geen pijlen meer. Voorzichtig tilde Tamuk haar hoofd boven de rand van het schild uit. Een pijl vloog rakelings naast haar. Snel verborg ze zich weer achter het schild en haastte ze zich verder. Haar tegenstander leek te beseffen waar ze heen wilde en cirkelde om de put heen in de tegenovergestelde richting. Ditmaal zou ze het gevecht niet op korte afstand kunnen voeren. Ze knielde neer zodat het schild zich als een stolp over haar kon vouwen. Ze hoopte dat haar tegenstander zijn pijlen zou verschieten, maar ook hier toonde hij een zekere intelligentie. De vier pijlen die hij nog in zijn koker had zitten, bleven uit en na een tijdje liet het publiek boegeroep horen. Ze herinnerde de zich Morois tweede waarschuwing: ‘Als er geen duidelijke winnaar is, dan beslist de keizer wie leeft of sterft.’ Ze had niet veel tijd meer of ze zou het stempel ‘lafaard’ krijgen. Ze stond op en liet het schild van zich afglijden. Ze ontweek de eerste pijl die op haar afkwam en riep ondertussen bezweringen. Terwijl ze rond haar as spon, verzamelde ze het water uit naburige plassen als een wervelwind rond haar. Haar belager hield op met schieten, dacht waarschijnlijk dat ze een tweede schild vormde, maar ze deed meer dan dat. Ze vormde een kolk, verliet het epicentrum en zond die zijn richting uit. Ondertussen rende zij in de andere richting rond de put, ze kon het zich niet veroorloven meer tijd te verliezen. Haar vijand keek verbaasd naar het natuurgeweld dat op hem afkwam. Hij zag de werpdolk niet die Tamuk op hem afstuurde. Die trof hem vol in de rug zodat hij op zijn knieën viel. Tamuk overbrugde de laatste afstand en zette het mes op zijn keel. ‘Hopelijk is je god tevreden,’ zei ze. Toen sneed ze zijn keel door. ‘Kom binnen, vlug.’ Moroi trok haar zijn praktijk binnen en deed de deur op slot. Tamuks kledij drupte op de stenen vloer, sporadisch viel er ook een rode druppel. De regen was er niet in geslaagd het bloed van haar handen te wassen. ‘Ik ben niet gewond,’ zei ze kort. Ze wilde haar natte tuniek uittrekken, maar Moroi hield haar tegen. ‘Hij zoekt je. Ik weet niet waarom, maar hij zoekt je.’ ‘Wie is hij?’ ‘Jij noemt hem Tweegezicht.’ Moroi sloeg een handdoek over haar schouders, maar ze bleef rillen. ‘Keizerszonen hebben het zelden goed voor met mooie meisjes als jij.’ Er werd op de deur geklopt. ‘Doe open. Keizerlijk bevel!’ klonk het. ‘Ik kom eraan! Ik ben bezig met een patiënt.’ Hij duwde Tamuk op de onderzoekstafel, nam haar bebloede handen en veegde het bloed over haar gezicht. ‘Houd je stil, oké?’ Hij deed de deur open. Met een buiging vroeg hij: ‘Hoe kan ik de keizerzoon van dienst zijn?’ Tweegezicht duwde hem aan de kant en stapte de kamer in. De ogen van zijn verschrompeld gezicht namen Tamuk in zich op. Vanuit haar positie kon Tamuk de deuk in zijn achterhoofd goed zien. Het was alsof zijn achterhoofd ook grijnsde. ‘Jij kan de rivier temmen.’ In drie stappen was hij bij haar. ‘Ik heb het gezien in de ring. De dorpsoudste heeft je haar gave gegeven en nu wil ik het.’ Eén van zijn paleiswachten kwam nu ook de kamer binnen en hield dreigend zijn hand op het gevest. ‘Ik kan je mijn gave niet geven, zelfs als ik zou willen,’ zei Tamuk rustig. ‘Enkel bloedverwanten kunnen elkaar begiftigen.’ ‘Dan kom je met mij mee.’ ‘Dat gaat zo maar niet,’ waagde Moroi nu te spreken. ‘Ze heeft nog één gevecht te gaan. Enkel als ze het derde gevecht overleeft, kan ze de ring verlaten.’ Hij voegde toe: ‘Sommige regels moet zelfs u respecteren.’ ‘Dan wacht ik.’ Tweegezicht grijnsde breder. ‘En geef ik je een kind als derde tegenstander.’ Met die boodschap draaide hij zich om en liep hij de kamer uit, de paleiswacht op zijn hielen. Moroi kwam naast haar staan en legde zijn hand op haar schouder. ‘Er zijn er die zeggen dat hij anders had kunnen zijn, dat het allemaal de schuld van de keizer is.’ Keizer Tiber wachtte al langer op een zoon, maar zijn vrouw kon enkel dochters baren. Na haar vierde zwangerschap ging Tiber bij de priesters ten rade. De hogepriester vertelde hem dat hij drie slaven moest offeren op het Smaragdenplein. Zoals altijd sprak de hogepriester in raadsels: hun dood moest snel, maar vredelievend zijn. Geen bloed mocht vloeien. In ruil zou de God van het licht de keizer drie zonen schenken, één voor elk genomen leven. Tiber dacht lang na over de uitvoering van het plan. Hij liet zijn beste architect drie hoge galgen monteren met stroppen, gemaakt om de nek bij de val onmiddellijk te breken. Op de dag van de executie keek het volk toe hoe drie slaven plaatsnamen op het schavot. De avond voordien hadden ze een koningsmaal gekregen en nu gingen ze gekleed in zijden tuniek en pantalon. De beul hing de strop om hun nek en gaf hen een kus op hun voorhoofd om hun voor de reis te behoeden. Vervolgens liep hij naar de houten hendel. Toen hij trok, vielen de drie slaven meters naar beneden. De toehoorders juichten. De keizer bleef strak voor zich uit staren en legde zijn hand op de nog platte buik van zijn vrouw. Daarop ging hij terug met zijn gevolg naar het paleis. Maar de lijken bleven bungelen aan de stroppen op het plein en trokken al gauw kraaien aan. Die pikten net zo lang tot het bloed hun snavels sierde. Drie maanden later begon de buik van de keizerin weer te zwellen. De keizer bracht nog een offer in de tempel en wachtte af. Met elke maand zag hij haar buik groeien tot de keizerin op de zesde maand in elkaar zakte onder het immense gewicht. ‘Wat is er mis?’ vroeg de keizer angstig aan de paleisarts. ‘Een drieling, sire,’ zei die zorgelijk. ‘Het is onwaarschijnlijk dat ze allemaal zullen overleven, maar om ze een kans te geven moet uw vrouw het bed houden.’ De twee daaropvolgende maanden bleef de keizerin in bed, haar handen steeds op haar buik, alsof zij die wilde beschermen. Haar dochtertjes bezochten haar iedere dag en probeerden haar leed te verzachten door over de buik te strelen, alsof ze nu al contact zochten met hun nog niet geboren broers. Bij de bevalling waren enkel de keizer, de vroedvrouw en de lijfarts aanwezig. Die laatste had hem al gewaarschuwd op alles voorbereid te zijn. ‘Stilgeboorte kan voorkomen,’ zei hij, terwijl hij zijn handen reinigde met warm water. De keizerin begon te persen en al gauw werd het eerste hoofdje zichtbaar. Het zag helemaal paars. Tiber wendde zijn hoofd af toen hij besefte dat het gewurgd was door de navelstreng. Aan diezelfde navelstreng, alsof de tweede zoon zijn broer eigenhandig gewurgd had, werd een vuistje zichtbaar en toen floepte ook dat kind eruit, maar waar er één hoofd had moeten zitten, zaten er twee. Kwatongen zouden later fluisteren dat het kind zijn derde broer van teen tot schouders in de baarmoeder had opgevreten en dat het overblijvende hoofdje zich in een overlevingsreflex aan de kin had gehecht. ‘Ik dood geen kinderen,’ zei Tamuk beslist. Ze liep heen en weer door de kamer, handen op haar de rug. ‘Je zult wel moeten. Anders doodt de keizer jullie allebei.’ Moroi zat op haar bed. Hij had het doek van de spiegel gehaald en keek strak naar zijn eigen spiegelbeeld. Tamuk stopte met ijsberen en ging naast hem zitten. ‘Je moet me helpen.’ ‘Heb ik dat al niet genoeg gedaan?’ zei Moroi schamper. Zorgelijk streken zijn vingertoppen over zijn grijzende haren. Hij had er deze ochtend nog roet in gesmeerd, maar door de heftige regenval was het zwart verdwenen. ‘Als je hulp van mij verwacht, zal dat je kosten.’ ‘Ik heb geen geld.’ Ze deed haar oorbellen uit en bood die aan. ‘Ik wil geen geld. Ik wil terug naar vroeger.’ Tamuk schudde haar hoofd: ‘Let op dat je het gewicht van je dromen nog kan dragen. Water vervormt. Het geeft nooit zomaar, Moroi.’ Het was de eerste keer sinds hun ontmoeting dat ze zijn naam uitsprak. Ze stond op en liep naar de waterkan in de hoek. ‘Maar ik kan je jonger maken. Het zal wel een tijdje duren. Ik ben niet zo ervaren als mijn moeder. Ik heb twee lokken haar van je nodig. Daarvan bereid ik twee mengsels.’ ‘Prima. Als de drankjes klaar zijn, smokkel ik je naar buiten. Beloofd.’ Hij glimlachte en ging weer met zijn vingertoppen door zijn haar. In gedachten waren de grijze lokken al verdwenen. Tamuk werkte de hele nacht aan twee drankjes. Aan het eerste drankje voegde ze Morois eerste lok haar toe. Ze blies leven in de vloeistof en zag hoe het water veranderde van helder transparant naar diepblauw. De vloeistof goot ze in twee flacons. Voor het tweede drankje gebruikte ze Morois tweede lok, maar ook van zichzelf gaf ze iets. Ze huilde boven de kom totdat het water troebel werd en het zout kristalliseerde op de bodem. In totaal had ze nu drie flesjes. De volgende avond kwam Moroi bij haar langs. Hij had een grote kapmantel mee. ‘Is alles klaar?’ vroeg hij ‘Ja,’ zei ze en ze gaf hem het diepblauwe drankje. Met bevende handen nam hij het aan. Hij trok het doek van de spiegel en dronk terwijl hij zichzelf bewonderde. Zijn gelaatstrekken begonnen te rimpelen. De jaren verdampten en toen de huid weer strak stond, waren het grijs en de rimpels verdwenen. ‘Om het permanent te maken moet je nog een tweede drankje drinken,’ zei ze, ‘maar dat geef ik je pas wanneer we buiten de stadspoorten zijn.’ Moroi stond nog steeds voor de spiegel met een glimlach van oor tot oor. De kapmantel was zijn handen ontglipt zodat hij nu beide kon gebruiken om zijn gezicht te betasten. Zo stond hij enkele minuten naar zijn eigen beeltenis te staren tot Tamuk de kapmantel oppakte en over zich heen trok. ‘We gaan,’ zei ze. Eerst gingen ze door de gang zonder ramen. Moroi nam een toorts van de muur voor ze het gebouw verlieten. Hij knikte naar de bewaker die een goudstuk in ontvangst nam en hen doorliet naar de stallen. Met het paard aan de teugels slopen ze door de straatjes tot ze eindelijk de dikke stadsmuren zagen. Alweer kocht Moroi de wacht om. Samen glipten ze door de stadspoort die zich als een wrede muil weer achter hen sloot. ‘Mag ik het tweede drankje?’ vroeg Moroi. Zijn ogen gingen schichtig heen en weer en hij hield de teugels van beide paarden in bedwang. Tamuk hield de flacon naar hem uit. Toen hij het vastgreep, hield ze hem nog een seconde langer vast: ‘Dadelijk drinken.’ Hij trok het flesje ruw uit haar handen en schroefde de dop open. In het schaarse licht merkte hij niet dat de vloeistof anders kleurde. Hij dronk het in één teug leeg, gooide het flesje aan de kant en trok toen zijn zwaard met zijn vrije hand. ‘Hier stopt je trip, Tamuk. Ik kan je niet zo maar laten gaan.’ ‘Tweegezicht?’ vroeg ze enkel. ‘Ja, het was zelfs beter voor hem dat je buiten de muren werd gesmokkeld, want nu kan hij sneller naar het Westen. Hij heeft een mooie som voor je betaald. Een aanbod dat ik niet zo maar kon weigeren. Ik mag mijn baan behouden en in ruil voor mijn loyaliteit maak ik zelfs promotie als hofarts.’ Haar onderlip trilde toen ze sprak: ‘Ik begrijp het. Ik had ook niet verwacht dat je volk liefde zou kennen. Maar mag ik, voor hij komt, nog een laatste slok wijn?’ Ze knikte naar haar heupflacon. Moroi aarzelde, maar knikte toen hij de tranen in haar ogen zag. ‘Maar geen trucs.’ Tamuk liet langzaam haar handen zakken, nam de flacon en zette hem aan haar lippen. Snel dronk ze de inhoud leeg. Toen ze klaar was, keek ze Moroi uitdagend aan. De tranen in haar ogen droogden snel en een grijns verscheen op haar gezicht. ‘Waarom lach je?’ vroeg hij. Ze antwoordde niet, maar liet de tijd zijn werk doen. Twintig tellen later zag Moroi hoe ze veranderde als een schilderdoek waarop iemand met wilde penseelstreken schetste. Met elke tel die voorbijging kwamen er details bij totdat hij naar een man keek met zwart haar en grijzende slapen. Moroi hief zijn zwaard om toe te slaan, maar in die ene seconde werd zijn eigen beeltenis in het lemmet zichtbaar. Naar hem staarden twee donkere ogen in een getaand meisjesgezicht. Tamuk en hij hadden hun voorkomen gewisseld. Na de gedaanteverwisseling was het eenvoudig om Moroi te overmeesteren. Zijn zwaard had hij al weer half laten zakken en een klap op het hoofd was voldoende om hem buiten westen te slaan. Ze bond een touw rond zijn polsen en deed een prop in zijn mond. Daarna wachtte Tamuk op de komst van Tweegezicht. Ze nam de beloning in ontvangst, een volle geldbuidel die ze ongetwijfeld in het Westen zou kunnen gebruiken. Moroi, die er nog steeds uitzag als zij, liet ze achter. Ze wist dat Tweegezicht binnenkort zijn veroveringsdrang zou laten gelden dus spoorde ze haar paard aan en verdween. Zes volle dagen reisde ze. Ze had van een boerderij de nodige provisies kunnen verkrijgen en hield enkel halt om te eten of slapen, drinken deed ze al rijdend. Haar paard was afgemat toen ze eindelijk de lage voorjaarszon achter zich liet en haar eigen land bereikte. Ze besloot de tocht te voet verder te zetten dus gleed ze van haar paard en gaf het een tik op de flank om het weg te jagen. Traag liep ze door het veld waar vroeger de Nimmerdistels bloeiden. Ze knielde naast één van de planten en goot de rest van haar drinkzak leeg. Even leek het alsof er toch nog leven in de plant zou komen, maar toen trok het zijn blaadjes terug en verschrompelde het alsnog. Ook de Minnedoorn viel niet meer te redden. Het enige wat overbleef was een zwart geblakerd gat in de weide. Ze trok door haar vroegere dorp en zag de ingetrapte deuren. De barricades hadden niet lang stand gehouden. Op sommige deurlijsten was opgedroogd bloed zichtbaar en wanneer de wind even ging liggen, hoorde ze het niet-aflatende gezoem van de dikke zwarte vleesvliegen. Ze doorkruiste het dorpsplein en liep naar de rivier. Het lijk van haar moeder lag er nog. De zon had de ontbinding versneld, hier en daar was bot zichtbaar. Ze trok aan het been en probeerde haar moeder zo tot aan het veld Nimmerdistels te sleuren, maar de pezen gaven mee en de romp scheurde in tweeën. Ze boog zich en nam de ene helft op haar schouders. De rottende lichaamssappen en maden dropen langs haar schouders naar beneden en lieten een spoor achter tot aan het veld. Voor de andere helft legde ze hetzelfde parcours af. Ze was blij dat ze nog steeds Morois sterke mannenlichaam had toen ze het graf begon te graven. Ze voegde er liefdevol één van de zaden van een gestorven Nimmerdistel bij en fluisterde de rituele woorden: ‘Uit dood nieuw leven.’ Plakkend en stinkend ging ze terug naar de rivier. Ze waadde tot het midden van de rivier, sussende woordjes fluisterend om het water te kalmeren. Toen ging ze onder en waste ze het verleden van zich af. Het duurde nog één volledige dag voor Tweegezicht bij de rivier kwam. Tamuk had de stroom de vorige dag veilig overgestoken en had zich verschanst in de treurwilg naast het water. Ze keek toe hoe Tweegezicht en zijn gevolg stopten bij de bedding. Op één van de paarden kon ze Moroi zien, nog steeds met haar uiterlijk. Zijn handen en voeten waren gebonden en uit zijn mond stak nog steeds de vod. ‘Dorpsoudste, nu is het tijd om je loyaliteit te tonen,’ sprak Tweegezicht. Hij haalde Moroi van het paard, sneed de touwen rond zijn voeten en handen door en verwijderde de prop uit zijn mond. ‘Ik heb het je al gezegd,’ zei Moroi. ‘Ik ben de dorpsoudste helemaal niet! Mijn lichaam is gestolen.’ ‘En je hart ongetwijfeld ook,’ zei Tweegezicht. Hij duwde Moroi richting de rivier. ‘Jij gaat eerst. Als jij kopje onder gaat weten we dat het niet veilig is.’ Moroi wilde protesteren, maar één van de jagers spande zijn boog. Daarop stapte hij richting de rivier die weer levendig bruiste. Tamuk keek toe vanuit de boom en sprak bezwerende zinnen. Toen Morois tenen het water raakten, verdween de onderstroom. Verbaasd zette hij een paar stappen. De ruiters juichten en volgde hem, paarden aan de teugels. Tamuk wachtte nog tot ook Tweegezicht de oversteek waagde en gleed toen uit de boom. ‘Moroi?’ Tweegezicht merkte haar als eerste op. ‘Hoe kom jij aan de overkant?’ ‘Ik ben Moroi niet,’ zei ze. ‘Terug!’ riep Tweegezicht, maar het was al te laat. Tamuk had hen klem gezet tussen twee waterkolken. Eén van de manschappen en het paard werden al meegesleurd, de anderen probeerden zich staande te houden. ‘Kunnen we niet onderhandelen? Ik maak je nog een verdrag waarin staat dat we je volk voor eeuwig met rust laten.’ ‘Ik heb geen volk meer.’ ‘Ik ben een keizerszoon. Ik kan je alles bieden wat je wilt: goud, edelstenen, je noemt het.’ ‘Ik moet je rijkdom niet.’ ‘Kunnen we dit niet gewoon vergeten?’ smeekte hij toen hij merkte dat de kolken alleen maar sterker werden. ‘Vergeten en vergeven?’ ‘Zelfs een rivier vergeet niet,’ zei ze en draaide zich om. Het water deed zijn werk.












