Boo(k)
Mijn laatste stadium van de vijf stappen der rouwverwerking is verdriet. Hier verbaas ik me over. Dan ben ik dus eerst al boos geweest, heb ik in de ontkenningsfase gezeten, bedacht ‘maar wat nou als ik dit had gedaan’, of ‘dat’, dan heb ik het hele gebeuren al geaccepteerd en dan pas... huilen.
Huilen komt voor mij, inderdaad, altijd te laat. Vanaf een verdrietig moment moet ik de hele berg nog op. Het is een startsein. Waar anderen netjes bij dat verdrietige moment, stap één, huilen — wanneer het hoort, pak ik m’n tas en begin slechts met lopen. Ik zet wel stappen, op mijn manier, maar in tegengestelde richting lijkt wel — in elk geval weg van die plek waar anderen huilen.
Daarom laat ik nu, maanden later, pas tranen. Thuis waar ik m’n tas heb uitgepakt, waar er ruimte bestaat voor een diepe zucht en stilstaan. Nu ik eindelijk begrijp wat er is gebeurd. Wat ik mis. Hoe ik er in ben gestonken. Hoe ik zo hard en pijnlijk voor je ben gevallen.
Hoe gek ook eigenlijk dat ik viel voor je in enkele, snelle seconden en dat die zomer samen zo voorbij sjeesde, alsof we met de zonsondergang meereden en het landschap onttrok zich achter aan ons, maar strekte zich tevens voor ons uit. Onze vaart maakte de zon groter. We haalden haar in en we kwamen zo dichtbij dat de bumper haar kuste. Een ongelukskusje. Waarschijnlijk kwamen we te dichtbij want anders kan ik onze ongelofelijke val niet verklaren.
Nu ik de klok thuis kan horen tikken en ik zucht, voelt het alsof ik al maanden bezig ben met vallen en zie ik de dagen voor me uit kruipen. Er ligt een eeuwigheid in het verschiet en ik lig op de grond. Ik ben een vergiet. Of ben ik een dweil? Daar denk ik over na.
Soms ben ik bang dat als ik iets vervelends mee heb gemaakt en ik nog geen tranen heb gelaten dat moment me later dus zal overvallen. Preventief wil ik dan binnen blijven. Voor als ik bijvoorbeeld in het ergste geval, op een feestje, met een biertje in de ene hand, en een, al dan niet vega, bitterbal in de andere, te midden van allerlei mensen, van nét iets te hard lachen in een lelijke huil overga. Met die bitterbal nog zo half in m’n bek, terwijl dat handjevol allerlei-mensen naar me kijkt.
Eenmaal heb ik mezelf gehoord. Toen was ik zestien en stond ik in de huiskamer met gelukkig enig mijn moeder als getuige voor dit lelijke schouwspel. Ik was toen lange tijd depressief, maar had geen idee dat ik aan het vechten was met dit probleem, want mijn gevecht met depressie betekende blijkbaar niet aannemen dat je een probleem hebt tot het probleem het van je overneemt. Anders telde het niet. Daarom heet het het stuur bijster zijn, denk ik. Want er zit iets anders aan het roer en het is grijs. Langzaamaan roert het alles om je heen, maar jou niet meer. Jij wordt niet meer aangeraakt en het is dus logisch dat je geen idee hebt.
Terug naar dat moment dat ik en mijn moeder leerden dat ik stuurloos was. Op dat moment moest ik blij zijn met een bericht van de rector dat we afluisterden van het antwoordapparaat. Ik stond in de huiskamer en ik hoorde “we willen Bibi’s tekening gebruiken, ik bel eigenlijk namens de hele school...” ik keek recht in Ma’s lachende gezicht “...we vinden ‘m prachtig,” ik beantwoorde met een lach van mijn kant, voor ik in elkaar zakte in een soort kreet. Janken van het lachen, op een manier.
Mijn enige vergelijkingsmateriaal is het nare gevoel dat me heel soms bekruipt, als ik een cadeautje krijg dat ik echt graag wil hebben, maar niet denk te verdienen. Dan ben ik verontrustend verdrietig. Waarom krijg ik dat? En waarom heb ik dit gevoel?
Nu nog, negen jaar later, schrik ik soms van hoe hoog m’n emotie zit. Tijdens een film bijvoorbeeld. In de bioscoopzaal kun je me niet zien schrikken van m’n eigen lach.
Zelfs nu we elkaar hebben geblockt en gedeletet bestaat de wij, de ons, eigenlijk alleen nog maar online. Alleen onze gesprekken heb ik nog op chat. Als ik terug zou willen scrollen naar hoe het begon, naar de eerste hoi — of zou het een ‘hee’ zijn? — ben ik minstens een halfuur bezig. Ik overdrijf niet. Ik ben op dat punt nog niet eens gekomen want toen ik het een keer probeerde, raakte ik afgeleid en begon ik met lezen en eindigde weer beneden. Ik ben benieuwd op welke datum we beginnen. Ik was zeventien denk ik. We werden digitaal verliefd en nu heb ik je geblockt en zijn onze namen weer pixels. Alle tastbare dingen die me doen denken aan jou had ik sowieso al verwijderd, m’n huis uit.
Ik haat het hoe ik sommige herinneringen niet kan verwijderen. Ze blijven maar in m’n kop de kop opsteken. Ik wil je zo graag vergeten. Ik wil zo graag niet meer aan je moeten denken. Aan hoe fucking mooi het was. Aan hoe fucking mooi je bent.
Weet je nog die polaroids van die meiden in de Tiki? Dat we er twee mochten maken, één voor jou en één voor mij. Ik wilde mijne ritueel verbanden en ik had ook jouw aansteker meegenomen naar Grasnapolsky in Grunn. Al m’n gedachten waren Grrrr als ik dacht aan die foto in m’n borstzak tijdens de drie-uur-durende-treinrit. Maar ik hield ‘m er pas uit op de tweede avond van het festival, onbedoeld. Ik stond met artiesten, waarvan ik niet wist dat het artiesten waren, bij een snacktent. De laatste ronde voor de vegetarische bitterballen. Toen ik aansloot, wist ik niet precies waarvoor ik in de rij stond, maar het zou eten zijn. Ik praatte met een man met een goed montuur. Ik weet tevens niet meer wat er gezegd is, maar ik weet wel nog dat ik me prima vermaakte. Weliswaar had ik geen weet van wie ze waren, of welke muziek ze maken, maar toch waren zij mij ook niet vreemd. Ik had niet genoeg muntjes en de vega bitterballen waren duur. Ik kreeg de muntjes van de lieve niet-zo-vreemden om me heen. Dankbaar hield ik m’n hand op en ik grijnsde want het sprokkelen ging me zo aardig af, of was dat hun aardigheid. Maar met het zoeken naar muntjes haalde ik per ongeluk de foto uit m’n binnenzak. Ik was verdrietig en deelde m’n leed met het eerste mens naast me, een mooie vrouw. Ze wilde de foto hebben. Waarop ik eveneens m’n twijfel met haar deelde want ik moest ‘m namelijk nog ritueel verbranden. Voor heel even probeerde ik aan ons vast te houden, maar ze pakte de foto zowaar al uit m’n handen. Ik kon haar nog net mededelen dat je een lul bent.
Voor m’n vrienden ben je een zwarte vlek op de foto’s van Oud en Nieuw. Voor mij misschien ook. Je bent een naam in de krant. Je bent een naam op m’n scherm. Je bent een lul. Je bent mooi. Je lul niet. Hoe je lult weer wel.
& ik mis je














