6 Lessen van de TCS Marathon Amsterdam
Datum: 15 oktober 2017. Eindtijd: 4:47:42; Eerste reactie: “Ik loop nooit meer een marathon”. 2 uur later: “Revanche! De volgende ga ik helemaal anders doen”.
Lessen van Amsterdam
1) Het is niet slim om je beoogde pacers dertig meter verderop in het startvak te zien staan en te denken 'oh, die haal ik wel in'. Ik deed er uiteindelijk tien kilometer over, waardoor ik sneller gestart ben dan gepland (anders haal je ze niet in). Het gevolg was dat mijn hartslag veel te hoog was en niet meer naar beneden te krijgen was. Ik kon de pacers 10 kilometer bijhouden, toen ging ik steeds langzamer. Na 25 kilometer ging het licht uit en moest ik stukken wandelen. Over de laatste 10 kilometer deed ik 80 minuten.
Les: ga in het startvak naast je pacers staan (en start niet te snel)
2) Train op je marathon-tempo. In de aanloop naar deze marathon heb ik veel samen gelopen met mijn vrouw, en daardoor veel langere loopjes boven de 6 minuten/km gemiddeld gelopen, terwijl ik in Amsterdam probeerde 4:10:00 te lopen (5.55/km). Dus ik denk dat ik niet genoeg getraind heb op het juiste tempo. Les: het is ongezellig, maar toch meer mijn eigen tempo trainen.
3) Lopen doe je met je hele lichaam. Mijn linker knie is altijd een zwak punt, en naarmate de marathon dichterbij kwam, voelde ik steeds meer pijntjes. Uiteindelijk ging het goed en had ik overal pijn behalve in mijn knie. Onder andere mijn lage buikspieren gingen opspelen. Dat is op zich een goed teken, omdat ik juist geoefend heb op mijn houding om zo andere delen van het lichaam de last van mijn knieën te laten delen. Maar ik heb mijn lage buikspieren onvoldoende getraind. Dat moet gewoon onderdeel worden van de trainingsroutine. Les: loopdagen afwisselen met core-dagen.
4) Warmte is niet grappig. Hoewel de marathon van Amsterdam een najaarsmarathon is, ging de temperatuur voorbij de 20 graden. Opgeteld bij bovenstaande factoren leidt dat tot extra ellende. In mijn geval dorst in combinatie met een maag die eigenlijk niets meer wilde verteren. Les: een marathon nog verder in het noorden opzoeken.
5) Rennen gaat sneller dan wandelen. Het klinkt flauw, maar als je eenmaal begint met wandelen, kan de drempel om weer te gaan rennen steeds groter worden. Voor je het weet heb je de neiging de laatste 5 kilometer helemaal te wandelen. Dat duurt eindeloos. Ik had mijn Garmin Fenix 3 zo ingesteld dat mijn eindtijd berekend werd. Elke keer wanneer ik weer ging rennen, zag je de eindtijd naar beneden verspringen. Dus ook al wissel je 500 meter rennen af met een stukje wandelen, dat scheelt echt aanzienlijk. Les: Als je dan toch een keer wandelt, zo snel mogelijk afwisselen met stukje rennen
6) Het publiek in Amsterdam is heel aardig voor wandelaars. In de laatste 5 kilometer wil het publiek eigenlijk niets liever dan je er doorheen sleuren. En ze willen vooral zorgen dat je weer gaat rennen. Dankzij de naam op mijn nummer waren er tientallen mensen die zeiden "Kom op Daan, klein stukje nog." of "Rennen jongen, je kunt het". Als ik reageerde met "Ik heb geen zin meer" of "Ik ben zo moe, ik ga terug" volgde er nog een aanmoediging. Het gejuich bij het toch weer in sukkeldraf gaan was buitengewoon motiverend. Hoewel de route overall weinig inspirerend was, heb ik genoten van het publiek. Les: Elk nadeel heb z'n voordeel.













