volgestopte proppen
Opgepropte proppen volgestopt met opkroppende gedachten vliegen zelfverwijtend door de kamer, ‘stop, stop, stop’ snijden de woorden zinloos door mijn hoofd totdat ik ze verdoofd geloof. De stilte schreeuwt mij doof.
Weggestopt smacht ik lachend terug naar de dag waarop ik dacht dat ik haar lachend zag. Dag na dag verwachtte ik dat ze zich had bedacht, dat ze mij verachtte, maar om dit te verzachten mij ondoordacht en onverwacht trachtte te verlaten, ’s nachts
Word ik onrustig wakker, bezwaard door blokkades staren mijn spiegelbeeld en ik naar elkaar. Een onfris gezicht mist een strakke blik, niets te zien van de tintelingen waar ze voor is gezwicht.
Met slordig weggeworpen woorden kom ik weer bij zinnen, ik heb zin in zinspelingen en vind het machtig prachtig om te schrijven over zeikende wijven die drachtig haastig zichzelf vastklemmen aan elke willekeurige vent.
Woord voor woord vermoord ik haar ongehoord en ongestoord fictief, alsjeblieft. Ik probeer de leegte te verdrinken. Dronken schenk ik nog eens vol, de leegte lonkt. Als zinnen weer woorden worden, smoor ik smoor de werkelijkheid in de wieg, wat vliegt de tijd als de liefde vertyft achterblijft.









