Ze/we doen al zo lang dat onze neus bloedt dat de kamer inmiddels is volgelopen. Het vloerkleed is doordrenkt en het bloed begint nu langzaam langs het behang omhoog te kruipen. Rode zeeën glinsteren onder TL-licht; niemand die het ziet. Zachte golven slaan tegen de muren wanneer iemand een stap waagt, zich door het ongewis waadt. Dus staat iedereen stil.
Laten we doodzwijgen en vooral over de dood zwijgen, altijd. In elk scenario. Noem geen namen, zie geen mensen - nooit. In een succesvolle ruimte is geen plaats voor sterven, hoe durf je. Hoe durf je te denken aan doodgaan. Daar praten we niet over. Dood is weg, ver weg, van de aardbodem en voor altijd vergeten. Wat geweest is is geweest en wat gedaan is is gedaan, daar kunnen we niks meer aan doen. We moeten verder verder altijd verder en vooral nooit stilstaan. Hier is geen plaats voor rouw, dat is te lelijk. Stel je voor dat iemand het ziet. Op adem komen is voor zwakkelingen. Nooit luisteren, nooit voelen. Nooit ruimte maken om stil te staan. Hoe durf je mens te zijn.
De chaos van onderdrukte spanning en onuitgesproken regels wordt me te veel. Ik voel hoe het bloed inmiddels tot boven mijn knieën raakt, en mijn broek al tot mijn kruis doorweekt is. Het duurt niet lang meer voor ik moet watertrappelen met dit tempo. Laat ik een weg banen, nu het nog kan. Nu de deur nog opengaat. Ik wil niet ten onder gaan zonder poging, niet stilzwijgend en zomaar. Mijn vingers waden een slijmerige weg, mijn benen slepen-
Ik moet mijn volle gewicht tegen de deur beuken, want alles in de kamer klemt. Mijn heupen zet ik in en met een vloedgolf stroom ik naar buiten. Het is guur en koud, zo half doorweekt.
Buiten staat mijn rouw. Haar leegte herken ik uit duizenden, haar schaduw voelt vertrouwd.
Ze tikt haar sigaret af, wenkt me dichterbij en zegt: "Voor ons is nooit plaats, lieverd. Dat weet ik. Ik ben het gewend." Ik word kwaad om de kalmte van haar toon. Het is niet oké, ik weiger het oké te vinden. Ik weiger de vrede te bewaren zolang er geen vrede is.