Je vindt mijn schrijfsels in het vervolg op http://www.indegloria.blogspot.be/

❣ Chile in a Photography ❣

No title available
DEAR READER

Andulka
will byers stan first human second
styofa doing anything
Jules of Nature
Alisa U Zemlji Chuda
d e v o n
No title available
YOU ARE THE REASON
Mike Driver
Not today Justin

tannertan36
Peter Solarz
we're not kids anymore.
Today's Document
noise dept.
ojovivo
No title available

seen from Germany

seen from United States

seen from United States

seen from Canada

seen from China

seen from Singapore
seen from United States
seen from Brazil
seen from Malaysia

seen from United States
seen from United States

seen from United States
seen from United States
seen from United States
seen from United States

seen from United States
seen from United States

seen from United States
seen from United States
seen from Germany
@evamariadegroote
Je vindt mijn schrijfsels in het vervolg op http://www.indegloria.blogspot.be/
Cool
Mijn kousen plakken aan mijn benen van de natte rit naar school. Ik steel een ochtend. Ik lanterfant. In de kleedkamer op de eerste verdieping van mijn huis kijk ik naar buiten. Een paar uren om te hangen in het stilgevallen huis. Mijn hart zucht. Alleen spijtig van mijn kompaan, de grote boom aan de overkant van de straat. Op een dag was er het onheilspellend zwellend geluid van een loeiende kettingzaag. Nieuwsgierig zoals iedereen ging ik kijken.
‘Oh!’ zei ik vanuit mijn deurgat. Mijn buurvrouw stond in het hare en oohde ook:
‘Oh, eindelijk verdwijnt die boom! Gedaan met de plakkende vuiligheid van die bladeren.’
Ik sloot mijn mond en zoog mijn oh weer op. Niet iets dat ik per se met haar wou delen. Mijn klein verdriet omwille van die boom die mij elke avond in het geheim, als ik voor het slapengaan even het raam opentrok om naar de nacht te kijken, aaide met zijn zachtritselend gebladerte.
Ik ruim de kleren in de kleedkamer op en kijk uit het raam. Omar stapt net in zijn auto, een glimmend uit de kluiten gewassen geval. Hij is de zoon van de Gents/Marokkaanse buurvrouw van een paar huizen verder. Toen een paar jaar geleden onze dochters elkaar vonden al krijtend op de stoep, werden we vriendinnen. Een vriendschap aangestookt door wederzijdse nieuwsgierigheid. Ze plaçeerde zich rondkijkend in mijn huis en lachte luid omdat ik haar muntthee aanbood.
‘Doe mij maar koffie.’
Als ik bij haar aanbelde werd ik in de gezellige keuken geleid en kwamen zussen, dochters en nichten kirrend bijzitten. We kokketteerden beiden met onze crossculturele vriendschap. Zij maakte Marrokkaans gebak voor mijn verjaardag. Ik zocht mee een nieuwe school toen haar jongste dochter zou moeten zittenblijven en dat onterecht leek. Na een dik jaar deinden de koffiekletsjes weg want we bleken toch minder gemeenschappelijk te hebben dan we graag aan elkaar toegaven.
Intussen was haar oudste dochter wel gestart met babysitten. Groot was mijn verbazing toen haar jonger broertje de eerste keer meekwam om haar te vergezellen, om te vermijden dat ze alleen zou zijn met een vreemde man. Het gaf een beetje ruis op het enthousiasme van de samenwerking. Want het kwam natuurlijk wel eens voor dat ik laat thuiskwam en het mijn vreemde man zou zijn die haar zou betalen en uitzwaaien. Hoe moesten we dat organiseren? Het organiseerde zichzelf. Na een keer of vijf bleek mijn man toegetreden tot de klasse ‘on-vreemde mannen’ en zei Naima toen ik aan de telefoon oeide en aide dat ik als laatste thuis zou zijn die avond, met onvervalst Gentse tongval:
‘Oh maar da’s cool, ze.’
Wat verder in de straat woont er een tandarts op rust. Hij is getrouwd met een geblondeerde dame die het met niemand in de straat goed lijkt te kunnen vinden. Ze heeft bliksemende armen en een houterige pas, haar dunne schouders staan wat naar voren getrokken, de cartooneske fysionomie van een onvervalste roddeltante. Ik probeer zo veel mogelijk te vermijden om haar op het lijf te lopen maar ze is in bezit van een erg handige haag om van achteren te springen en heeft mij regelmatig te pieren. Ze grijpt mijn onderarm en sist:
‘Hebdedagezien?’
Ik schud het hoofd.
‘Dat kleinste van de Marrokkanen, allez hoe oud is dat kind. Dat loopt nu ook al met nen doek.’
‘Badia? Die is zes. Ik heb da nie gezien dat ze met een hoofddoek rondliep. Misschien wil ze graag op haar grote zussen lijken? Allez goeienavond, hè,’ zeg ik en ik ruk mijn arm los. Meteen haakt ze in mijn andere arm, zo makkelijk kom ik er niet vanaf.
‘En diene slee van dienen zoon. Mohammed noemt hij zeker. Allez zeg mij nu ne keer hoe dat zo ne jonge gast dat kan betalen? Dat kan toch nie koosjer zijn. Ik wil ze niet allemaal over enen kam trekken maar dat is toch zeker een louche affaire.’
Ik trek mijn schouders op en doe alsof ik iemand zie in de verte die ik ken en ontsnap.
Zaterdagavond, halftien. Een drukke week, een schoolfeest en een aflevering in dochterlijk gezelschap van The Voice achter de kiezen. Nu is de kroost onder zeil. Ik zet een deuntje op. Een sms van een vriendin.
‘Waar blijf je?’
Pfff. Een feestje, maar ik ben moe en moet vroeg op morgen, bovendien heb ik geen babysit geregeld. Op de speakers van de computer klinken de beginnoten van ‘Dogdays are over,’ van Florence and the Machine. Ik zet het wat luider en doe een heerlijk eenzaam salondansje.
Run fast for your mother and fast for your father Run for your children for you sisters and brothers Leave all your love and your longing behind you Can't carry it with you if you want to survive
‘Naima? Zeg, sorry dat ik nog zo laat stoor, past het u soms om te komen babysitten?’
‘Bah ja, eigenlijk wel.’
Twintig minuten later staat ze aan de deur en sta ik licht opgetut klaar om te vertrekken.
‘Allez, da’s lang geleden dat ik u gezien heb, fijn dat je kon komen, zo last minute. Hoe ist?’
‘Goed! Druk bezig hè, komt veel bij kijken zulle, om onthaalmoeder te worden.’
‘Ja, dat kan ik mij voorstellen.’
Ze zwaait naar de overkant. Het is haar broer Omar die thuiskomt.
‘Goh,’ zegt ze, ‘ge moet dat zien, meneer is fier zulle. Hij werkt nu in een garage en hij mag van zijnen baas naar huis komen met een van de auto’s. Kijk ne keer hoe stoer.’
Een ogenblik giechelen we er samen om en grijnst hij ons toe terwijl hij binkend de straat oversteekt. Dan spring ik op mijn fiets en sluit ze de deur achter me. De wind is stevig maar ik laat mij niet ontmoedigen, ik ga stevig op de pedalen staan. Het is een lange rit, ik rij langs het water met de geknotte ontluikende bomen. Hun bladeren zijn al groot genoeg om te ritselen, de takken zwaaien meewarig in de vertellende wind.
The dog days are over The dog days are done Can you hear the horses 'Cause here they come
Tuiten
Ik ben dol op trouwpartijen. De eigenaardige mix van familie en kennissen, allemaal buitensporig opgetut. Het kruisen van de generaties met onder meer genante ontmoetingen op de dansvloer. De degeneratie van de zeden naargelang de avond zijn jas uittrekt. Het is heerlijke folklore om op te snuiven.
Eén ding dat mij van jongs af aan altijd opviel en intrigeerde bij de hoogtepunten van de diensten of tijdens de obligate tafelspeechen, was dat de oudere dames en dikwijls ook de heren, de tranen met een dikke krop moesten bedwingen of daar niet in slaagden en zich subtiel bedienden van het tafellinnen voor het onverwachts gedrup.
Wat is daar nu toch zo traanoproepend aan? vroeg ik mij meermaals af in mijn jeugdig onbegrijpen.
Tegenwoordig heb ik nog steeds veel mysterie voor mij liggen maar is er hier en daar ook al een flard inzicht in mijn gezicht gekletst. Die oudere tantes en nonkels, ouders en grootouders huilen tranen met tuiten omwille van de aankomende verwoesting van dat gretig starten. Onder invloed van : aanslepende verbouwingen, professionele zoektochten, uitputtende kindervreugde of juist strubbelingen en verdriet op dat front. En ook, en meer geniepig, is er : het stilletjes smelten van het alles kunnen.
In de krochten van het huwelijk zijn het de kleine ergernissen die de meest schade toebrengen aan de oorspronkelijke ongereptheid. Mijn echte genoot en ik bijvoorbeeld hebben de pech dat onze aangeboren neigingen voor ordening en organiseren totaal tegengesteld zijn. Het is als dagelijks knarsend zand in de routinemolen. Net in die schuifjes waar ik zo graag onregelbare rommel verzamel, heeft hij nood aan netjes naast elkaar georganiseerde rommel. En de prullen die niet meteen te organiseren vallen, die moeten in het zicht op de tafel blijven liggen tot er (n)ooit een geschikte opbergplek voor gevonden is. Dat terwijl het voor mij een overweldigende basisbehoefte is om dat soort prullen snel in die ene oh zo gezellige rommellade te proppen. Zucht.
Toen er een paar weken terug een extra project opdook in de kalender van de echte man, sprong ik meteen met een stoere muil mee op de kar.
‘Oh doe maar, zulle, ik red het hier wel.’
‘Ik zal dan wel vier weken zes dagen op rij van huis zijn, hè, ik zou daar ineens logeren.’
‘Geen probleem, wij trekken ons plan.’
De eerste dagen rol ik mij als een kind in mijn eigen systemen, routine en het grote bed. Het verwijderen van de uitverkorene geeft in eerste instantie opwinding en ruimte. Maar al na een week stel ik met overvolle kop vast dat het alleen runnen van een huishouden en uit werken gaan toch geen picknick is. Aan krantlezen kom ik niet meer toe. Het is rennen en springen van ‘s morgens tot ‘s avonds. Het enige wat ik thuis lijk te doen is boterhamdozen maken, ontbijt zetten, was insteken, afruimen, was uithangen, koken, afwassen, resetten, was opplooien, slapen en hopla : een nieuwe dag en alles weer opnieuw. De kinderen doen hun best maar missen hun verwekker in grote en vooral in kleine zaken. Cirkelrekenen. Vioolstemmen. Banden oppompen. Vergeten zwemzak nabrengen. Speelvechten in de zetel. Saucissen met appelmoes eten. Zo van die dingen.
Terwijl ik multitaskend kokend Frans opvraag aan de oudste is de kleinste onophoudelijk aan het zeuren. Die moet eens vroeg naar bed, bedenk ik. De middelste heeft examen viool overmorgen maar zit net in een fase dat vioolspelen oerstom is. Na het eten hervat ik mijn eeuwig aanmoedigen:
‘Allez kom, speel efkes, 10 minuten is genoeg.’
‘Ik wil niet zonder papa.’
‘Niets aan te doen, hij is er niet, kom, begin er aan.’
Ze draalt in de living met haar viool in de aanslag.
‘Ik kan er toch niets meer van, luister maar.’
Ze speelt luid en scherp secondenlang dezelfde twee noten om mijn oren te pijnigen. Prompt schiet een stuk jeugdsentiment in mijn lijf.
‘Ha!’ zeg ik, ‘dat is ook muziek zenne,’ ik schiet naar de computer en snor bliksemsnel ‘Suds & Soda’ op, van Deus, met de befaamde hinnikende vioolintro. Haar ogen groeien van verwondering. Vooral als ik bij het losbreken van het lied aan het headbangen sla. Na de song gris ik haar zuster vast en zeg glunderend bij het aanschouwen van haar verbazing:
‘Doe wat ge wilt, meisje, ik kan u niet dwingen. In elk geval, ik ga uw kleine zus in bed steken.’
Die kleine zus zet een boompje op over de afwezige ouder.
‘Ik wil papa. Waar is papa. Wanneer komt papa naar huis.’
En dan een ganse scene over haar nageltjes. Die werden gelakt op school. Nu kan ze haar vingers niet in haar mond steken zoals ze altijd doet om in slaap te vallen. Ik doe de lak er af maar door de nagelakremover kan ze nog steeds haar vingers niet in haar mond doppen.
‘Ge moet toch eens stoppen daarmee, hé lief.’
De oudste dochter passeert net langs de badkamer en zegt goedbedoeld:
‘Ja, anders krijg je vooruitstekende tanden zoals Emmy.’
Instant huilsalvo:
‘Ik wil geen tanden zoals Emmy!’
Ik breng haar tot bedaren, schrob haar vingers en stop haar weer in bed. Ik wrijf over haar neusje, ze valt bijna in slaap. Enkel het vechten tegen de vingers in de mond, houdt haar nog bij de wakenden. Plots zwiept de deur open. Glunderend staat de vioolspelende dochter in het deurgat. Ze speelt luid, feilloos en triomfantelijk de intro van 'Suds & Soda' meteen gevolgd door een nieuwe huilsalvo van de verslaafd vingerzuigende dochter die haar vingers nu in de oren heeft geplant. Zucht.
Beneden is het een ravage. Ik negeer de boel voor even en ga in de tuin staan. Het is net dat moment in de vallende avond dat de vogels sereneren. Het is merkwaardig stil verder. Geen auto’s op de achtergrond. Geen gejoel. Geen getier. Even pauze. De telefoon gaat. Ik neem op en ga weer op het kleine lapje gras staan. Het is mijn zuster. Ze vertelt vol blijdschap en opwinding dat ze plots in de top vijf zitten in het adoptieavontuur dat ze meer dan twee jaar geleden hebben aangevat. Ze ratelt dat ze het niet kan geloven, dat ze zich nu een soort van zwanger voelt, dat ze zich voorstelt dat ze binnen niet zo lang meer een kind zal wiegen in haar armen. Een enorme krop is geland in mijn keel. Ik formuleer een paar woorden van medeblijdschap. En dan stromen de tranen dik over mijn wangen. Ik veeg zo stil mogelijk mijn neus af aan de keukenhanddoek die aan de wasdraad voor mij hangt terwijl ze meandert in haar vertelling. De merel op de achtergrond geeft van jetje.
Film
Het overkomt mij soms op een lange werkdag dat ik in een vergadering zit en plots een soort elektrische scheut door mijn lijf krijg. Ik veer op met een licht schokje en moet vanaf dan elk grammetje zelfbeheersing aanspreken, en mijn gedachten bij hun schabernak houden, om de meeting uit te zitten en beleefd het gesprek af te ronden. Zo was het ook vorige donderdag, witte donderdag. Ik zou de avond in Brussel doorbrengen in fijn gezelschap, en was in gedachten al op weg daarnaartoe. Een zenuwachtig kwartier later slaagde ik erin in de meeting af te ronden. Ik griste nog snel een zoeternij met amandel mee uit de Indische supermarkt vlakbij, om straks mijn gastvrouw te verblijden, en vloog naar het station.
‘Ongeveer 35 minuten, hè, toch, doet-ie erover tot in Brussel-Centraal?’ vraag ik hijgend als ik neerzijg op de trein die ik nog net haalde voor de deuren piepend en onverbiddelijk sloten. Ik heb mijn telefoon in de aanslag om te laten weten in Brussel dat ik eraan kom.
De man rechttegenover mij kijkt mij aan alsof ik van Mars kom. Hij moet een stuk in de vijftig zijn, begin zestig misschien. Propere jeans, polotruitje, leesbril hangend op zijn borst. Hij tast secondenlang met zijn blik mijn gezicht af en zegt dan uiteindelijk traag articulerend en licht vooruitleunend:
‘I wouldn’t really know.’
Ah, een toerist. Een kort gesprek over ‘Bruges, so loveley’ en ‘leaving for the States tomorrow, oh really’.
Ik zit ingepakt door talen en toeristen. Links van mij bevindt zich het luidste ensemble, een vierzit gevuld met Spaanssprekende jonge vrouwen. Allemaal hebben ze glanzend bruin haar en aangezette ogen die hun donkere natuurlijke schoonheid benadrukken. Ze lijken wel een dresscode te hebben afgesproken: sneakers, jeans, hemdje met bloemprint, casual vestje, kleurig sjaaltje. De geföhnde haren gaan achter de oren en wippen weer voor de oren en achter de oren en voor de oren. Dat alles geflankeerd met een Spaans getetter en turbogekir dat het een lieve lust is.
Naast mij zit een ronde roodharige jongen met bril, zijn huid is rood van de eerste enthousiaste zon. Rechttegenover hem een oudere dame, ze draagt een pruik, een ouderwetse vrouwenbroek en een wollen jasje. Ze lijken elkaar niet te kennen. De ganse reis naar Brussel staart de jongen naar buiten en zit de dame met haar tas op schoot voor zich uit te kijken. Af en toe mompelt ze iets. Niemand reageert erop. Ik kijk haar even aan bij de eerste mompeling maar ze zoekt geen gesprek. Ze bazelt gewoon een beetje binnensmonds met tevreden blik.
We verlaten Brussel-Zuid. Zo meteen ga ik eruit. De dame delft uit haar tas een vershouddoosje. Wanneer ze het openklikt verspreidt zich meteen de kruidige geur van peperkoek doorheen het compartiment. Ze mompelt met een knik naar de jongen. Hij grist razendsnel een peperkoek uit het doosje en kijkt weer naar buiten.
Drie en een half uur later. Ik ben op terugweg van mijn dineerpartijtje. Ik loop Brussel-Centraal binnen om een late trein terug naar Gent te nemen. De sfeer is heel anders dan op de spitsmomenten waarop ik hier meestal passeer. Het lijkt wel een filmsetting. De weinige reizigers zijn als figuranten in de grote hall met de treinaanwijzer licht tikkend op de achtergrond. Ik loop de trappen af naar spoor vier. De trein gaat over vier minuten. Ook op het ondergronds perron is het erg rustig. Ik leun tegen de pilaar en ontwaar iemands blik. Een lange jongedame observeert me. Ze draagt een geklede lichte regenjas en een vierkante strenge bril. Ze heeft haar haren in een strakke vlecht. Ze draagt een aktentasje. Als ik haar aankijk produceert ze een fabuleuze glimlach. Ik glimlach terug.
Op de trein, in het compartiment aan de overkant, zit een man te dutten. Zijn hoofd deint zachtjes naar voren in een verende kadans om dan steeds met een zijdelingse zwiep weer rechtop te schieten. Aan zijn voeten heeft hij een hergebruiktas van Delhaize staan. In zijn hand een opengeklapte gsm in de aanslag. Plots rinkelt de telefoon. De man houdt zijn ogen dicht maar gaat rechtop zitten. Er ontstaat een gesprek in een taal die ik niet kan thuisbrengen. De man in de trein praat zacht. De man aan de andere kant van de lijn praat met luide en sterk articulerende stem. Vooral de laatste is aan het woord.
We komen bijna aan in Gent, ik ga nog rap naar het toilet en blijf ineens tussen de compartimenten wachten tot we er finaal zijn. Plots staat de lange jongedame naast me. Weer produceert ze een betoverende glimlach. Dit keer verschaft ze ook uitleg.
‘Grappig, ik had u al gezien op het perron daarnet en ik zei tegen mijn vriendin “kijk, die mevrouw zat ook in het komen op dezelfde trein als ik”.’
Ik knik en we staan glimlachend samen te wachten op het stoppen van de trein.
De fietsenparking van Sint-Pieters verlatend komt met de lichtzwoele lucht ook een ongeplaatste vorm van opwinding over mij geblazen. Het is het soort van reikhalzerij die gepaard gaat met de eerste lentenachten. De opwinding van het aankondigen. Het begint licht te regenen en ik versnel met de fiets. Het stevig trappen doet goed. De regen maakt de stad vers in geuren. Het geluid van de aanzettende bui is ontroerend in de stille straat. Uit het niets komt een taxi uit de bocht. Ik ga op de rem staan en ga onderuit. De taxi rijdt verder zonder te vertragen. Een paar tellen lang lig ik geblokkeerd op de grond.
‘Gaat het?’
Ook uit het niets legt een jonge man zijn hand op mijn arm. Hij zit gehurkt naast mij. Hij kijkt naar mijn gezicht en dan naar mijn been.
‘Blijf eerst even rustig zitten.’
De man heeft dreadlocks die zijn samengebonden in een knot boven op zijn hoofd. De zijkanten zijn kort geschoren. Ik kom op mijn positieven. De schade valt mee. Een gat in mijn nylonkous, een lichte schaafwonde.
‘Weet je,’ zegt hij terwijl hij zijn hand op mijn arm houdt,’ ik ben verpleger, ik werk op spoed. En als het zo regent na een lange periode van droogte, dan komt er zo’n filmpje op de weg. Het vuil vormt een film op de weg, ideaal om te slippen. Op zo’n dagen komt er de ene val- en slippartij na de andere binnen op de spoed.’
‘Ah, echt,’ zeg ik en ik probeer recht te krabbelen. Dat gaat goed. Hij laat me los en raapt mijn fiets van de grond. Die lijkt ongehavend. Ik gooi er mijn been over, half klaar om mijn weg verder te zetten.
‘Zal het gaan?’ vraag hij nog eens.
Ik knik.
‘Ik heb eigenlijk maar één advies voor u,’ zegt hij voor hij me laat gaan, ik kijk hem nieuwsgierig aan.
‘Wat ge ook doet, nooit remmen.’
Knipoogje
Een artikel in de krant over de Vlaming en zijn pensioen. Hij ligt er van wakker, zo wil het bericht, maar stelt de praktische aanpak (te) lang uit. In een enquete werden een aantal mensen uit de leeftijdscategorie 40 tot 75 ondervraagd over hun pensioen. Of ze er al mee bezig zijn, met dat leven na het pensioen. Of ze er al met iemand over hebben gesproken, juridisch/technisch. Of ze al stappen hebben ondernomen om de hachelijke toestand financieel voor te bereiden.
De dingen die niet passeren zonder innerlijke wrijving of irritatie zijn meestal dingen waar je iets kan uit opsteken, zo leerde ik al in scha en schande. Wat mij irriteert in dit artikel is de ondervraagde leeftijdscategorie. Sinds drie dagen bevind ik mij namelijk in de benoemde verzameling. Ondanks de rijkelijke pocherijen van de voorbije weken (‘oh, dat doet mij niks’, ‘ha, het begon toch op 40, hè), krijg ik bij dit artikel dat mij indeelt in de officiële on-jonge leeftijdsgroep last van ernstige verfrommelneigingen. Belachelijk, ik weet het. Maar het is niet anders. Diep ademen, schrijft de yogaleraar voor, stel het vast en laat het zijn.
De geniepige aandoening toont zich scherp in een aantal symbooldossiers. Het vermenigvuldigen der grijze haren - kleuren of niet kleuren. Het onderhouden van het lichamelijk paleis - joggen of niet joggen (de tempel is beter af met onromantische zwempartijen maar toch is daar steevast de fantasie om licht transpirerend als een gazelle de horizon in te rennen). De lengte van de rok - erover of niet erover (de knie). Ach, het is allemaal relatief. Kijk met mildheid naar uzelf, zegt de mindfulness guru, en laat het zijn. En vooral. Blijf rustig in- en uit ademen.
Los van de symbooldossiers die zich in sferen van permanent evalueren en toevoegen van nieuwe stukken in de bewijsvoering bevinden, zijn er ook van die acute momenten van verwarring en fronsende feitenanalyse. Aanschouw volgende scene.
Sociale setting: het ochtendlijk deponeren van de kinderen op school.
Vaststelling: knappe jonge vader is erg royaal met glimlach en goeiedag. Hij knipoogt verdorie!
Schok: knappe jonge vader is een heel stuk jonger, mogelijk bijna twintig jaar.
Lopend over de koer ontspint zich volgende reeks mogelijkheden:
A. de jonge vader in kwestie verspreidt graag goeie vibes en begint daar van ‘s morgens vroeg mee.
B. de jonge vader in kwestie heeft last van een positieve vorm van Gilles de la Tourette en knipoogt naar jan en allevrouw.
C. de jonge vader in kwestie knipoogde naar de jonge moeder vlak achter mij en het was allemaal een misverstand.
Terug bij de fietsenparking kom ik mijn favoriete collega van tram vier tegen. We kennen elkaar al sinds tram twee en hebben grut van dezelfde leeftijd. We wisselen snel wat practica uit over logementen en aanstaande schooluitstappen. Plots begint ze licht te haperen en maakt ze haar sjaal wat losser. Ik schiet in rondspiedende observatiemodus om het vreemde gedrag te verklaren. De adonispapa heeft zijn trofee in de kleuterklas geïnstalleerd en is op weg naar buiten. Zijn oogje knipte zich een weg naar het roze van haar wangen.
‘Goh,’ zegt ze, ‘hebdegijdatook, als die jonge papa’s zo vriendelijk naar u lachen, dat ge u dan een halve cougar voelt.’
Ik knik fel en we vallen elkaar giechelend in de armen. Wat heerlijk om compagnonruiter te hebben, een medegazelle in dit fantastische en verwarrende bestaan.
Niets zen of rustig ademen. Eens goed galopperen, ja. Man, dat kan deugd doen.
Trans
Een doodgewone dinsdag. Ik loop wat voor op mijn agenda en wip binnen in het shoppingcenter op het Zuidplein om een kadootje op de kop te tikken voor een binnenkort jarige. Ik neem de zij-ingang van het verschrikkelijke doch praktische complex, het is de ingang die mij door de Hema loodst.
‘Hier heb ik niks nodig. Hier heb ik niks nodig,’ prevel ik in mezelf maar zoals gewoonlijk kan ik niet weerstaan aan de kousenrayon in het midden van de winkel. Ieder heeft zo zijn fixaties. Ik koop enorm graag gekleurde nylonkousen. Terwijl ik innerlijk sta te onderhandelen of ik nu echt die tint oranje nog nodig heb in mijn garderobe, valt mijn blik op de man naast mij wat verder in het kousenwalhalla. Het is een vrouw. Het is een man gekleed als vrouw. Of beter, als bomma. Intrigerend. Een man van in de veertig. Zijn haren halflang, het zou evengoed een mannencoupe kunnen zijn maar door de manier waarop het gedrapeerd is, lijkt het op een vrouwenkapsel. Hij draagt een ouderwetse plooirok en platte schoenen, compleet met bruine nylons, een witte blouse en een min of meer bijhorende tas. Hij is niet opgemaakt. Het is gewoon een man als vrouw verkleed. Plots besef ik dat ik ‘m schaamteloos zit te bestuderen. Hij kijkt echter niet opzij. Hij is duidelijk getraind in het trotseren van blikken. Hij gaat op in de kousen. Klaarblijkelijk deelt hij dezelfde passie én dezelfde vertwijfeling over de noodzaak tot aankoop.
Een paar dagen eerder hadden mijn collega en ik een meeting belegd met twee jonge mensen uit de holebibeweging. Eerder legden we een traject af met een Kroatische kunstenaar die als journalist en organisator werkt in Zagreb. Hij is ook een verdienstelijk sportman. Hij zet projecten op rond het concept ‘the Queering of Sport’. Het idee is - kort gezegd - de sportwereld als een uniek experimenteerterrein te bekijken om aan te zetten tot sociale, culturele en politieke verandering. Tijdens zijn verblijf in Gent organiseerde hij onder meer wedstrijdjes PinkPong (extra punten voor ‘queer gestures’) en initiatielessen synchroonzwemmen voor alle geslachten (in zwembad Rozebroeken). We creëerden ook, samen met enkele andere makers, een kickertafel waarbij de stereotype figuurtjes werden vervangen door erg diverse figuren in vorm en uiterlijk. Toen het project was afgerond, beslisten we het er niet bij te laten en een workshop te ontwikkelen waarbij de kickertafel een tool wordt om met jongeren rond gender en seksualiteit te werken. Daarvoor zochten we extra expertise en partnership, onder meer uit de holebibeweging.
We zijn in afwachting van de komst van onze gasten en mijn collega - die mij altijd verstelt met haar parate kennis over de meest uiteenlopen zaken - overloopt eventjes wat termen. Ze is veel meer thuis in het gendergebeuren dan ik en is er niet duidelijk niet gerust in of ik het allemaal wel goed begrepen heb.
‘Dus,’ vat ze aan met besliste handbewegingen,’ het gemakkelijkste is eigenlijk seksuele voorkeur. Je valt op mannen of op vrouwen of op allebei. Klaar. Daarnaast heb je geslacht. Dat lijkt simpel - jongen/meisje - maar is eigenlijk al een stuk complexer. Er is heel wat onderzoek dat aantoont dat geslacht, net als gender, een spectrum is waarbij onder andere hormonen en anatomie een grote rol spelen.’
Ik begin al te fronsen maar ze gaat door.
‘En dan heb je genderidentiteit. Eigenlijk is dat je psychologisch geslacht. Meestal valt je genderidentiteit en je biologisch geslacht samen. Maar het kan ook gebeuren dat je je bijvoorbeeld een meisje voelt in een jongenslichaam of omgekeerd. Ook hier : veel variatie mogelijk. Denk niet binair, denk spectrum.’
Ik wil een vraag stellen en leun naar voor om dat duidelijk te maken maar ze blikt me streng toe het niet te wagen om te onderbreken.
‘En dan heb je ook nog genderexpressie. Dat is wat je naar buiten brengt. Hoe je je toont aan de buitenwereld. Welke rol je opneemt. Hoe je je kleedt. Natuurlijk zijn ook hier weer veel variaties mogelijk. De meeste mensen hebben vleugjes mannelijke en vrouwelijke kenmerken in hun genderexpressie. En ja, dan heb je natuurlijk ook nog culturele en contextuele verschillen.’
Ik wil eindelijk een vraag stellen als de twee jongemannen die we verwachten aan de deur verschijnen. We verwelkomen hen en schetsen de voorgeschiedenis en de context van de plannen waarin we hen hopen aan boord te heisen als trainers. Het lijkt een goeie match. Marc vertelt over zijn ervaringen om workshops te begeleiden met jongeren rond holebithema’s. Peter heeft niet zozeer ervaring in het werken met jongeren.
‘Maar, zegt hij, ‘ik ben zelf transgender en geef als vrijwilliger vormingen aan volwassenen over het thema.’
‘Fijn,’ zegt mijn collega enthousiast,’ zullen we eens de concrete uitwerking overlopen die we in gedachten hadden?’
Ze zit aan de overkant van de tafel en steekt van wal. Terwijl onze gasten vol aandacht haar uiteenzetting volgen, kan ik ongegeneerd gluren naar Peter. Een transgender. Ik moet toegeven dat
A. ik er geweldig door gefacineerd ben en
B. ik het nog steeds niet goed begrepen heb.
Hij ziet er uit als een man. Het lijkt er sterk op dat hij geboren is als man. Zijn outfit is neutraal. Zijn gestes zijn neutraal. Hoe zit dat dan juist, dat transgender. Terwijl hij aandachtig van mij wegkijkt naar de andere kant van de tafel waar mijn collega op de computer een aantal schetsen overloopt, stel ik mij stukjes uit zijn leven voor. Een aaneenrijging van trotsementen. Ma. Pa. School. Pesterijen. Onbegrip. Eerste gefrutsel. Beseffen dat er iets anders bedraad is. Eerste verliefdheid. Aanvaarden dat de dingen niet doorsnee marcheren.
Tjonge, denk ik bij mezelf, dat vraagt ballen zeg, niet voor mietjes. Ik sla mijn hand voor de mond alsof ik dat luidop gezegd heb. De twee mannen kijken mij plots aan. Nee, niets hoor, gebaar ik naar hen en mijn collega. Doe gerust verder.
Pechvogel
‘Ge meent het niet, hè,’ zegt hij ‘s morgens aan de schoolpoort als ik hem een stapel kranten overhandig (zijn vrouw en ik beslisten om aan krantdelen te doen), ‘en ik die content was dat we van al dat papier verlost waren.’
Ik vergeef het hem, hij zit in een fase van chronisch klagen, het is een verstrikking die ieder van ons wel eens treft. In het beste geval is het een tijdelijke aandoening.
Aan de deur van het kinderdagverblijf in de school, een brief.
‘Gelieve als vieruurtjes voor uw kind geschilde appels mee te geven, wij hebben geen tijd om voor ieder kindje appels te schillen.’
Wat later op de fiets passeer ik twee dames, een stukje conversatie.
‘Niet dat ik ne racist ben, hè, maar onze Turkse medemens, die parkeert eender waar het uitkomt. Allez, dat is hier nu toch echt gevaarlijk zo.’
Op het terrein waar ik een vergadering heb, een flard gefoeter.
‘Die studenten, geen respect hebben die. Dat gooit zijn fiets maar eender waar. Of daar nu toevallig een doorgang is die mensen nodig hebben om op hun werk te geraken, daar kijken ze niet naar, hoor.’
In een vergadering, een openingszin van een collega met ferm gekruiste armen leunend op een bolle buik.
‘Eerste punt op de agenda. Kunnen we in het vervolg trachten om op tijd te starten. Het is toch een elementair stukje respect voor de anderen, nietwaar.’
Tijdens de lunch, aanschuivend aan het buffet, de dame voor mij tegen haar gezel.
‘Nee maar echt, doe dat maar eens hè, pendelen elke dag. Dat is dus een serieuze vermindering van uw levenskwaliteit, zulle. Elke dag niet weten wanneer ge thuis gaat geraken. Sowieso jong, elke dag zoveel tijd moeten rekenen om op uw werk te geraken. Dat is de hel, ik zeg het u.’
Na een andere vergadering, iemand met besliste hoofdbewegingen.
‘Dat die één daar altijd zo uitgebreid moet uitleggen waarom ze wat vroeger uit de meeting moet vertrekken, daar word ik dus groen van, hè. Who cares, jong.’
In de Indische supermarkt, de uitbater, met tandpastaglimlach.
‘Slecht weer, hè. Altijd slecht weer hier.’
Aan de muziekschool wachtend op dochters, een ouder die graag waar voor zijn geld krijgt.
‘Vind jij dat kunnen, als je voor 20 minuten vioolles betaalt, dat het dan meestal in de praktijk maar 15 minuten is én dat die les dan meestal minstens 10 minuten te laat begint?’
Thuisgekomen blader ik even door de krant alvorens aan de avondshift te beginnen, ik stoot op een artikel. ‘De voor- en nadelen van een potje steen en been klagen.’ Dat we klagen blijkbaar nodig hebben om stoom af te laten, zo wordt gesteld. En dat we meer klagen dan vroeger omdat we de lat hoger leggen op alle fronten en dus meer falen te beklagen hebben. Niet om een zeurmelodietje te plaçeren, maar het is nogal een slap artikel. Het intermezzo wordt onderbroken door de jongste dochter die met hangende schouders door de living dweilt en een klaagzang aanvangt met als opening:
‘Ik heb een stom huis, er is hier gewoon niets om mee te spelen.’
Wat later, de oudste, in een poging schoorvoetend te tornen aan het huishoudelijk reglement:
‘Pfff, mijn vriendin, die mag wél elke dag op de tablet.’
In het kleurrijk geschakeerd mopperkoor waar ik dagelijks doorlaveer, is er feitelijk maar één afdeling die me echt muizenissen bezorgt en dat is het geklaag van mijn middelste dochter. Zij klaagt anders. Zij klaagt inwendig. Mompelend. Ik tracht op regelmatige basis haar bolster open te wrikken, mijn stethoscoop er in te wringen om zo haar klachten op te tekenen en op zoek te gaan naar een werkende zalf.
‘Ik heb zo’n pech,’ zegt ze, ‘want ik ben zo gevoelig aan mijn hoofd en dan moet net ik zo’n strophaar hebben, dat zo veel moet geborsteld worden. Het lijken wel naalden in mijn hoofd. Ik heb zo’n pech, want ik ben zo onhandig. Ik val altijd en dan doe ik mij pijn én dan ben ik meestal nog te laat ook. Ik heb zo’n pech want ik kan niet goed tegen luide geluiden en er zijn zoveel luide geluiden. Ik kan die niet afzetten. Ik heb zo'n pech want ik hou zo van poezen en ik ben er allergisch voor.’
De samenstelling van de zalf is bij deze dochter van een veel complexere makelarij dan bij de andere twee dochters.
Een nieuwe dag. Ik veer uit bed om yogaoefeningen te doen vooraleer aan de boterhamdozen te beginnen. In het kleine kamertje ruk ik een blaadje van de ‘World Calendar of Happiness’ scheurkalender. Vaak degusteer ik de spreuk van de dag zuchtend omwille van de plakkerigheid van de boodschap. Soms glipt de leuze mee mijn dag in en zetten de gelukdsorders aan tot kleine experimenten en onverwachte ontmoetingen. Vandaag:
‘Voor een moedig man zijn geluk en pech als zijn rechter- en linkerhand. Hij gebruikt ze beide.’
Als we later klaarstaan om naar school te vertrekken, trek ik de middelste dochter zachtjes bij de hand naar het toilet en wijs naar de leuze van de dag.
‘Wat denk je daarvan. Snap je er iets van?’
Ze leest de leuze, trekt haar schouders op en leest ‘m nog eens.
‘Ik denk het wel. Geldt het ook voor meisjes?’
Repelsteeltje
Plots stond hij daar. Een wat oudere man met zo’n antiek aandoende metalen montuur en priemende ogen gestuwd door een gebeitelde glimlach. Hij kwam binnengewandeld in het stadslabo waar ik werk, het was laat in de namiddag, ik trachtte nog iets af te werken vooraleer naar huis te gaan.
‘Ik ben benieuwd wat jullie hier doen. Kan je mij een woordje uitleg geven?’
Inwendig zuchtte ik even, om dan al meteen te aanvaarden dat het toch niet meer zou lukken om af te werken wat ik gepland had voor die dag. Ik stak van wal en vertelde over onze aanpak, onze geschiedenis, over de methodes die we ontwikkelen.
‘Erg boeiend. Maar vandaag wil het niet echt vlotten?’
Hij genoot van mijn verraste blik.
‘Hoe bedoelt u?’
Hij zette zijn aktentas op tafel.
‘Welja, dat kon ik aflezen uit uw lichaamstaal toen ik binnenkwam. Zal ik u eens iets vertellen?’
Ik knikte wat aarzelend en ging er voor zitten. Hij keek een paar tellen rond en spotte een flipover. Na een ‘mag ik’ gebaar, trok hij de flipover naar ons toe, nam een nieuw blad en een stift en ging aan het schetsen. Enkele simpele tips timemanagement, zo begon hij zijn betoog. Het ging er volgens hem om de A van de B taken te onderscheiden en de A taken in de beste concentratie uren te plaatsen. Hij had het met vuur over emailhygiëne, de kunst van to do lijstjes maken, over het opbrengen van de discipline om taken af te werken, en over het maken van afspraken met collega’s over ongestoorde werktijd.
Plop. De dop ging weer op de stift.
‘Zo, ik moet gaan. Fijne kennismaking,’ zei hij met vooruitgestoken hand. Ik schudde zijn hand, hij kneep hard en keek mij nog eenmaal priemend aan. Een jaar later staat hij plots weer op kantoor. Het lijkt wel Repelsteeltje.
‘Ik dacht, ik spring eens binnen. Hoe gaat het?’
Glimlachend schud ik zijn hand. Ik vertel hem dat ik zijn tips ter harte heb genomen en dat ik in de maanden na onze ontmoeting had ondervonden dat het een groot verschil maakte om een aantal regels timemanagement in acht te nemen.
Hij knikt tevreden, zijn glimlach nog breder strekkend.
‘En wat is dat hier?’
Hij wijst naar de projectmuur waarop we projecten visualiseren. Hij zet zijn aktentas op tafel en stelt een paar vragen. Zijn oog valt op een groot wit blad. Hij gaat weer aan het schetsen. Het zijn de basics van projectmanagement dit keer. Van vertoeven in de ‘fuzzy front end’, over structureren, criteria en stroomschema’s opstellen tot het bereiken van doelstellingen, enzovoort. Plop, een halfuur later gaat de dop weer op de stift.
‘Wilt u een koffie?’ haast ik mij te zeggen.
‘Welja.’
Wat later staan we elk met een kop buiten een zonnestraal te vangen.
‘Ik ben benieuwd,’ zeg ik tastend. Hij draait zijn hoofd naar me toe en ik ontwaar een uitnodiging in zijn blik.
‘Wat is uw verhaal?’
‘Wat wilt u weten?’
‘Hoe oud bent u?’
‘56’
‘Doet u dit voor de kost?’
‘Ja, ik doe dit voor bedrijven, maar af en toe las ik een dag in om rond te slenteren en mijn neus te volgen. Dan loop ik binnen op plaatsen om de sfeer op te snuiven en te zien waar mensen zoal mee bezig zijn.’
Hij neemt een grote slok koffie. Het kopje landt terug op het schoteltje in zijn hand.
‘Nee, ik heb dit niet altijd gedaan. Ik startte een bedrijf op jonge leeftijd. Met veel risico’s, maar het lukte, het was succesvol. Het was een kick om elk jaar te groeien. Een aantal jaren lang groeiden we gestaag met 30 procent per jaar, dat is enorm. Ik deed het graag, ik leefde ervoor. Mijn vrouw, die liet mij doen. Op een bepaald moment draaide ik systematisch werkdagen van 16 uren. En toen op een dag belandde ik in het ziekenhuis met hartfalen. Ik was nog redelijk jong voor zoiets, ik had het helemaal niet zien aankomen. Ik moest door een lange herstelperiode. Ik verkocht mijn bedrijf - voor te weinig geld trouwens - en ik moest aanvaarden dat ik nog maar 30 procent van de kracht had als voordien. Dat was een lastige periode. Ik ging mij interesseren voor allerlei methodieken in time- en projectmanagement. Ik las er alles over, maniakaal. Ik had een gans ander leven kunnen hebben, had ik toen geweten wat ik nu weet. Had ik het anders en meer gedoseerd en overwogen aangepakt. Maar ik ben niet malcontent. Ik vul mijn dagen met dingen die ik graag doe, met fijne ontmoetingen.’
Bij die laatste woorden heeft hij alweer zijn hand uitgestoken en zijn glimlach klaar. Hij bezegelt ons gesprek met een stevige handdruk.
‘Fijne dag nog!’
Hij neemt zijn aktentas en is weer weg.
Günaydin
Het is mijn vrije ochtend. Ik ben druk bezig om de drang de wereld in zakformaat binnen te laten, te weerstaan, als het vast telefoontoestel rinkelt, stilaan een met uitsterven bedreigd geluid in de mobiele jungle. ‘Ja, hallo?' De dame aan de telefoon laat weten dat de schoenen die ik bestelde, zijn aangekomen. Of ik er om kan komen. Ik wip op de fiets en rij de grijze dag en de stad in. Vlakbij het stadhuis parkeer ik mijn fiets. Het laatste stukje ga ik te voet. Uit het slenteren rondom mij maak ik op dat er vooral toeristen in de Hoogpoort rondlopen op dit uur. En hier en daar een student met wat meer haast. Oh, daar loopt euh..dingske. Hoe heet ze ook weer. Het is een tijd geleden dat ik haar zag. ‘Aslihan!’ Ik zwaai naar de vrouw wat verder in de straat. Onze dochters zaten samen in de kleuterschool. Bij de kinderdrop ‘s ochtends geraakten we steevast aan de praat. Ik vond haar grappig en sympatiek, en ook vond ik het opwindend om eens een echt contact te hebben met een van de Turkse mama’s op school. De meesten leken mij systematisch te negeren tot mijn dagelijks onbegrijpen. Ik probeerde eens aarzelend een ‘günaydin’ in plaats van een goeiemorgen, zonder resultaat. Vonden ze dat belachelijk? Sprak ik het verkeerd uit?
Aslihan stilde gretig mijn nieuwsgierigheid om meer te weten over haar achtergrond, haar opvoeding, haar levenstijl. Ze nodigde me uit bij haar thuis. Terwijl onze dochters samen speelden, stelde ze me voor aan haar vier zussen. Ze waren erg verschillend maar zeer verbonden met elkaar, dat was duidelijk. Twee van hen woonden zelfs bij haar in. Een paar weken erna vroeg ze me mee naar een concert in een bekend Turks muziekcafé. Er was een gerenommeerd internationaal trio aan het werk en ze glom van trots bij de prachtige muziek. Ze zei lachend: ‘Zie je, ik ben een Gentse Turkse en ik ben vree content.’ ‘Hey Aslihan,’ zeg ik nog eens, wat luider nu en ik loop naar haar toe. Ze reageert aarzelend. Ze heeft nog steeds die hippe hoornen bril met daaronder de kleurrijke make up die haar ogen zo mooi doet uitkomen. Haar haren draagt ze in een asymetrische snit, haar laarsjes passen perfect bij haar outfit. ‘Hey, hoe is het met Aysel?’ ‘Ja, ça va ça va.’ ‘Oei?’ ‘Awel ja, ik maak mij zorgen. Ze wordt wat gepest op school. Dat kind valt tussen twee stoelen, he. Ze voelt zich een meisje van hier maar als het er op aan komt wordt ze toch niet echt geaccepteerd. Niet door de .. ja.. noem het witte kinderen en ook niet door de Turkse. Ja, ik maak mij zorgen, zulle, ik zie haar dichtklappen en wegkwijnen. Ik weet niet hoe ik haar kan helpen. Soms voel ik mij schuldig. Had ik haar meer traditioneel opgevoed, dan zou ze nu misschien toch bij een van de twee groepen kunnen aarden.’ We staan in het midden van een winkelstraat in hartje Gent. Het is een rustige ochtend. Het grijs begint wat op te trekken. Aslihan kijkt naar de grond. Ik gluur zo’n beetje onwennig naar haar gezicht, naar haar handen. Ze wrijft ze wat willekeurig tegen elkaar. ‘Ja, en dat is niet alles, jong. Allez, ik werk nu al meer dan tien jaar als medisch secretaresse in een klein ziekenhuis en ik doe dat eigenlijk zeer graag. Een leuke werksfeer, ik voelde mij altijd gerespecteerd en op mijn gemak. Maar nu hebben we in onze familie twee sterfgevallen kort op elkaar gehad en dat heeft mij erg getroffen. Vooral van de zus van mijn vader heb ik echt afgezien. Wij hangen hecht aan elkaar als familie, he. En mijn tante, ook als was ze wat ouder, zo weggerukt door kanker.. Ik stortte in en nam ziekteverlof om dat te verwerken. Kort daarna stierf er nog iemand in de familie en was ik weer een paar dagen thuis. En toen begon het. De mensen die al tien jaar mijn collega zijn, lieten zich plots vreselijke dingen ontvallen. Dat wij Turken het wel makkelijk hebben, met zo’n grote families. Dat we toch niet voor elk sterfgeval een week of langer konden thuisblijven, dat er zo al weinig genoeg werd gewerkt. En nog meer van dat soort praat.’ Tijdens haar verhaal maakt ze voortdurend drukke bewegingen met haar armen. Korte bewegingen met veel kracht en verontwaardiging. Dan vallen ze slap, haar armen. Ze hangen naast haar lichaam. Haar ogen zijn klein. ‘Allez en nu he, lijkt het alsof alles veranderd is. Nu voelt het alsof ik hier eigenlijk nooit heb thuisgehoord, kan je dat geloven? Ik ben hier geboren, ik heb nergens anders iets te zoeken en toch voelt het niet meer als mijn thuis.’ Ze hapt even naar adem. ‘Allez, mijn zussen en ik, wij spreken perfect Nederlands, we hebben allemaal jobs en al. Maar als het er op aan komt..’ Ze steekt haar handen in haar zakken. Ik had de mijne al in mijn zakken. Zo staan we daar, ogenblikken lang naar elkaar gekeerd zonder woorden. Uiteindelijk haalt ze adem en vraagt: ‘En met u, alles goed?’ ‘Ja, met mij alles goed, merci.’ Nu ben ik het die aarzel, voor ik mijn volgende woorden gevonden heb, zegt ze: ‘Allez, ik moet naar mijn werk. De groetjes thuis, he.’
Drama
Ondergronds perron 4 van Brussel-Centraal. Ah de grootstad. De trein die je op het oog hebt, vertrekt van dit perron binnen vier minuten, toch zullen er eerst nog twee andere treinen stoppen om reizigers op te slokken. Een drukte van jewelste. Mensen met plooifietsen, mensen met muziekoortjes, mensen met aktentassen. De trein die de mijne wordt, komt aan. Een rij supporters ontstaat aan de deur. Mensen stappen uit en blijven uitstappen. Een, twee, drie en los. De ene moeizaam van de drie treden en voorzichtig landend op vaste grond, de ander vlot vliegend de trein verlatend. Ik sta in een rij van een man of acht, geduldig wachtend om in te stappen. Fluitsignaal. Ik kijk opzij naar de conducteur. Zou die het menen: de deuren sluiten als er nog mensen staan aan te schuiven. Stoicijnse blik terug. Ja dus. Dan maar een brokje verplichte intimiteit. Kan meevallen. Kan tegenvallen. De man in toevallige kwestie verwelkomt mijn gedwongen gedrum. Ik ga liefst zitten waar er vier plaatsen zijn. Ik vind het aangenaam om wat plek te hebben voor mijn blik. Maar zo’n box voor vier is niet vrij. Wel nog een tweezit. Ik ga aan het raam zitten. Tussen de zetels hangen er bordjes met slechtgeformuleerde uitnodigingen tot hoffelijkheid. ‘Reizigers zetten hun bagage niet op zitplaatsen. Behalve wie denkt dat spullen ook leven.’ Ik haal mijn tas van de zetel naast mij, de man die op dat moment passeert, neemt de uitnodiging met genoegen aan. Het is een grote man, op leeftijd, corpulent. Het is wat claustrofobisch zitten. Hij houdt zijn aktentas voor zich uit, rustend op zijn knieën. Hij heeft een lichtglanzend grijs maatpak aan, kraakwit hemd. Zijn wit haar - overvloedig aan zijn slapen, in strookjes daartussen - is frisgewassen, dat zie ik aan de wolligheid. Zijn nek deint een beetje. Hij hijgt licht. Mijn blik doet hem opzij kijken. 'Werk je in Brussel?’ ‘Nee,’ zeg ik wat aarzelend, ‘maar ik ben er vaak voor vergaderingen.’
Ik zit gewrongen tussen twee ramen wat uitzicht betreft. Dan richt ik mij maar op zijn tweezitgezel voor wat landschap.
‘En u, werkt u in Brussel?’
‘Oh nee, ik ben gepensioneerd,’ zegt hij met een jolige blik. ‘Maar ik werk af en toe als consultant.’
Het magische woord: consultant. Zet het op je blog en en de aanbiedingen stromen binnen, hoorde ik iemand vertellen onlangs.
‘En wat is uw veld van expertise?’
‘Sociale zekerheid.’
De man leeft op.
‘Ja, nu ik niet meer actief in het veld sta, kan ik vrij advies geven. Ik kan al eens een stout voorstel op tafel gooien.’
‘Zoals?’
‘Zoals een bijgestuurde regeling voor kinderbijslag. Sommige gezinnen hebben die kinderbijslag echt nodig om te overleven. Andere minder. Er zijn correcties mogelijk die een hertekening van het huidig systeem mogelijk maken.’
Ik stel wat bijvragen en we belanden in een korte treinstilte.
‘Ik ben benieuwd,’ zeg ik, ‘wat vindt u van het idee van gegarandeerd basisinkomen?’
Hij kijkt geschrokken opzij, herpakt zich en zegt:
‘Iedere generatie maakt die oefening wel eens.’
Hij maakt een van de tafel vegend gebaar.
‘Ik weet er natuurlijk weinig over maar het lijkt mij een enorm interessante oefening om te maken. Stel dat we een systeem van gegarandeerd basisinkomen hadden, zou dat geen enorme hertekening kunnen zijn en een mogelijk antwoord op een aantal grote uitdagingen?’
Hij kijkt voor zich uit en luistert als een priester naar de biecht van een zoekende gelovige terwijl ik ratel over tijd en ruimte om met voeding en gezondheid bezig te zijn, het waarderen van sociale cohesie en gezinszorg en het verschijnen van een nieuw soort commons waarbij mensen een stuk tijd investeren in gemeenschappelijke projecten.
Hij wacht even tot ik uitgesproken ben, haalt diep adem en zegt:
‘Weet je waar ik het lastig mee heb. Die jonge generatie, die wil alles. Die willen goed betaald worden én vinden het normaal om naar huis te rennen als hun kind een oorontsteking heeft. Wel dan vond het ik oude systeem zo slecht nog niet. De taken werden verdeeld. De man zorgde voor de stabiliteit, de vrouw voor de kroost..’
Ik kan het niet laten te onderbreken.
‘De jonge generatie, u bedoelt de mijne of de twintigers van vandaag? Mijn generatie zou ik immers de ‘burn out generatie’ durven noemen. Niet dat ik een pessimist ben, ik kijk er naar uit om een leven lang te werken, te leren en te groeien, maar dan wel graag op een andere manier, met een betere werk/leven balans dan voorheen..’
‘Ach ach, op pensioen moeten op je 60ste is ook niet van de poes zulle. Het is een gat vallen, in een groot gat en plots zien wat het echte drama is.’
Ik kijk hem nieuwsgierig aan.
‘Beseffen dat je er niet bent geweest voor je kinderen. Dat je hun jeugd zo goed als hebt gemist.’
Nu ben ik stil. De trein vertraagt lichtjes, we komen bijna aan in Gent. Ik veer licht op, teken dat ik moet passeren. Hij gaat staan, ik passeer en trek m’n jas en muts aan. Hij kijkt op, ik knik ‘m toe en ga in het rijtje tussen de zetels staan om straks af te stappen. Buiten is er een prachtig voorjaarsschouwspel aan de hand. Donkere wolken met fel licht schitterend er achter. De torens van Gent in een nakende avondgloed.
Amen
Ik kom thuis en krijg de voordeur niet open. Er staat langs de binnenkant een fiets tegenaangeleund. Een meter verder ligt er een boekentas, met de flap open, een drinkbeker er uitgerold, een jas ernaast op de grond, handschoenen, fietshelm. Met mijn muts over mijn ogen gezakt en mijn sleutel nog in de hand, schreeuw ik er de dochter in kwestie bij. Ik steek een hele litanie af over gemaakte afspraken alhier, en respect voor de ander aldaar. Ik gooi er nog een ‘dat het gedaan moet zijn' bovenop. Ik stel vast dat ik veel te luid roep. Schijnbaar niet onder de indruk raapt de dochter de spullen bij elkaar en gaat dan verder in haar strip lezen in de zetel.
Man legt de laatste hand aan het avondeten. Borden komen op tafel. Ik schuif aan. Terwijl ik de eerste hap binnenwerk, loopt er een bericht binnen op mijn telefoon.
‘Durf niet, he.’
‘Was ik niet van plan, zulle,’ lieg ik.
Ik liet mijn bureau achter in onvoldane toestand. Mails onafgewerkt. Zou het een bericht zijn over de meeting morgen? Vast wel. Wil het echt weten. Ik wip van mijn stoel.
‘Uh uh,’ zegt hij met de vinger omhoog, ’iedereen blijft zitten tijdens het eten, ook moeders.’
‘Mja, maar ik heb dorst, ik pak even wat water.’ Terwijl ik een glas uitschenk, strek ik mij naar mijn telefoon om snel het bericht te openen. Ik ben alweer mijn mijn hoofd ver weg van de eettafel verwijderd.
Ik zie het nooit aankomen. Dat moment van in overdrive gaan. Dat moment waarbij efficiënt werken omslaat in teveel werken en waarbij je vreemd genoeg steeds minder gedaan krijgt. Rondrennen vanne ‘drukdrukdruk’, geobsedeerd mails in de gaten houden, dwangmatig digitaal verbonden zijn. Het is een beetje alsof je een alienachtig groot hoofd krijgt met rondzwiepende tentakels, en een lichaam dat steeds kleiner en nietiger wordt. De antigiffen zijn genoegzaam bekend: buiten lopen, sporten, een boek lezen, maar eens je vertrokken bent voor een ritje tunnelvisie zijn die dingen ver van de planning verwijderd. Dan ga je slapen met versnelde harteklop en sta je op met lichte ademnood.
De manueel therapeut die ik frekwenteer is een maand op reis. Ik heb er een innige band mee. Niet alleen omdat het mijn zuster is maar ook omdat ik een getorst kunstwerk van een rug heb, dat veel onderhoud vraagt. Mijn ribbenkas gijzelt mij nu, mijn onderrug is een blok beton. Ik zoek bevrijding bij een vervanger.
‘Het recht om onbereikbaar te zijn’, lees ik in de krant in de wachtkamer van de vervangtherapeut, over het hedendaags verband tussen altijd en overal bereikbaar zijn en de moderne plaag ‘burn out’ genaamd. Ik wil toch nog snel iets checken voor ik offline ga tijdens de behandeling, ondanks het artikel. Vreemd zeg, mijn telefoon blokkeert. Ik kan niet anders dan ‘m helemaal uitzetten. Ok ok, gesnopen, het artikel, de blokkerende telefoon. Ik berg ‘m op en ga ongewapend op de stoel zitten. Meteen lijkt de ruimte groter te worden. Ik merk het gefluit op van de vogels buiten, die denken dat het lente is. Het vreemde voetmassageding. De vele geboortekaartjes op de vensterbank. Ik zucht. Een tekst hangt afgedrukt recht voor mij. Ik ga staan om ‘m te lezen.
This is your life. Do what you love and do it often. If you don’t like something, change it. If you don’t have enough time, stop watching tv. Stop over analyzing. All emotions are beautiful. Life is simple. When you eat, appreciate every last bite. Open your mind, arms and heart to new things and people, we are united in our differences. Travel often. Getting lost will help you find yourself. Some opportunities only come once, seize them. Life is about the people that you meet, and the things you create with them. So go out and start creating. Life is short. Live your dream, and wear your passion.
In de naam van de vader, de zoon en de heilige geest,
Over de courage hebben om niet perfect te zijn en kwetsbaarheid te tonen. Ingefluisterd door Kathleen Melis.
Yogi nonsens
Het geheim van een (zeer) late dertiger om in enigszins genietbare toestand te blijven functioneren, is het op tijd en stond inbouwen van ventilatieventielen. Zo kidnap ik wekelijks een ochtenduur met een generatiegenoot in een koffiebar. Bij het verslag van de week vertel ik glunderend over een kruising met een oude vlam. Een korte ontmoeting op de zaterdagse boodschappenronde, een scheut in de buik, een hand in de lucht, een kort praatje, veel over en weer geglimlach. ‘Miljaar die ziet er nog altijd goed uit, alsmaar beter feitelijk. Hij stond daar sexy op zijn fiets te leunen. En plus had ik de indruk dat ie echt naar mij stond te lonken.’ ‘Tja,’ zegt mijn koffiegenoot droog,’hij heeft natuurlijk pas een nieuwe baby, he, niet bepaald de meeste actieve periode op bepaalde fronten. Misschien fantaseert hij wel eens over andere walletjes.’
Ze geeft me een harde kneep en fonkelt:
‘Geef maar toe, gij zoudt graag dat andere walletje zijn, he?’
‘Zeg! (ik sla met mijn hand op tafel) Daarvoor ben ik te oud en te wijs geworden.’
‘Te oud en te wijs, of te volgepland en te doordacht? Allez, zeg nu eens eerlijk. Is dat nu - ja of nee - een fantastische oefening in ‘loslaten’, zo’n slippertje?’
‘Wat is dat nu. Wilde gij mij aanzetten tot vreemdgaan of zo?’
‘Tja,’ mompelt ze tussen haar tanden,’ik zal wel aan het projecteren zijn zeker.’
Het is even stil.
‘Ik hunker toch soms naar die vervlogen tijd dat het allemaal minder ingewikkeld was. Dat zulke dingen konden voorvallen zonder al te grote brokken. Gewoon verstand op nul, go with the flow, twee mensen die zich eventjes overgeven aan het hier en nu.’
Een glimlach verschijnt.
‘Dat is nu eens het soort van ‘mindfulness’ waar ik wel warm voor loop, zie.’
Van de koffiebar naar de kapper. Mijn tapijt moet nodig geknipt worden. Ik loop er een andere vriendin op het lijf die ook al zit te giechelen als een bakvis. Something in the air today.
‘Komde gij hier al lang?’ fluistert ze met natte haren vanop de kapperstoel.
‘Bah ja, toch al een jaar of twee.’
‘Allez echt, en gij vertelt mij dat niet. Zo ne knappe gast, dienen kapper.’
Ik trek mijn schouders op en fluister halfluid terug:
‘Een beetje te naar mijn goesting.’
We staken ons gebakvis want James Dean is terug en gaat aan het knippen.
Wat later zit ik zelf op de stoel. Mijn tooi vraagt zoals gewoonlijk een snelle ongewassen, euh, beurt. Na een minuutje knippen zegt hij:
‘Kom eens rechtstaan voor de finishing touch.’
Ik gehoorzaam en voel mij net een meisje met die schort en dat gehoorzamen.
‘Kijk ne keer,’ zegt hij en ik kijk hem aan. Hij is een kop groter en staat vlak voor mij. Even is het onwennig. Dan schiet hij in een lach en zegt:
‘In de spiegel.’
Miljaar. Weer eens de hoofdvogel geschoten. Niet blozen. Niet blozen. Blozen.
‘
‘s Avonds laat glip ik naar beneden voor een potje thee. Niets zo heerlijk als alleen aan de grote keukentafel zitten wanneer iedereen in bed ligt. Ik zet een kopje ‘goodnight tea’ van Yogi, berucht omwille van de Oosterse spreuken die de zakjes vergezellen. Ik roefel in het potje waar nog een paar labeltjes met spreuken van eerdere kopjes zitten.
See the goodness in the heart
Juist ja, we doen ons best zulle.
Endurance is the talisman of life
De kunst van het verduren, check.
Our children are our meditation
Zeg dat wel, groote oefeningen in geduld.
Kind people cannot be unhappy
Niet waar.
Het water kookt, ik giet een kop vol en bevrijd een theezakje uit zijn papieren jasje. Even kijken wat de leuze is:
One time tasting is stronger then a thousand times telling
Zonlicht in tijden van
Een kleine week geleden komt mijn moeder inspringen voor de woensdagnamiddagroutine. Als ik in de vooravond thuiskom staat er een valiesje klaar aan de voordeur. Ze stelt voor de nog niet-schoolplichtige dochter te ontvoeren, om de druk wat te verlichten in deze turbowerkweek van dochterlief. Goed plan. Terwijl ik het portier dichtsla en naar de kleine dochter op de achterbank zwaai (die er met haar tasje op schoot helemaal klaar voor is om op verwenweek te gaan), zegt mijn moeder:
‘Maar kind toch, waar begindegij toch allemaal aan.’
Dat durf ik mij ook eens af te vragen zo af en toe. Ik zie er wat bleek en verfrommeld uit, zo zie ik nog net in de vertrekkende autoruit. Ik ren snel weer naar binnen. De oudste dochter moet worden opgehaald van de celloles. Daar hadden we dus ook niet zo bijster goed over nagedacht toen we een instrument kozen, dat een dwarsfluit praktischer te transporteren is. Ik gil naar de middelste dat ik even weg ben en spring op de fiets. De rit komt van pas om te ordenen wat er morgen allemaal moet gebeuren. Halverwege valt het plannen stil. De lucht is koud en helder, het vallen van de avond is altijd magisch dan, ook in een stressweek. Met al het gedoe rond de Broken Circle Breakdown zit ik gedurig met dat ene Johny Cash liedje in mijn hoofd, in de versie van la Baetens.
I'm just a poor wayfaring stranger
I'm traveling through this world of woe
Yet there's no sickness, toil nor danger
In that bright land to which I go
Pathetisch, ik weet het maar o zo heilzaam, ik rij de berg af en zing uit volle borst, en dan een beetje stiller als ik aan het rood licht arriveer naast een stel andere fietsers.
Het weekend kwam en ging en was vol van dingen en indrukken, opbouwen en afbreken, enthousiasme en vragen, het begin van een spannend parcours.
Vandaag kom ik aan op mijn vrije ochtend. Van de weeromstuit ben ik doodmoe natuurlijk. Ik kijk op van de ontbijttafel en verzeil in twee grote bruine kijkers. Da’s waar ook, we hebben een hond op logement. Een kleine windhond.
‘Dag Wilma.’
Meer heeft ze niet nodig om likkend en kwispelend te komen aangedarteld.
‘Tja. Gij zijt nen hond, dus gij moet wandelen, niet?’
Ik giet mijn koffie binnen en trek mijn jas aan.
Nieuwe sensatie. Vrouw laat hond uit. Mij tot nu toe onbekend terrein. Ik begeef mij naar het park in de buurt. Ik las net nog in de krant over de sneeuwstormen in Oostenrijk en Texas maar in Gent hebben we absurd zonnig winterweer aan de hand. In het park zie ik dat er nog mensen op het idee kwamen om hun hond uit te laten. Vol fascinatie stel ik vast dat het waar is dat honden op hun baasjes lijken. Ik kijk naar Wilma die braafjes naast mij zit. Zouden ze dat van mij en deze kleine windhond ook denken? Te kleine steekproef om wetenschappelijke bevinden op te baseren maar toch: hondeneigenaars zijn erg vriendelijk. Wat ontspannend om ontmoetingen te hebben zonder te veel te moeten praten. Je kruist iemand met een hond, je houdt even halt, de honden besnuffelen elkaar, je kijkt elkaar glimlachend aan en je zet je weg verder. Alleen spijtig dat dat heilzame zonlicht enkel een strookje gezicht tussen sjaal en muts bereiken kan.
Thuisgekomen merk ik op de gang op de eerste verdieping een prachtige strook enthousiast zonlicht op. Ik installeer een zeteltje pal in het licht en nestel mij als een kat in de warme stralen. Nee, da’s nog niet goed genoeg. Ik ga staan en stroop mijn nylons naar beneden. Da’s beter zie, vollenbak zonlicht op blote benen.
Ik word wakker met het gezicht van een verbaasde man boven het mijne.
‘Alles goed?’ vraagt hij met fronsende wenkbrauwen blikkend op de afgestroopte kousenbroek die op mijn enkels ligt.
‘Ja hoor, ik wou er alles uithalen, uit die winterzon.’
Wilma is het daar helemaal mee eens, ze ligt prinsheerlijk naast mij in het zeteltje.
Kut met peren
Er ontstaat een soort routinekadans in het runnen van een huishouden waar ik bij momenten eigenlijk wel kan in gedijen. Je kan het bekijken als een soort van meditatie, met eeuwig herhalende bewegingen. De was in de wasmachine steken, de was uit de wasmachine halen, de was ophangen op het droogrek, de was afhalen van het droogrek, de was opplooien en wegbergen. En hop, de volgende mand zit vol en is klaar om richting wasmachine te vertrekken.
In tegenstelling tot manlief tracht ik geen energie te verspillen in het verfoeien van de routineuze handelingen gezien ze toch zo onvermijdelijk zijn. Ik aanvaard hun dagelijkse bezetting van de wakende uren. Man en ik verdelen de klussen in huis zo veel mogelijk, we wegen ze af als alternatieve munten. Hij zou eens moeten weten dat ik stiekem wel geniet van het wasritueel, in de rust van de eerste verdieping met in de verte het gegil van beneden.
Dan is er zo’n zaterdag vol overmoed om de deinende huishoudroutine eens te doorbreken. Al weken wordt het aankopen van een nieuw badpak uitgesteld voor de dochter met het versleten badpak. Er is schrijf- en tekengerief vereist, zo meldt de andere dochter. Ook een extra huissleutel nodig. Kortom, het soort van lijstje dat het aandoen van een supermarktplaneet buiten de stad, op een of andere manier aangewezen maakt.
Dochters en ik op zaterdagse expeditie. We overleven de wetten van de jungle op de grote parking, de zeeziekte van de eindeloze gangen in de supermarkt, de bijnabotsingen met de andere bezoekers, we vinden ongeveer alles wat we zochten, we schuiven aan in de rij voor de kassa, spullen op de band, spullen van de band. Het moet gezegd, de dochters gedragen zich voorbeeldig. Maar oei, waar is mijn bankkaart. De kassierster deelt geen grein van mijn verbazing. De situatie overkomt haar blijkbaar geregeld. Miljaar, ik sta hier nu schoon.
‘Visakaart?’ suggereert ze luchtig.
Juist ja! Goed idee. Heb ik bij. Check. Met mijn gedachten blijf ik bij mijn verdwenen bankkaart. Of zou die thuis in het selfbankmachientje zitten. We rekenen af, dochters huppelen naar buiten. Inladen en wegwezen. Wat is dat? Gesnif op de achterbank.
‘Wat is er?’
‘Maar ja, ik heb nu wel geen badpak, hè en ze lachen met mij op school, er is een stukje doorzichtig geworden en maandag is het zwemmen.’
Zucht.
‘Ok, we zijn nu op de baan. Er is hier wat verder zo ne sportwinkel. Zullen we daar eens gaan kijken?’
Opnieuw zonneschijn op de achterbank. Ok, hier gaan we. Drukte. Aanschuiven. Ik rij de oprit voorbij op de drukke baan en probeer foeterend te keren om alsnog het terrein op te rijden. Getoeter. Tjongejonge, wat een chaos. Cruisen op de parking. Velen met mij hebben het krankzinnig idee opgevat om een zaterdagnamiddag jagend op een parkeerplaats op een shoppingterrein door te brengen. Dochters supporteren voor een plaats.
‘Haast u mama, daar, pas op, er komt er enen af, allez doe met uw lichten.’
We zijn de sportwinkel binnengeraakt en krijgen zowaar meteen een badpak in het vizier dat de dochter met de uitgesproken smaak bovendien nog kan bekoren.
‘Best eens passen?’
Aan het pashok een lange rij.
‘Gewoon even aantrekken boven uw broek?’ probeer ik even.
Vernietigende blik. We wachten en wachten en wachten. De kleinste dochter begint aan een klaagzang. De grootste slaat aan het piekeren of wel we op tijd zullen terug zijn voor de avondvergadering van de scouts. De middelste past uiteindelijk het badpak en geeft het haar zegen.
Richting kassa. Dat gaat vlot. Weinig pashokjes maar vele kassa’s. Ik haal mijn visakaart boven.
‘We nemen geen visa, mevrouw.’
‘Ge meent het niet.’ zeg ik en in plaats van het enkel te denken zeg ik er erg luid achteraan: ‘dat is nu echt kut met peren, zie.’
Grote dochter kijkt link, rechts en dan naar de grond. De klant aan de kassa naast ons schudt het hoofd. De erg jonge kassier blijft stoïcijns.
‘Zal ik het badpak anders apart leggen, mevrouw?’
Twee dagen later. Avondeten met kroost.
‘Doedegij straks den afwas? Ik ga boven even de was doen.’
Man zucht en laat met een theatraal gebaar zijn schouders naar beneden zakken, net zoals de kleinste dochter altijd doet. We schieten allen in een lach.
‘En meisje,’ vraag ik aan de tweede dochter,’ hoe was het op school. Wat heb je vandaag verteld in de praatronde?’
Terwijl ze brokjes aardappel opprikt zegt ze doodgemoedereerd. ‘Ah ja, awel, ik heb verteld over zaterdag, over de kut met perentoestand.’
Juist ja.
Zwijgen is
Ik zit in een theehuis, het is vroeg, ik ben omsingeld door kranten en laptops. Terwijl de thee arriveert loopt, komt er een sms aankloppen.
‘Iemand deed een ochtendlijke meeting in mijn soep. Kunnen we volgende week afspreken? Sorry!’
Tja. Er zijn ergere dingen dan mijn vrije ochtend in een theehuis doorbrengen met een geannuleerde afspraak. Ik zit op de lange bank met uitzicht op de andere gasten. Doubledateontbijt aan de ene kant. Druk getokkel aan de andere kant. In het midden een man over een krant gebogen. Hij kijkt op. Oh, we kennen elkaar. Van tijdens onze studies. We hebben gemeenschappelijke vrienden en kennen elkaars situaties vanuit de verte. Een paar tellen later zit hij aan mijn tafel.
Het voorbije jaar besefte ik dat ik een onverbeterlijke babbelaar ben, een praatvaar, een praatgek. Wie weet wat ik allemaal mis in die zelfgegenereerde drukte. Een mens legt zichzelf al graag eens een uitdaging op. Ik nam mij met het nieuwe jaar voor om de kunst van het zwijgen te verkennen. Het blijkt een zware sport.
Ik kijk mijn onverwachte tafelgenoot bemoedigend aan en bijt op mijn lip. Hij vraagt:
‘Hoe is’t met u?’
‘Mja. Goed eigenlijk.’
‘Enne, met u?’
Hij knikt en knikt. Hij is zo iemand die van nature goed is in de sport van het zwijgen. Ik volhard en hou de lippen op elkaar. Ik vergezel hem in het knikken. Uiteindelijk steekt hij van wal.
‘Wel. Ik ben op reis geweest. Een maand. Alleen. Ja, dat was eens nodig. Ik moest de dingen op een rijtje zetten. Toen ik terug kwam wist ik wat ik moest doen. Weggaan van mijn vrouw. Ik zie haar graag, daar niet van. Maar toch moest het. Samenblijven is dodelijk voor onze liefde. Dat is mij duidelijk geworden. De liefde gaat er gewoon aan kapot.’
Hij knikt en wrijft over het tafelblad. Er komt vanalles in mij op. Bezorgdheid. Vragen. Suggesties. Maar ik hou mij in. Ik knik met hem mee.
‘Ik merkte dat ik hard werd op veel vlakken. Tegen de kinderen. Tegen haar. Dat is niet wie ik wil zijn. Kwetsbaarheid is zoiets schoons. Zoiets belangrijk. Dat wil ik niet kwijt geraken. Het is toch iets raars he, dat ge dan net te midden van zo’n schoon huishouden die dingen kwijt lijkt te raken.’
Elders in het koffiehuis wordt er koffie gemalen. Er komt een vrouw met een baby binnen, ze installeert zich aan het vrije tafeltje naast dat van ons. Er komt een bericht binnen op mijn telefoon, ik negeer het. Zijn ogen schieten vol, hij gaat met gedempte stem verder.
‘Mijn kinderen. Ze zijn fantastisch. Ze zijn zo mooi. Maar kijk, dat zie ik pas vanop een beetje afstand. Ik moet sterk zijn nu en doorzetten. Alleen gaan wonen. Ik denk dat het voor mijn vrouw ook beter is. Ik wil niet dat ze samen is met de man die ik aan het worden was. Dat verdient ze niet.’
De woorden die bij mij klaar zaten ebben weg. Hij gaat verder met het strelen van het tafelblad. Ik overloop met mijn blik elk stukje van zijn gezicht. Hij heeft zijn jas aan en zit schuin aan het tafeltje alsof hij klaarzit om te vertrekken. Zo zitten we daar minutenlang. Het ontbijtclubje rekent af en vertrekt. De krantlezer zit nog steeds verdiept te lezen. De vrouw met de baby voedt haar kind. Het tokkelen gaat verwoed verder.
Dan plots gaat hij staan. Ik schrik een beetje. Hij zegt:
‘Allez, merci voor het gesprek,’ en hij is weg voor ik nog iets kon uitbrengen.