Rutger Bregman en Jesse Frederiks hebben een zeer lezenswaardig boekje geschreven over het nivelleringsvraagstuk. Centraal in hun betoog staat het beg...
Rutger Bregman en Jesse Frederiks hebben een zeer lezenswaardig boekje geschreven over het nivelleringsvraagstuk. Centraal in hun betoog staat het begrip "onverdiend inkomen". Voor moderne liberalen als Mark Rutte bestaat zoiets niet. De economisch markt bepaalt wat iemand verdient en niemand anders. De waarde van geleverde arbeid is in deze opvatting gelijk aan de prijs die ervoor betaald wordt. In hun boek nemen Bregman en Frederiks dit beeld flink op de schoffel en vragen zich af wat iemand werkelijk verdiend. De conclusie is dat de moraal bij politieke besluitvormingen weer naast de economie moet komen te staan en niet, zoals nu, eronder.
Het werken is vaak geregeld via een arbeidscontract. In dat contract worden wederzijdse verantwoordelijkheden en plichten vastgelegd. Een belangrijk e...
Het werken is vaak geregeld via een arbeidscontract. In dat contract worden wederzijdse verantwoordelijkheden en plichten vastgelegd. Een belangrijk element van zo'n contract is dat de werkgever een overwegende stem krijgt in hoe een persoon zijn tijd tenminste voor een deel zal besteden. Een arbeidscontract houdt een gedeeltelijke overdracht van beslissingsbevoegdheid in. De vraag is of het wel mogelijk is om een gedeelte van de persoonlijke autonomie aan anderen over te dragen, zelfs wanneer die overdracht in volstrekte vrijheid plaatsvindt.
In 2014 verscheen het boek "Why we bite capitalism. The psychology of anti-capitalism." van Peter Foster. Het is een boek van een zeer conservatieve s...
In 2014 verscheen het boek "Why we bite capitalism. The psychology of anti-capitalism." van Peter Foster. Het is een boek van een zeer conservatieve schrijver die het kapitalisme hoog in het vaandel heeft staan. Voor hem is de vraag niet of het kapitalisme goed is, maar waarom anderen het niet goed vinden. Zijn antwoord bestaat uit een verrassend heldere beschrijving van wat kapitalisme eigenlijk is en een gedurfde poging om de tegenstanders af te schilderen als mensen die nog denken zoals de jagers en verzamelaars uit vervlogen tijden
De Eerlijke Bankwijzer heeft cijfers gerapporteerd over de mate waarin banken hun investeringen laten bepalen door overwegingen van duurzaamheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen. Deze cijfers waren bedoeld voor een beoordeling van individuele banken, maar kunnen ook gebruikt worden om het investeringsbeleid van de Nederlandse bankensector als geheel te beoordelen. De resultaten van een dergelijke analyse laten zien dat er nog bijzonder veel ruimte voor verbetering is.
Jaren na het uitbreken van de economische crisis van 2008 dachten steeds meer mensen erover om van bank te wisselen. De commotie rond bonussen en hoge salarissen in 2015 had de publieke aandacht gericht op het reilen en zeilen van de banken. Het beleid over bonussen is echter maar een van de vele verschillen tussen de banken. Ze verschillen ook in de mate waarin ze investeren in bedrijven die duurzaam en maatschappelijk verantwoord ondernemen. De Eerlijke Bankwijzer is een instrument om het beleid van de banken te leren kennen en zo een verantwoorde keuze voor een bank mogelijk maakt.
Michael Unterguggenberger is een weinig bekende figuur in de geschiedenis. Alleen in kringen van monetaire hervormers wordt zijn naam met enige regelmaat genoemd en wordt hij geëerd als de man die in tijden van ernstige economische crisis een lokaal geldsysteem heeft ingevoerd en tot een groot succes heeft weten te maken. Maar wie was die man die als burgemeester het Oostenrijkse stad Wörgl in sombere tijden weer wat hoop gaf?
Rond 1932 vond er in het Oostenrijkse plaatsje Wörgl een economisch experiment plaats dat tot op de dag van vandaag allerlei monetaire hervormers inspireert. Zich baserend op de economische theorie van Sylvio Gesell voerde de toenmalige burgemeester Michael Unterguggenberger een nieuwe lokale munt in en wist daarmee in zeer korte tijd de werkeloosheid drastisch te verminderen. Het succes vond echter geen navolging omdat de regering van Oostenrijk, op advies van de nationale bank, verdere experimenten verbood.
e Nobelprijzen worden al sinds 1901 jaarlijks uitgereikt aan mensen die veel betekend hebben voor de wetenschap, de literatuur of de vrede. Er waren precies vijf Nobelprijzen. Na een kleine zeventig jaar van kwam er plotseling een nieuwe prijs bij: de prijs voor de economische wetenschappen ter nagedachtenis van Alfred Nobel. Het heet net iets anders dan een gewone Nobel prijs. Het wordt ook anders gefinancierd. Het geld komt niet uit de nalatenschap van Alfred Nobel maar van de centrale bank van Zweden. Door zo ongeveer iedereen wordt de nieuwe prijs de Nobelprijs voor de economie genoemd. Maar is dat terecht?
Onze economie bestaat uit twee sectoren die elk volgens eigen principes werken. In de reële economie, dus waar het gaat om de handel in concrete producten en diensten, heerst de wet van vraag een aanbod. De andere sector, de financiële economie (of sector), volgt deze wet eigenlijk niet en wordt eerder beheerst door cycli van lenen en terugbetalen. In dit artikel bespreken we beide sectoren in het kort en schetsen we hoe de wisselwerking tussen beide kan leiden (en heeft geleid) tot meer of minder ernstige economische crises.
Op 13 januari 2015 is er in Nederland tijdens een uitzending van "De Wereld Draait Door" een burgerinitiatief over ons geldsysteem gestart. Het doel was om de Tweede Kamer te dwingen tot een debat over de werking van ons monetair systeem en vooral de manier waarop het proces van geldschepping daarbinnen plaatsvindt. Naar het oordeel van de initiatiefnemers is het vrijwel onmogelijk om binnen de kaders van het huidig monetair systeem crises als die van 2008 te voorkomen en afdoende te repareren.
Geld is niet eenvoudig. Dat blijkt niet alleen als je er veel of juist te weinig van hebt, maar ook wanneer we ons in meer algemene zin afvragen wat geld eigenlijk is en op welke manieren we ervoor zorgen dat geld zijn rol in het leven van mensen kan blijven spelen. In dit artikel gaan we kort in op twee antwoorden op de vraag wat geld is: het standaardverhaal waarin geld zelf waardevol is en het andere verhaal waarin geld waardeloos is. We zullen laten zien dat het andere verhaal het beste is.
Dat er iets grondig mis met de werking van onze economie, zeker in deze crisistijd, laat de volgende tabel zien. Het gaat over de vermogensverdeling in Nederland waarbij het huizenbezit niet is meegenomen. Puur vermogen. Ja, de heel rijken worden rijker, de rest wordt met het jaar armer.
De tabel is afkomstig van de website Florijn waar mensen proberen een eigen munt in te voeren die zulke ongelijkheden kan helpen voorkomen. Het ware beter dat de overheid er iets aan deed, maar die doen dat helaas niet.
Er bestaan in de wereld een betrekkelijk groot aantal geldsystemen die je een wederzijds krediet geldstelsel (WKG) kunt noemen. In het Engels wordt gesproken van "Mutual credit". Een WKG heeft een munteenheid waarmee de deelnemers kunnen betalen en verdienen, precies zoals in de nu dominante geldstelsels (euro's en dollars bijvoorbeeld) het geval is. Een dominant geldstelsel wordt door de staat ondersteund en is gebaseerd op een "munt" waarmee, kort gezegd, de belastingen betaald worden. Een WKG is in de regel een particulier initiatief.
Het grote verschil tussen een WKG en de dominante geldstelsels is de manier waarop geld gecreëerd wordt. In een dominant geldstelsel ontstaat nieuw geld op het moment dat iemand een lening aangaat. Het geleende geld komt op de bankrekening van de lener te staan en de lener heeft de plicht dit geld terug te betalen. Omdat op elke lening ook nog rente verschuldigd is, moet er meer terugbetaald worden dan er geleend is. Dit is volgens menigeen een mede oorzaak van de "rat race" waar we met zijn allen inzitten. Het is dat principe dat door de ontwerpers van een WKG aangevallen wordt. In een WKG ontstaat geld niet als gevolg van leningen, maar ontstaat pas op het moment dat er iets gekocht wordt. Er is geen druk van leningen die terugbetaald worden, al schept ook het omgaan met geld in een WKG bepaalde verantwoordelijkheden.
Het is hier niet de plaats om het proces van geldschepping in een dominant geldstelsel uitvoerig te bespreken (informatie daarover kan gevonden worden via de site van de organisatie Positive Money). We bespreken hier slechts de werking van een prototypisch WKG. Uiteraard werkt elk WKG weer net iets anders. Een gedegen bespreking van alle mogelijke variaties zal ook niet geboden worden. We beperken ons hier tot de meest fundamentele eigenschappen van een WKG.
WKG's: de kern van de zaak
Laten we beginnen bij het begin. Het geld zelf, oftewel de "munt". In elk WKG heeft het geld een eigen naam. Laten we het voor het gemak een verzonnen naam geven: de elma. Je kunt in dus een brood kopen voor, pak em beet, 1,50 elma. Het is zeer gebruikelijk om de waarde van de WKG-munt gelijk te stellen aan de waarde van de munt in het dominante stelsel. In dit geval is 1 elma ongeveer even veel waard als 1 euro. Daar zit geen diepe betekenis achter. Het rekent gewoon makkelijker omdat men nu eenmaal gewend is om de waarde van producten in euro's uit te drukken. Meer is het niet.
Verder heeft elke deelnemer aan een WKG een eigen rekening. Op deze rekening staat in het begin een bedrag van precies 0 elma. Wie of wat de rekeningen van deelnemers bijhoudt, verschilt per WKG, maar voor dit voorbeeld nemen we aan dat een bank deze taak op zich neemt: de elma bank. De moderne ICT maakt het wel mogelijk om zonder een bank te werken, maar dat is niet essentieel voor een WKG. Wie of wat de rekeningen bijhoudt is niet van belang, zolang het maar gebeurt. Het is trouwens ook verstandig om niet in concrete munten of bankbiljetten te denken. We kunnen er gemakshalve van uitgaan dat het om elektronisch geld gaat. Ook dat doet in wezen niet terzake. Al het geld staat dus op de elma-bank en elke transactie houdt dat een hoeveelheid elma's van de ene rekening wordt afgetrokken en dat hetzelfde bedrag er bij een andere rekening wordt opgeteld.
We hebben nu dus een munt-eenheid, een rekening, een bank en we weten wat een financiële transactie inhoudt. Het enige probleem is nog dat niemand geld heeft. Hoe krijg je een WKG van de grond?
Het antwoord is simpel. Elke rekeninghouder mag in het begin tot een bepaald maximum in het rood staan. Dat is het krediet dat elke deelnemer heeft. In dit voorbeeld stellen we het maximale krediet op 1000 elma. Het is dus direct mogelijk dat een deelnemer aan het WKG iets koopt van een ander voor precies 1000 elma. Op dat moment staat de koper 1000 elma in de min en de verkoper 1000 elma in de plus. Het gevolg is ook dat wanneer we het bedrag op alle rekeningen van de deelnemers bij elkaar optellen, we steeds een totaal van 0 krijgen. Het is alsof er geen geld bestaat in een WKG. Dit is volstrekt anders dan bij de tegenwoordig dominante geldstelsels. Daar verandert de totale hoeveelheid beschikbaar geld continue, want elke lening die aangegaan wordt, verhoogt de beschikbare hoeveelheid geld.
Hoewel de totale geldhoeveelheid steeds 0 blijft, verandert er na een transactie uiteraard wel iets. In de beginsituatie stonden alle rekeningen op 0, maar als het proces van kopen en verkopen eenmaal is begonnen zijn sommige rekeningen negatief en andere positief. Als we de som van alle positieve rekeningen P noemen en de som van alle negatieve rekeningen N, dan geldt uiteraard dat P+N=0 (immers N is een negatief getal). De waarde van P (en dus ook de waarde -N) geeft aan hoeveel geld er in de omloop zijn. Geld wordt dus gecreëerd op het moment dat er transacties plaatsvindt. Op dezelfde manier kan geld ook door transacties vernietigd worden. Als na een transactie P groter is geworden, is er geld gemaakt. Als na een transactie P kleiner is geworden, is er geld vernietigd. De veranderingen in P, en P zelf, zijn daarmee een maat voor de activiteit in de WKG-economie.
De prangende vraag is natuurlijk wat er gebeurt als iemand al zijn krediet verspeeld heeft. Staat de rekening op -1000 dan kan er niets meer gekocht wordt. In een typische WKG kan zo'n persoon niets anders doen dan te zorgen dat hij iets verdient. Hij moet zorgen iets in de aanbieding te hebben dat geld in het laatje brengt. Een WKG dwingt mensen tot participatie. Of dat een voordeel of nadeel is, laten we hier in het midden. Dat hangt af van de mens- en maatschappijbeelden die men heeft.
Hiermee is een kaal WKG eigenlijk volledig omschreven. Zo'n kaal WKG heeft een aantal eigenschappen die door sommigen als positief beoordeeld zullen worden en door anderen als negatief.
Eigenschappen
Een eerste eigenschap is dat er geen interactie tussen de elma en het geld in een dominant geldstelsel. Dat legt beperkingen op aan de scope van het WKG, dus aan de dingen die men met de elma kan doen. Binnen de kaders van de dominante geldstelsels is er al een zeer rijke industrie ontstaan. Zouden de producten en diensten van die industrie alleen met elma's betaald mogen worden, dan rest er weinig anders dan deze diensten en goederen zelf weer binnen de kaders van het WKG te maken. Dat is niet alleen ondoenlijk, het is normaalgesproken ook niet verstandig het wiel twee maal uit te vinden. Elke WKG creëert dus in de praktijk een beperkte markt, zowel in de zin van het aantal deelnemers, die meestal of tot een lokale gemeenschap behoren of tot een groep met duidelijk gespecificeerde interesses, als in de zin van een beperkt aantal producten en diensten. Dat wil niet per definitie zeggen dat een WKG geen significante impact kan hebben op de macro-economie. Dat kan het wel degelijk, zoals de Zwitserse WIR aantoont. Dat is met enige goodwill een WKG te noemen en houdt in dat bedrijven onderling elkaar krediet kunnen verschaffen op de manier die zojuist beschreven is.
Kortom: als er geen uitwisseling mogelijk is met het dominante geldstelsel, dan zal de WKG in de regel een beperkt bereik hebben. Er bestaan meerdere oplossingen voor dit probleem, maar ze betekenen vrijwel allemaal dat elma's ingewisseld moeten kunnen worden voor euro's of dollars. Daardoor ontstaat een nieuwe manier van geldcreatie in een WKG en doet dus altijd afbreuk aan de regel dat de totale hoeveelheid geld op elk moment gelijk aan 0 moet zijn.
Maar er zijn meer eigenschappen die zowel positief als negatief kunnen uitpakken. Een ervan is, zoals al eerder vermeld, dat iedere deelnemer gedwongen wordt om verkoper te worden. Een actieve deelname is noodzakelijk. Hoewel er in het begin nog sprake is van gratis krediet, is er een WKG geen sprake van vrij geld (zoals bijvoorbeeld een basis-inkomen). Dat betekent onder meer dat mensen voor wie een actieve deelname lastig dan wel onmogelijk is (vanwege ziekte, karakterologische eigenschappen of als men behept is met heel specifieke interesses waarvoor in de WKG gemeenschap geen plaats is) buiten de boot vallen. Een manier om dat op te lossen is door vrij geld te creëren, geld dus dat op de rekeningen komt te staan zonder dat daar een tegenprestatie voor gevraagd wordt. Maar dat geld moet wel door de WKG gemeenschap opgehoest worden. Dat kan op verschillende manieren geregeld worden. Er kan een belasting ingevoerd worden, men kan de top-inkomens afromen en men kan groepen vormen die een aantal niet productieve mensen verzorgt, om maar drie voorbeelden te noemen. De kern van de laatste oplossing is dat geaccepteerd wordt dat niet alle interacties tussen mensen gemonetariseerd worden.
Wellicht het meest duidelijke nadeel van een WKG is dat een kleine groep van personen al het geld naar zich kan trekken. Iedereen die systematisch meer geld binnenhaalt dan hij uitgeeft zal de totale hoeveelheid geld dat beschikbaar is voor de anderen verminderen. In de dominante geldstelsels speelt dit probleem veel minder, omdat er geld geleend kan worden zonder dat dit een directe invloed heeft op het geld dat anderen ter beschikking hebben. Maar in een WKG is dit effect bijna onvermijdelijk, tenzij er regels opgesteld worden om dit te voorkomen.
Een eigenschap van een WKG dat ook tot nadenken stemt is de innovatieve kracht van een WKG-gemeenschap. Normaalgesproken kost het veel tijd en veel geld om nieuwe ideeën tot wasdom te brengen. Dat geld moet in een WKG weer van de gemeenschap komen. Omdat de totale hoeveelheid geld steeds 0 is, houdt dit automatisch in dat mensen van minder geld moeten rondkomen zolang iemand anders aan het innoveren is. Dat is natuurlijk alleen reëel als de gemeenschap voldoende groot is en bereid is de risico's van de innovatie te dragen. Het alternatief dat iedereen een oneindig krediet heeft en dus nooit last heeft van de innovaties van anderen, zal begrijpelijkerwijs verworpen worden. Bij een oneindig krediet is er geen financiële motivatie om iets in de verkoop te zetten en kan het geld zelfs beter afgeschaft worden.
Slotwoord
De eigenschappen van een WKG die hier genoemd zijn, zullen door sommigen als voordelen worden gezien, door anderen als nadelen. Op zijn minst dwingen deze eigenschappen tot nadenken. Deze eigenschappen (en nog vele andere, zoals misbruik en mensen die op eigen houtje geld tegen rente uitlenen) maken duidelijk dat het bij een WKG nooit alleen om het geldstelsel zelf kan gaan. Daarnaast moeten er regels en en wetten ontwikkeld worden die het gebruik van het geld in een gewenste richting duwt, welke richting dat ook is. Dat een WKG een middel is om tenminste voor een deel uit de "rat race" te stappen waartoe de dominante geldstelsels ons schijnen te dwingen, dat is wel duidelijk en blijft een van de belangrijkste motivaties voor het opzetten van een WKG.
In elke economie zou het tijdperspectief belangrijk moeten zijn. Van de meeste producten mag verwacht worden dat ze zo lang mogelijk meegaan. Van de middelen die nodig zijn om deze producten te maken, zoals natuurlijke hulpbronnen en menselijke arbeid, mag hetzelfde verwacht worden. We zouden, met andere woorden, wensen dat zo'n eenvoudige ethische norm als de duurzaamheid van producten en productiemiddelen ingebakken zitten in de wetten van de economie.
Maar dat zit het niet.
De reden is de manier waarop rente werkt. Een eenvoudig voorbeeld maakt dit duidelijk. Dit voorbeeld is een iets gewijzigde variant van een voorbeeld uit het fraaie boek "Rethinking Money" van Lietaer en Dunne. Nemen we aan dat de waarde van het geld constant blijft en dat er over een periode van, zeg, 100 jaar en dat geen renteschommelingen zijn. Dan zal een bedrag van 100 euro na 100 jaar sparen leiden tot een som van ongeveer 13150 euro. Dat wil zeggen dat een bedrag van 13150 euro over 100 jaar op dit moment 100 euro waard is.
Stel verder dat er een bedrijf is is, we noemen het Snel NV, dat producten maakt die in 10 jaar gemaakt kunnen worden (denk aan bomen, hout dus) en dat elk product daarna 100 euro opbrengt. Als we in Snel N.V. investeren dan levert dat ons na tien jaar 100 euro op. Hadden we 61 euro op de bank gezet, dan hadden we na tien jaar door de rente ook 100 euro verdiend. Die 100 euro die het het bedrijf ons oplevert is ons op dit moment dus 61 euro waard.
Neem nu een tweede bedrijf, we noemen het Duurzaam NV, die vergelijkbare producten maakt, maar dit bedrijf heeft 100 jaar nodig om ze te maken (denk aan eikenbomen die veel langzamer groeien dan de bomen van Snel N.V.). De opbrengst van deze boom na 100 jaar stellen we op 1000 euro. Dat houdt in dat de winst na 100 jaar voor beide bedrijven exact hetzelfde is. Er is in dit voorbeeld geen reden om voor het ene of het andere bedrijf te kiezen.
Toch zal er geïnvesteerd worden in Snel N.V. omdat 1000 euro over 100 jaar ons nu slechts 7.60 euro waard is. Immers, starten we met 7.60 euro dan zal het spaarbedrag (met 5 % rente) na 100 jaar ook gelijk zijn aan 1000 euro. Dat toekomstige bedrag van 1000 euro is ons op dit moment dus slechts 7.60 euro waard! De eerste investering valt op dit moment beter te verkopen dan de laatste. Het is domweg meer waard. De investeerder zal dus kiezen voor Snel N.V. en Duurzaam N.V. links laten liggen.
De korte termijn is dankzij de manier waarop rente werkt een stuk lucratiever. Niet omdat mensen nu eenmaal kortzichtig zijn, maar omdat korte termijn investeringen, mutatis mutandis, gewoon meer waard zijn dan in principe evenwaardige langere termijn investeringen. Een bedrijf dat op korte termijn winst maakt krijgt de investering, zelfs als op de wat langere termijn een duurzaam bedrijf even winstgevend is. De reden daarvoor is het bestaan van rente, of, preciezer gezegd, het bestaan van samengestelde rente.
Het is een droevig feit. Of het nu een noodzaak is, een norm die we ons zelf en anderen opleggen of gewoon een vrijblijvend doel, een feit is dat het binnen brengen van zoveel mogelijk geld ons doen en laten in verregaande bepaald. En dat doel is heel vaak strijdig met ethisch gezien eenvoudige en juiste wensen, zoals de duurzaamheid van producten. Deze mismatch wordt niet, zoals zovelen gemakshalve beweren, veroorzaakt door de slechtheid van de mens, niet door zijn aangeboren hebzucht of door een aangeleerde kortzichtigheid. Nee. De kortzichtigheid wordt zelf veroorzaakt worden door de manier waarop ons geld werkt. De kern zit in het bestaan van rente of, meer algemeen, in de manier waarop ons geldstelsel werkt.
De ellende van rente beperkt zich niet tot duurzaamheid. Door de eeuwen heen is de rente als iets duivels gezien. Door geld uit te lenen en later in grotere hoeveelheid terug te vragen dwing je enerzijds af dat mensen hun uiterste best moeten doen om het geleende geld terug te betalen, anderzijds maak je het mogelijk dat een groep van mensen zich volledig kunnen richten op het verdienen van geld met geld. De eerste groep vervalt al snel tot een vorm van horigheid, de andere groep zal zijn aandacht afwenden van het produceren van goederen en diensten waar mensen daadwerkelijk iets aan hebben. Dit mechanisme is al eeuwen geleden doorzien door grote filosofen als Aristoteles maar ook door de leiders van de Middeleeuwse katholieke kerk die rente als een soort doodzonde verboden.
Oog in oog met de dreigende catastrofes is het de hoogste tijd om samen met deze denkers weer eens goed na te denken over de manier waarop ons geld werkt. Ons geldstelsel is dringend aan een herziening toe. Het is daarom ronduit schandalig dat de herziening van dit stelsel geen thema is in de politiek. Men accepteert het zonder ook maar een keer met de ogen te knipperen. Men probeert binnen de kaders ervan de wereld leefbaar te maken. Helaas zijn die kaders verrot.
Het is alsof de kapitein van een boot die rechtstreeks op een waterval afkoerst zegt dat we wat minder hard moeten varen. Het is alsof een kok die een soep te zout vindt zegt, dat er wat minder zout bij koet. Het is, kortom, van de zotte.
Met een eenvoudig voorbeeld kan getoond worden hoe geld gemaakt wordt. Dit voorbeeld komt uit het boek The ascent of money van Niall Ferguson en is hier slechts licht aangepast.
Stel er is een consultant die werk verricht heeft voor de overheid. De overheid betaalt hem \(10.000\) euro door het op zijn bankrekening te storten. Misschien is het ietwat verrassend, maar dat betekent dat het geld nu in het bezit is van de bank. Dat is niet zo erg als het lijkt, want de bank heeft wel de plicht om telkens wanneer de consultant dat vraagt een gedeelte van dat geld (of desgewenst alles) aan hem te geven. Dat kan in cash, maar dat kan ook door geld over te schrijven naar een andere rekening van dezelfde bank of een andere bank. In dit voorbeeld gaan we er voor de eenvoud van uit dat er maar een bank in het spel is, het verhaal blijft vrijwel gelijk als er meer banken in het spel zouden zijn.
Dat het geld van de bank is, is voor de bank wel degelijk belangrijk, want deze kan dat geld gebruiken door het aan iemand anders uit te lenen.
Zodra de bank een gedeelte van die \(10.000\) euro voor andere doeleinden gebruikt kan het dus niet meer al het geld aan de consultant teruggeven. Dat is in de praktijk niet erg. Elke bank weet dat nooit iedereen op hetzelfde moment al zijn geld weer opneemt. Zeker als de bank veel cliënten heeft, is er veel ongebruikt geld over en zou het zonde zijn om dat geld niet in te zetten. Zou de consultant wel ineens al zijn geld opnemen, dan kan dat betaald worden met het geld dat nog ongebruikt op de rekeningen van anderen staat. Pas wanneer op een of ander gruwelijk moment iedereen zijn geld opneemt, dan komt de bank wel in problemen en kan zelfs failliet gaan.
In vrijwel alle landen is het zo geregeld dat een bank het geld van zijn cliënten weliswaar mag gebruiken maar dat slechts tot op zekere hoogte. Ze zijn verplicht om een bepaald percentage van het door cliënten gestoorde geld in reserve te houden. Dit zogeheten dekkingspercentage zit vaak onder de \(10 %\) zodat in elk geval \(90 %\) door de banken gebruikt mag worden. In dit voorbeeld gaan we uit van een dekkingspercentage van \(10 %\).
Gaan we verder met het voorbeeld. De consultant heeft dus \(10.000\) euro op zijn rekening staan. De bank moet, zeg, \(10 %\) daarvan in reserve houden, maar de overige \(90 %\) (dus \(9.000\)) euro mag vrijelijk worden gebruikt. Het meest gebruikelijk is dat de bank dat geld gebruikt om leningen te verstrekken.
Om het voorbeeld eenvoudig te houden nemen we aan dat de bank alleen onze consultant als klant heeft. Stel verder dat een startende ondernemer een lening van de bank nodig heeft. Hij wil alles lenen wat de bank ter beschikking heeft en de bank vindt zijn ondernemingsplan zo goed dat hij het krijgt ook. De startende ondernemer krijgt dus \(9.000\) euro als lening (daarvoor moet hij rente betalen, maar die complicatie vergeten we nu even). Die \(9.000\) euro wordt op de rekening van de startende ondernemer gezet. De bank heeft nu twee klanten. De consultant heeft \(10.000\) op zijn rekening staan en de startende ondernemer \(9.000\).
Van deze \(9.000\) moet weer \(10 %\) in reserve worden gehouden, dus \(900\) euro en de rest mag weer uitgeleend worden. De bank mag nog leningen ter waarde van \(90 %\) van \(9.000\) is \(8.100\) euro uitlenen. Na een uitleenronde staat er dus op de rekeningen van de bank een totaal van \(10.000+9.000\) euro en mag de bank nog \(90 %\) van \(9.000\), dus \(8.100)\) euro uitlenen.
En zo kunnen we doorgaan. Als er een tweede startende ondernemer komt kan die maximaal \(8.100\) euro lenen. Als dat gebeurt staat er na de tweede leenronde een totaal van \(10.000+9.000+8.100=27.100\) euro op de rekeningen en mag de bank daarna nog \(90%\) van \(8.100\) (dus \(7.290\)) uitlenen. Enzovoort.
De volgende tabel geeft een overzicht van het effect van de leenrondes, aannemende dat na elke ronde het maximale bedrag wordt uitgeleend.
Leenronde Totaal op rekeningen Nog uit te lenen Reserve 0 10.000 9.000 1.000 1 19.000 8.100 1.900 2 27.100 7.290 2.710 3 34.390 6.561 3.439 4 40.951 5.904,90 4.095,10 5 46.855,90 5.314,41 4.685,59
Het meest aandacht verdienen de getallen in de kolom Totaal op rekeningen. Al na 5 leenrondes is het totaal bedrag op alle rekeningen meer dan het viervoudige van het startbedrag. Wanneer we dit proces tot in het oneindige doorzetten komen we ten lange leste op een totaalbedrag van 100.000. Van tienduizend euro naar honderdduizend. Dit is precies wat onder geldcreatie wordt verstaan.
Op het moment dat onze consultant al zijn geld terug wil, zal de bank er dus voor moeten zorgen dat het al het uitgeleende geld weer terugkrijgt. Dan valt het hele systeem in elkaar. Al het geleende geld wordt terugbetaald (in het gunstigste geval) en daarmee verdwijnt het van de rekeningen. Dat maakt in elk geval duidelijk wat de gevolgen van een bank-run kunnen zijn. De bank gaat failliet of al het geld verdwijnt van de rekeningen.
Een aspect dat we hier niet meegenomen hebben is dat banken uiteraard rente rekenen op de leningen. Er moet altijd meer terugbetaald worden dan er geleend is. Dat is de manier waarop er winst gemaakt wordt want die rente komt volledig op het conto van de banken. Bij terugbetaling van een lening verdwijnt het geld van de bankrekening van de lener (terugbetalen is dus gelddestructie) maar de rente blijft voor de bank. De winst via de rente kan uiteraard ook weer voor leningen gebruikt worden. Dat hele spel kan ook in kaart gebracht worden, maar dat gaan we hier niet doen. Hier was het doel alleen maar om te laten zien hoe geld creatie werkt.
Het eind van het jaar nadert. Op talloze manieren probeert men het afgelopen jaar in cijfers te vangen. De beste muziek, de beste politicus, de beste sporter, de rijkste mensen, enzovoort. Cabaretiers zullen ons op de laatste dag van dit jaar ons nog op vermakelijke wijze herinneren aan de meest merkwaardigste gebeurtenissen.
Daarna is het rapport geschreven en wordt bevestigd wat we al lang wisten: we gaan over naar het nieuw jaar.
Voorwaarts...
Maar de cijfers van het verleden zijn geen overgangsrapport. De cijfers zouden ons niet voorwaarts moeten dwingen, maar juist achterwaarts. Wat zijn de oorzaken van de cijfers? De vraag is niet zozeer of we succesvol geweest zijn of gefaald hebben. De vraag is hoe de cijfers te verklaren. Rapportcijfers daartegen hoeven geen verklaring.
Dit is zeker nodig dan bij een van de slechtste cijfers van het afgelopen jaar: de enorme groei van het aantal daklozen, meer dan 60.000 mensen hebben geen eigen onderkomen, verblijven op straat of worden in leven gehouden door de paar vrienden die ze nog hebben.
De verklaring ontbreekt. Het aanpakken van de oorzaken lijkt geen prioriteit te hebben. Werkelijk, ik heb het internet afgestruind. Er zijn een paar informatiebronnen die de oorzaak van deze groei benoemen, maar veel verder dan wat vage verwijzingen naar de economische crises komt men niet. Het mechanisme dat zoveel mensen dakloos maakt wordt maar hoogstzelden in detail beschreven, terwijl dat mechanisme wel degelijk in heel eenvoudige termen te beschrijven is.
De meeste nieuwe daklozen hadden een dak maar zijn het kwijtgeraakt. Waarom? Door schulden. Niets meer en niets minder.
Waar komen die schulden vandaan? Het is beslist opvallend dat elke oorzaak die buiten de schuld van het slachtoffer zelf ligt al snel uit beeld verdwijnt. Zoals wel vaker gebruikt men de moraal om de schuld te verplaatsen van een maatschappelijke en economische orde naar de persoon zelf, naar zijn of haar eigen morele verantwoordelijkheid. Men stelt vrijwel altijd zonder dralen dat de schuld voor de schulden bij de mensen zelf ligt. Ze hebben van een leven een puinzooi gemaakt, ze hebben hun rekeningen niet betaald, ze zijn lui, onachtzaam of gewoon dom.
Maar er zijn wel degelijk oorzaken die buiten die moraal liggen. Ik ga hier niet weer herhalen dat ons geldstelsel voor een groot deel verantwoordelijk is voor het feit dat er zoveel schulden zijn. Een eenieder die met open oog naar het geldstelsel kijkt weet dat dit stelsel met mathematische zekerheid verliezers produceert. In een economische barre tijden meer dan in goede tijden, maar verliezers zijn er altijd. Veranderen we dit stelsel op een goede manier, dan zullen veel schulden en dus veel daklozen als sneeuw voor de zon verdwijnen. Enfin, dit verhaal moet bekend worden verondersteld.
Even terug naar de moraal. Het wrange is dat de moraal vaak gebruikt wordt om de schuldenaren met harde hand aan te pakken, zo hard zelfs dat er voor velen geen leven onder een dak meer mogelijk is. Met de moraal in hun linker achterzak (en de wet in de rechter) krijgen de schuldeisers het voor elkaar om van iemand zoveel geld te eisen en af te nemen dat op geen enkele manier meer aan alle schulden voldaan kan worden. De belastingdienst schrijft gewoon geld van iemands rekening af en allerhande incassobedrijven hebben evenzo het recht geld van iemands rekening af te pakken.
Er bestaat zoiets als een wettelijke bescherming die zegt dat iedereen een minmum maandbedrag moet overhouden, maar aan deze wet houden deze instellingen zich maar zelden. Zeer vaak houdt een schuldenaar van zijn uitkering of inkomen vrijwel niets over. Het is immers de verantwoordelijkheid van de schuldenaar om bezwaar-brieven of iets dergelijks te sturen. Het is niet de gewoonte van de schuldeisers om van te voren na te gaan of de schuldenaar nog wel leven kan van het overgebleven gedrag. Waarom zouden ze ook? De moraal schrijft voor dat iedereen zijn rekeningen betaalt. Doe je dat niet, dan ben je geen slachtoffer, maar een dader.
Het aanvalsplan van de schuldeisers is kinderlijk eenvoudig. De schuldenaar wordt gebombardeerd met aanmaningen, dwangbevelen en inbeslagnames op zo'n manier dat velen bezwijken aan de overdaad aan brieven en ze niet meer kunnen verwerken, niet intellectueel maar zeker ook psychisch niet. Brieven worden niet meer geopend. Dan komt uiteindelijk een deurwaarder of een huurbaas aan de deur kloppen om een mens uit zijn huis te verwijderen. Vrijwel altijd zonder dat informatie geven wordt over waar hulp vergeten kan worden. Ook dat is immers niet hun verantwoordelijkheid. De schuldenaar is immers een dader. De moraal maakt het leed van de schuldenaar tot een welverdiende straf. Weg hier, de straat op, jij!
Laten we aan het eind van dit jaar het daklozen cijfer, bij wijze van uitzondering, eens nemen als een cijfer dat verklaard moet worden. Laten we daarbij eens niet de moraal van de "burger die zijn zaakjes op orde heeft" hanteren om van schuldenaren daders te maken. Laten we het leed eens niet laten verdwijnen onder de sluier van de moraal. Laten we ons eens richten op het systeem dat zoveel schulden produceert en op de mechanismen (uitgevoerd door belastingdiensten, incassobureaus en dergelijke) die van schuldenaren misdadigers maakt.
Laat ons in godsnaam overal mensen zien waar mensen zijn, hoeveel of hoe weinig geld ze ook hebben. Laten we ons volgend jaar eens een cijfer geven voor de mate waarin we in staat zijn om leed te zien ook als dat onder de sluiers van de moraal verborgen ligt. Laat ons eens teruggaan naar de oorzaken.
We noemen een land democratisch wanneer het verkiezingen kent waarmee het volk zijn leiders kan kiezen en de mensen die de leiders controleren. Maar de gekozen leiders zijn zelf sterk afhankelijk van de kracht van de economie en worden in hun werk ernstig beperkt door wat economisch haalbaar is. Als de economie faalt bijvoorbeeld dan zijn de meesten van ons arm en hulpeloos. Daarom beschouwen veel politici het als hun primaire taak om de economie in stand te houden.
Het klinkt allemaal heel redelijk, maar dat is het niet.
De huidige economie is sterk afhankelijk van hen die geld kunnen maken - in de meest letterlijke betekenis van het woord maken. Dat zijn de banken. Het scheppen van geld en de verdeling van het geld is in handen van banken, van instellingen dus die boven alles een - hun eigen - commercieel belang dienen. De instellingen die de banken moeten controleren (centrale banken, instellingen als het IMF en overheden) hebben als enig doel het huidig systeem van geldschepping en gelddistributie te continueren en waar mogelijk uit te breiden. Ze dienen de commerciële doelen van de banken.
Het huidig stelsel werkt zodanig dat de rijken steeds rijker worden en de armen steeds armer. Dit is niet alleen een empirisch feit, het volgt ook uit de logica van het systeem zelf, dat is gebaseerd op het idee dat geld in wezen schuld is en dat alle schuld met rente terugbetaald dient te worden. Wanneer je over veel geld beschikt kun je het uitlenen en de rente als winst beschouwen. De rest ziet zich genoodzaakt hard te werken om de schulden (met rente) terug te betalen. Dat geldt niet alleen voor de meeste bedrijven, het geldt ook voor individuen en overheden.
Omdat er op elk moment meer terugbetaald moet worden dan er geld beschikbaar is groeit de totale schuld. Dat niet alleen. Er zullen altijd mensen en bedrijven zijn die hun schuld niet terug kunnen betalen. Het systeem produceert verliezers, en dus armoe, met een welhaast mathematische zekerheid. De overheid kan er iets aan doen door via wetten een herverdeling van het geld af te dwingen. En dat doen ze ook. Een beetje. Niet teveel, want dat zou het systeem kunnen verstoren. Hun primaire doel is dus niet een rechtvaardige verdeling van het geld, maar het in stand houden van dit systeem. Geldverdeling is pas een politiek thema als het systeem mensen op de rand van de afgrond brengt.
Onze leiders doen dus niet veel anders dan ons, burgers en bedrijven, over te geven aan de werking van dit systeem.
Een van de zaken die verloren gaat is de democratie zelf. Gedurende de tijd dat we werken, leven we in feite binnen sterk hiërarchische verbanden. Gedurende ons werk, tenminste wanneer we voor een "baas" werken, wordt ons leven top down bestuurd. Inspraak en democratie verstoren slechts het productieproces want ze maken het proces van geldverdienen minder efficiënt. Het is ook niet productief om te werken vanuit de interesses van mensen of groepen van mensen. De enige interesse die telt is het geld dat verdiend moet worden. Efficiency is vele malen belangrijker dan het geluk van mensen. Visies over hoe de wereld beter ingericht kan worden, spelen geen rol. Het zijn storende factoren.
Dit mag je uiteraard geen slavernij noemen, want we worden niet met de knoet in het gareel geslagen, maar van vrijheid is ook geen sprake, domweg omdat de noodzaak geld te verdienen (om te kunnen eten bijvoorbeeld) ons dwingt ons eigen geluk ter zijde te schuiven. We kunnen niet anders dan ons aanpassen aan het huidig systeem van geld verdienen. We kunnen niet anders, omdat onze politici dit systeem in stand houden, waarschijnlijk omdat ze denken dat het toch niet veranderd kan worden, als ze er al over denken.
Wat we nodig hebben zijn politici die het huidig economisch systeem willen veranderen. Politici die daadwerkelijk iets doen aan dit op schulden en rente gebaseerd geldstelsel. Dat kan wel degelijk. Er zijn voldoende praktisch realiseerbare voorstellen gedaan om de manier van geldschepping onder democratische controle te brengen. Seignorage heet dat in de literatuur. Bovendien zijn er voldoende mogelijkheden om naast het huidig systeem andere geldsystemen te zetten, dus om met alternatieve, complementaire geldstelsels te werken. Zulke alternatieven bieden alternatieven voor een maatschappelijke orde, al is het maar in de schaduw van de dominante orde. Door zorgvuldig te kijken wat het effect is van deze alternatieven zouden politici langzaam aan kunnen bouwen aan een betere wereld.
Maar ze doen het niet.
Het aantal politici dat überhaupt begrijpt hoe het huidige geldstelsel werkt is schandalig klein. Daarnaast is het blijkbaar een soort taboe om over dit soort dingen te denken en te debatteren. Geen partij heeft er ooit een verkiezingsthema van gemaakt. Onbegrijpelijk en ontoelaatbaar is dat. Het is alsof een timmerman geen aandacht wenst te besteden aan zijn gereedschap.
Er is geen excuus meer voor deze onwetendheid. Talloze denkers en economen hebben alternatieven voorgesteld en hebben zelfs in detail aangegeven hoe we kunnen overstappen van dit systeem naar een meer democratisch geldstelsel. De transitie is niet eens complex. Het is goed te doen.
Ik begrijp er dan ook geen snars van dat geen politieke partij aandacht besteed aan een van de belangrijkste determinanten van de maatschappelijke orde: het geldstelsel. Het lijkt wel alsof ze aan de ketenen liggen van de financiële machten en slaafs nabrullen wat deze hen influisteren. Op zulke politici kun je toch niet stemmen?
Zolang de politici niet tot de kern willen doordringen, kunnen we slechts twee dingen doen. Hen negeren of hen op een krachtige manier tot de orde roepen. Ze moeten weer leren wat hun taak is of anders, sorry voor het woord, oprotten.