"U bent zelf geadopteerd. U kunt toch niet volhouden dat dit boek niets met u te maken heeft?"
Leo zuchtte. Altijd dezelfde vragen. Hij rechtte zijn rug. De camera's zoomden vol op hem in.
"Dat hou ik wel degelijk vol. Dit boek heeft met mij even weinig te maken als een baan met de geheime wensen van een loonslaaf. Het gaat over de wereld, niet over mij! Kijk eens goed om u heen. De economie loopt vast en armoe dreigt voor iedereen. Ministers worden vermoord en terroristen staan aan de grenzen te beuken. Dagelijks breekt er een nieuwe oorlog uit en de al lang aangekondigde natuurrampen voltrekken zich."
Leo smeet zijn ogen recht in de camera. De verkeerde. De regisseur had de aandacht zojuist verlegd naar een kortgerokte schoonheid in het publiek.
"Er is paniek, geschreeuw en ge-ren van hot naar her. Onze leiders staan te brullen als sergeanten voor een peloton rekruten. Men probeert de brand te blussen met het heilige vuur van de verontwaardiging. Zinloos is dat! Vanzelfsprekend! Aan het eind van elke wijzende vinger zit altijd een leger schuldigen klaar om met een oorlog terug te wijzen."
Dreigend richtte hij zijn vinger op de gastheer, maar meer dan een verveelde reactie leverde dat niet op. Men kende hem inmiddels. De denderende zinnen waarmee hij in zijn eerste optredens de toehoorders zo vol had weten te treffen, zakten nu rimpelloos weg in het moeras van de gewenning.
"Onze tijd zit er bijna op, heren," zei de gastheer terwijl hij zijn priemende ogen alleen op Leo richtte. Die trok zich van de waarschuwing niets aan en ploegde voort.
"De situatie is nog veel ernstiger dan het lijkt. Mocht deze brand ooit geblust worden, iets wat ik niet verwacht en ook niet zou begrijpen als het onverhoeds toch gebeurt, dan komt er binnen de kortste keren weer een nieuwe brand. De weg van de verontwaardiging brengt ons niet naar een oplossing."
Dwingend keek Leo in de camera.
"Wij moeten een andere weg gaan. Die andere weg is de weg van het verdriet. Wij moeten ... ja..., ik zeg: wij moeten!... naar de wereld kijken en daar verdrietig van worden. Wij moeten vooral leren ons schuldig te voelen, schuldig over wat wij de natuur en zeker de mens zelf hebben aangedaan."
Leo's woorden mochten doelloos rond vliegen, zijn feiten klopten wel degelijk. De wereld stond in brand. De werkeloosheid rees nog steeds de pan uit; uitkeringsfraudeurs werden opgespoord en voor het oog van de natie beschimpt. Nieuwe cijfers toonden aan dat de armoe met de week steeg; winkeliers klaagden steen en been over de toename van het aantal winkeldiefstallen en roofovervallen. Islamitische terroristen schreeuwden hun kelen schor; meer en meer telefoons werden afgetapt. Bacteriologen bespraken nog net niet bestaande epidemieën en legerdeskundigen gingen breeduit in op de gevaren van gifgassen, al dan niet veroorzaakt door kwaadwillende wetenschappers met baarden en donkere brillen. Gelovigen lazen hardop de openbaringen van Johannes aan elkaar voor. Stormen raasden maandelijks over het land. Politici hielden manhaftige toespraken en riepen iedereen op gewoon door te gaan met het leven.
Wat dat leven verder ook mocht betekenen.
"Dit boek gebruikt het beeld van een moeder die haar zoon heeft afgestaan om te tonen hoe machtig schuld en verdriet kunnen. Tenminste, wanneer ze niet gedumpt worden op de rommelzolder van de boosheid. Denk alstublieft met volle aandacht aan een moeder die door eigen toedoen een zoon is kwijtgeraakt en toch de moed heeft hem weer te zoeken. Zie het voor u! Ik smeek het u! Zij is overmand door verdriet. Dag in, dag uit. Zij is niet boos. Zij wijst niemand als schuldige aan. Zij beseft als geen ander dat ze het kind had kunnen houden. Zij weet niet eens of haar zoon gevonden wil worden. Het is, ik zeg het met grote nadruk, in wezen niets anders dan liefde. Daar gaat mijn boek over. Erken uw schuld, dompel u onder in verdriet en heb het lef het leven weer op te zoeken."
Een van de heren van de tafel probeerde zich met wat gekuch een weg te banen door het dichte struikgewas van Leo's woorden. Tevergeefs. De schrijver denderde voort als een trein in een mateloos wijde toendra. Rookwolken.
"Het is niet de gemakkelijkste weg, zoals eenieder van ons weet, doordrenkt als we zijn van van schuld en onvermogen. Het is immers de weg van de liefde. Begrijp me niet verkeerd! Het is niet de liefde waar de seks van afspat. Niet de liefde van twee mensen die elkaar in de ogen kijken. Zelfs niet de liefde van hen die door het lot van elkaar gescheiden hun dagen in oneindig verlangen weg zien zinken. Die liefdes zijn groots, maar ze zijn krachteloos. Ze zijn immers zonder schuld! Nee! Verhalen over onschuldige liefdes leren ons niets. Erger nog. Ze ontnemen ons het zicht op het kwaad zelf. Als er iets vermorzeld moet worden deze dagen, dan zijn het de pennen van de romanciers van de verliefde stellen. Maar dat terzijde. Laten we de kwasten breken van de schilders van de menselijke psyche. Maar ook dat terzijde. De liefde in dit boek is een andere, een die oneindig veel dieper gaat omdat, ik zeg het nog maar een keer, het schuldig is aan de werkelijkheid zelf."
De gastheer wierp dankbare blikken op de man die heftig zwaaiend een papier voor Leo's ogen hield met daarop de woorden: "Nog 1 minuut!!"
"Wij moeten in de krachtdadige gelatenheid van de moeder die het aandurft haar grootste verlies te erkennen en haar grootste fout te vereffenen onze inspiratie vinden. Het is een keiharde waarheid dat niets belangrijker is dan deze liefde. Dat is wat ik beschreven heb in mijn boek. De mens, mijne heren, is het leven volledig kwijt. Ik zoek het leven dat ik kwijt ben geraakt weer op. Zoals een moeder haar verloren zoon. Zowel in dit boek als daarbuiten."
Leo richtte zijn halfgesloten ogen weer recht op de camera.
"En de brand? Ach... de brand..., vergeet de brand.... die kan alleen nog met tranen worden geblust. Eerst moeten we huilen."
Tot overmaat van ramp bleek een van de heren te kunnen wat de gastheer niet vermocht. Hij onderbrak Leo's woordenstroom en vroeg met een van sarcasme doordrenkte stem.
"Liefde, dood, de wereld, oorlog, schuld, verdriet.... Man, man, wat een zware woorden. Lacht u wel eens?"
Leo's maag kromp ineen van louter woede. Het liefst had hij de man ter plekke in elkaar geslagen. Met zijn krachtig lijf zou hij maar een een paar seconden nodig hebben om het lubberende vet van de vraagsteller over de hele studio te verspreiden.
"Moet dan godverdomme alles van waarde aan de God van de gezelligheid opgeofferd worden?" vuurde hij onmiddellijk terug. Maar hij wist dat zijn boosheid slechts ergernis zou oproepen. Hij haalde diep adem, negeerde de panische stopgebaren van de gastheer en vervolgde zo kalm mogelijk.
"Was het niet Caesar die zei dat je het meest bang moet zijn voor de magere, bleke man? De man die in eenzaamheid zijn plannen smeedt en niet aarzelt om zelfs de grootste macht met list en bedrog te vergruizen? De man die niet meedoet aan het gezellige leven, die niet keuvelt of danst, die zijn gedachten voor zich houdt? De man die zonder een lach op zijn gezicht door het leven gaat? Welnu, vergis u niet, ik ben die bleke man. Ernst is alles wat ik te bieden heb. Alle Caesars in deze wereld kunnen maar beter op hun hoede zijn."
Hij zeeg achterover en lachte. De heren van de tafel gniffelden hun ongemak weg. De gastheer greep met beide handen de kans aan die Leo hem ongewild bood en nam razendsnel afscheid van de kijkers en het publiek in de zaal.
"Volgende keer, dames en heren, onder meer een gesprek met Klaar Vanstenen, over haar nieuwe film. Tot dan."
Hij slaakte een asgrauwe zucht en liet zijn hoofd bonkend op de tafel vallen.
De eindtune werd onmiddellijk ingezet.