Herman Heijermans (1884-1924)
"Ik ben een van de weinige Nederlanders die alle Falklandjes van Herman Heijermans heeft gelezen" (Simon Carmiggelt)
'Iemand die aan de zijlijn stond en met monkelende ironie de malligheid van de wereld onder ogen zag'. Zo, beschreven in Henk van Gelders biografie 'Carmiggelt' (2000), zo iemand wilde de jonge Simon Carmiggelt zijn. De zestienjarige Simon Carmiggelt schreef in De Schakelaar, de gezamenlijke schoolkrant die hij redigeerde van elf hbsén, lycea en handelsdagscholen in Den Haag, stukjes in de stijl van Heijermans. Herman Heijermans was toen al weer een paar jaar dood. Maar in de toenmalige arbeidersbeweging bleef hij een aanbeden figuur. In zijn tijd noemde die Heijermans die columns 'Falklandjes'. Na een zakelijke mislukking in zijn geboortestad Rotterdam besloot hij in 1982 op goed geluk naar Amsterdam te vertrekken en van de pen te gaan leven. Hij werd toneelrecensent bij de in 1893 opgerichte Telegraaf. Door zijn felle kritieken verwierf Heijermans zich vijanden bij de vleet. Dit gold ook voor de geestige persiflages op de recensies van zijn collega's onder het pseudoniem Gerritje. Hetzelfde blad publiceerde in 1894 Heijermans' eerste 'column' onder het pseudoniem Falkland. Dit pseudoniem had ook zijn vader - journalist bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant - al gebruikt. Het was de naam van de Engelse dichter en politicus Falkland uit de zeventiende eeuw. Vanaf augustus 1896 verschenen zijn Falklandjes in het Algemeen Handelsblad. Hij zou er honderden schrijven, pittige stukken vol humor, die onder de naam Schetsen in negentien bundels tussen 1898 en 1915 heruitgegeven werden. Doordat hij zich in een dagblad beknopt, leesbaar en helder moest uitdrukken, stonden zijn stukken minder onder invloed van het gedragen proza dat in die dagen gangbaar was. Hij werd heen en weer geslingerd tussen symbolisme en naturalisme, tot het socialistische ideaal voor hem de rauwe kapitalistische werkelijkheid en de idee van een menselijker samenleving verenigde. Heijermans woonde in de Amsterdamse Pijp enige tijd op kamers samen met zijn broer Louis, die al lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) was. Dit bohemien-bestaan duurde tot Herman de beeldschone Marie Peers ontmoette, met wie hij in 1895 eerst in Wijk aan Zee ging samenwonen en later trouwde. Zij kwam uit een familie van circusartiesten en kon lezen noch schrijven. Ze begon aan een geslaagde inhaalmanoeuvre en publiceerde later zelfs een toneelstuk, gedichten en herinneringen. In Katwijk aan Zee, waar ze vanaf 1901 een tijdlang woonden, werd in september 1902 hun dochter Hermine geboren. Heijermans leerde hier Jan Toorop kennen, met wie een duurzame band ontstond. Van aangespoeld hout maakten ze samen een boekenkast. Toorop ontwierp affiches bij sommige toneelstukken van Heijermans en in 1914 portretteerde hij hem. Peers' twee dochters uit een eerdere verbintenis waren haar 'als gevallen vrouw' ontnomen door de vader. Deze geschiedenis verwerkte Heijermans in zijn roman Kamertjeszonde (Amsterdam 1897). Deze verscheen uiteindelijk onder het pseudoniem K. Habbema bij een uitgeverij van pornolectuur, nadat andere uitgeverijen het manuscript geweigerd hadden. Lezers die dachten met een zinneprikkelend boek te maken te hebben, kwamen bedrogen uit. Het stelde de bekrompen huwelijksmoraal aan de kaak. Het boek was een succes en een gerenommeerde uitgever verzorgde de herdrukken.
Simon Carmiggelt rebelleerde ook in zijn latere Kronkels in Het Parool wel tegen die bekrompenheid. Meer monkelend dan met stenen te gooien (daartoe liet hij zich in 1956 wel verleiden voor het redactiegebouw van De Waarheid, het blad van de Sowjetunie gezinde communisten toen de USSR-legers juist 'de orde herstelden' in het opstandige Hongarije). Carmiggelt bedrijft zijn maatschappijkritiek tussen de regels, zoals bijvoorbeeld in dit citaat (uit 'Zelfportret in stukjes', na Carmiggelts dood door zijn zoon samengesteld in 1989) over de moeder van zijn jeugdvriendje Broer: "De moeder van Broer werd juffrouw Doppe genoemd, want mevrouw gold in die dagen nog niet als de objectieve aanduiding van een burgerlijke staat, maar als een predikaat van welstand en zij was een behoeftige weduwe, die kamers verhuurde zoals dat toenmaals een behoeftige weduwe betaamde."
Heijermans bedreef in zijn Falklandjes meer verbale realitytv, veel beschrijving van menselijke aandoeningen in kunstig aan elkaar geplakte woorden:...'den bladsuizenden zijden japon die wrokkig om't puffend, hijgend vleeschjesbewoog sloot, schokschudde ze naar 't knipperend tram-oogje'. En de mollige handjes van de hier beschreven moederfiguur heten dan 'Ma's hand-kluifjes'.
Ondertussen schreef Heijermans toneelstukken, die hem vooral in sociaal-democratische kring veel roem zouden brengen. In 1898 verscheen Ghetto, dat speelde in de bedompte, orthodox-joodse sfeer van sjacheraars en voddenkooplieden. De hoofdpersoon maakte zich onmogelijk door zich af te keren van het joodse geloof. Ghetto veroorzaakte her en der relletjes. Heijermans' uitlatingen over joden waren in zijn vroege jaren soms grof en beledigend, maa hij ontkende aanvankelijk dat Ghetto een antisemitisch stuk was. Niettemin bracht hij wijzigingen in de tekst aan 'door 't getto-begrip in de kristelijke dienstmaagd te vervolledigen en van 'n joods getto tot meer universele en noodzakelijke getto-mensen te geraken. Gelukt is dit niet. De zwaar-beschuldigde joden in Ghetto maak 'k m'n ekskuus'. De premières van zijn stukken - in totaal schreef hij er zestig - durfde hij niet bij te wonen. Liever wachtte hij in een naburig café op de afloop, uit angst dat de agressie die zijn werk opwekte tot een aanslag zou leiden. Hij bewoog zich mede daarom bij voorkeur per taxi. In de romanDiamantstad (Amsterdam 1904), die eveneens in het Amsterdamse 'ghetto' speelde, zag de hoofdpersoon de verheffing van de arbeiders als vrucht van een staking. De opvoering vanAllerzielen (1904) daarentegen werd in sommige plaatsen verboden, omdat het stuk kwetsend zou zijn voor rooms-katholieken. Beroemd, ook in het buitenland, werd Heijermans met Op hoop van zegen in 1900. De aanklacht in het boek van Bernard Canter, een der eerste sociale reporters in Nederland, Een droomer ter haringvangst (1896), inspireerde Heijermans. Hij woonde als journalist in 1899 het eerste Nationaal Visscherij-Congres bij en deed daar verslag van in De Nieuwe Tijd, na zich eerst verder uitvoerig gedocumenteerd te hebben, onder de titel 'Barmhartige reeders'. Voor de reders telden de slecht onderhouden schepen, die goed verzekerd waren, en niet de bemanning. Hij kende de vissersbevolking, waar hij jaren tussen gewoond had. Hij hield van de zee maar had de stad nodig voor zijn werk. De eerste opvoering vond op 24 december 1900 plaats. Esther de Boer-van Rijk, die in tal van andere stukken van Heijermans met groot succes de vrouwelijke hoofdrol zou spelen, speelde de hoofdrol van de vissersweduwe Kniertje. De vrome en berustende Kniertje kwam niet verder dan 'De vis wordt duur betaald' maar dat maakte haar klacht des te indrukwekkender. Toen het radiohoorspel eind jaren twintig opkwam, zond de VARA diverse stukken van Heijermans uit, die zo een ongekend groot publiek bereikten. Carmiggelt noemde hem de grootste toneelschrijver van de twintigste eeuw. (Ontleend aan Biografisch Woordenboek van het Socialisme en Arbeidersbeweging in Nederland). http://www.iisg.nl/bwsa/bios/heijermans-h.html