Drie pesto’s en een krantje
foto: vier generaties en een kast vol speeldoosjes
Op 29 augustus 1921, het was een warme maandag, werd in Wervershoof, Noord-Holland een jongetje geboren. Zijn ouders noemden hem Wilhelmus Petrus Aker, kortweg Wim. Hij was het derde kind van Jan en Aagje Bakker. Uiteindelijk zou hij 16 broers en zusjes krijgen.
Wilhelmina van Oranje-Nassau was koningin der Nederlanden, eerste minister Ch. J.M. Ruys de Beerenbrouck leidde ons land. Er woonden 6.9 miljoen mensen in Nederland en Albert Einstein zette de wereld op zijn kop met zijn bewering dat het universum gemeten kan worden.
Wim groeide op in een dorpje aan het IJsselmeer.
Op zijn achttiende was hij havenarbeider. Daar is iets misgegaan, tijdens het lossen van een zware vracht. Hij kwam klem te zitten tussen een muur en een container en beschadigde een aantal nekwervels. Hij werd afgekeurd voor werk.
Hij leerde Rie uit Amsterdam kennen in de oorlog. Zij kwam als onderduiker in de hongerwinter naar de boerderij in Wervershoof waar Wim woonde. Wim hielp in die tijd het verzet zo goed als hij kon. Ik herinner mij dat hij me ooit vertelde dat een checkpoint van de nazi’s voorbij moest om documenten te bezorgen aan een verzetslid en door de Duitsers gevraagd werd om een wachtwoord. Wim kon zo snel niets bedenken (had ook geen idee wat het wachtwoord was) en zei; “Circus”. Tot zijn verbazing lieten de soldaten hem passeren en kon hij zijn weg vervolgen. Later zei hij dat die soldaten waarschijnlijk zelf ook het wachtwoord niet wisten. Hij realiseerde zich goed hoeveel mazzel hij gehad had.
Hij trouwde nog tijdens de tweede wereldoorlog met Rie. Het was een ingewikkeld huwelijk. Rie had een broze gezondheid en het leven was zwaar. De tweede wereldoorlog had zijn weerslag op alle Nederlanders. Ze hadden een zeer moeilijke tijd achter de rug.
Toen Wim 26 jaar oud was, werd hij zelf voor het eerst vader. Het was een zoon, die, zoals in die tijd gebruikelijk was, ook Wim werd genoemd.
Uiteindelijk kwamen er vijf kinderen voort uit dit huwelijk, waarvan er vandaag de dag nog twee in leven zijn.
Niet lang na de geboorte van het vijfde kind, stierf Rie. Hoogstwaarschijnlijk overleed zij aan een hersentumor, al kon dat in die jaren nog niet worden vastgesteld.
Na de dood van Rie ging het een periode lang niet goed met Wim. Hij dronk te veel, gokte, kreeg schulden, was niet in staat om zijn vijf kinderen op te voeden. Gelukkig hielp de zus van Rie regelmatig in het huishouden en het opvoeden van de kinderen.
Wim Aker senior, was mijn opa. Hij woonde hemelsbreed op nog geen 60 meter van mijn huis. Mijn opa was niet perfect. Maar hij was mijn opa. De enige grootouder die een rol in mijn leven heeft gespeeld.
Elke zondagmorgen kwamen alle kinderen van opa naar zijn huis op de Burgemeester Doumastraat 6 in Andijk. Er werd gepraat, koffiegedronken. Er werd gelachen en meegeleefd. Het was een zeer liefdevolle, hechte familie. Ik heb goede herinneringen aan die zondagen. Ik speelde met mijn neefjes en nichtjes buiten. We hebben heel wat kattenkwaad uitgehaald, uren ‘buutvrij’ gespeeld. Papieren pijltjes gevouwen van bladzijden uit de Wehkamp. Elk jaar was het Sinterklaasfeest een grote happening. Opa regelde jaarlijks een bezoek van de goede Sint aan zijn huis, waar we met alle neven en nichten verwachtingsvol zo luid als we konden, sinterklaasliedjes zongen. Elk jaar was het een fantastisch feest. Elk jaar zat opa, omringt door iedereen die hem liefhad, met een brede glimlach op zijn gezicht, te kijken naar alle uitgelaten en dankbare kinderen. Opa zong ook graag. Ergens bij mij op zolder ligt nog een oud cassettebandje vol liedjes die hij heeft ingezonden. Heidewietska, Mijn wiegie was een stijfselkissie, Door het bos en door de heide, Grootvaders klok. Zodra de eerste akkoorden van die liedjes zouden spelen, zong ik zo alles weer mee.
Er kwam een nieuwe vrouw in zijn leven. Tante Lies. Al hield tante Lies wat afstand en wilde ze geen ‘oma’ worden genoemd door de kleinkinderen, zij maakte opa wel gelukkig.
Soms hadden ze even behoefte aan alleen zijn. Dan ging tante Lies terug naar haar eigen huisje in Oostzaan. Ze zeiden altijd: “Wij hadden al een LAT-relatie (living apart together) voor het woord was uitgevonden!”
De (klein)kinderen van tante Lies werden als vanzelf toegevoegd aan de grote familiefeesten en ook een man die als kostganger bij mijn opa en Rie had gewoond, werd met zijn gezin toegevoegd. Ik wist niet beter of iedereen was gewoon een bloedverwant. Als kind maakte ik me er echt niet druk om. Het was hoe het was. Een hele fijne, hechte familie.
Opa en tante Lies gingen, in de zomer van 1984, voor het eerst mee bollenpellen. Het tulpenbedrijf, dat van de vader van een oud-klasgenootje was, stond aan de andere kant van Andijk. Aangezien opa zijn gezondheid te wensen overliet, ging hij samen met tante Lies op de Solex naar de bollenschuur. De brommers rookten als een gek en stonken een uur in de wind. We hoorden (en roken!) ze al van mijlenver aankomen.
In het familiebedrijf werkten wij met leden van twee andere families, samen aan het rooien en pellen van de tulpenbollen. Het was daar de gewoonte om de oude, krakende radio af te stemmen op de ‘Arbeidsvitaminen’. Opa zong hard mee met de liedjes die hij kende, terwijl tante Lies klaagde dat de muziek te hard stond.
Ze deden me wel eens denken aan de oude mensen op het balkon van de Muppetshow. Ze konden niet mét, maar zeker ook niet zónder elkaar.
Om 17 uur vertrokken ze weer, met de vlam in de pijp. Door opa zijn nekblessure kon hij niet meer naar links of rechts kijken, dus reed hij naar huis met de instelling dat wie het meeste geluid maakte voorrang had. Bij mijn weten is er nooit een ongeluk gebeurd. Maar dat wijt ik meer aan de medeweggebruikers en aan een zeer oplettende tante Lies, dan aan opa zelf!
Mijn opa las, toen zijn ogen nog goed waren, alle dagen het Noord Hollands Dagblad. Zodra die uit was, wandelde hij naar ons huis om daar, de krant, plus drie ‘opa-snoepjes’ (van het merk Pecto), één voor mijn moeder, één voor mijn zusje en één voor mij, door de brievenbus te gooien. Soms ‘vergiste’ hij zich en kregen we een paar extra snoepjes.
Tot op de dag van vandaag noem ik ze ‘opa-snoepjes’ en denk ik met weemoed terug aan die toch wel speciale man in mijn leven.
Opa was nogal eigenwijs. Hij nam niks van niemand aan. Dat zijn ogen slechter werden dat was natuurlijk ‘helemaal niet zo’, dat hij de een na de andere zware shag opstak was echt niet slecht voor hem (‘want dat doe ik al sinds mijn 17e en ik leef nog steeds’). Hij wist altijd alles beter en had altijd gelijk. Mijn moeder en haar broers en zussen werden daar wel eens een beetje moe van, maar ik kon er wel om lachen. Ik denk dat het zijn (kwajongens-achtige) manier was om met dingen te kunnen omgaan. Mijn opa was een boefje, hij verloor zijn haren, maar zeker niet zijn streken.
Hij stak met het uiteinde van het ene shag-je de volgende aan. Zijn huis rook naar een bruin café op een zondagavond. Regelmatig viel hij tijdens het roken in slaap, waardoor zijn (door zijn oudste dochter gemaakte) tafelkleed steeds meer ging lijken op een net. Het zat vol met zwart omrande gaatjes.
Opa spaarde speeldoosjes. Uren kon hij opgaan in het opdraaien van de muziekdoosjes en het luisteren naar de liedjes die zij voortbrachten. Mijn favoriete speeldoosje was een glazen vleugel (zo’n grote piano) waar een ballerina rondjes op draaide. “You are my sunshine, my only sunshine. You make me happy, when skies are grey”. Ik weet nog dat hij me later vertelde dat de ballerinastuk was gegaan. Speciaal voor mij had hij een nieuw poppetje, een vrouw met een schots rokje aan en maar één been op het vleugeltje gemonteerd. Een paar maanden voor zijn dood gaf hij het me. Heel bijzonder. Net of hij wist dat het einde nabij was.
Ergens in een oud fotoalbum zou ik nog ergens een foto moeten hebben waarop hij poseert voor de kast waar al zijn schatten in waren uitgestald. Het maakte hem blij om ernaar te kijken, zelfs toen zijn ogen hem in de steek begonnen te laten. De vraag wat we opa moesten geven voor zijn verjaardagen, werd daardoor een stukje gemakkelijker beantwoordt.
Opa zei altijd: “Ik vraag Fresh Up -ik meen dat dat een douchegel merk was of wellicht eau de cologne- en lieve kinderen!” maar was uiteraard met een nieuw speeldoosje het gelukkigst.
De jaren verstreken en de eerste (klein)kinderen van mijn opa, overleden. De hersentumor van oma Rie was blijkbaar een genetisch defect, waardoor ook andere familieleden daaraan overleden. Opa werd iets stiller, maar zeker niet down.
Zijn kinderen dachten dat hij vergeetachtig werd. Misschien was dat ook wel gaande. Ik herinner me dat hij tot vier keer achter elkaar kon bellen om elke keer precies hetzelfde te vertellen. Hij luisterde naar Radio Westfriesland en deed aan de hele familie verslag van wat hij nu weer had gehoord. Achteraf denk ik dat hij zich er echt wel van bewust was, dat hij gewoon genoot van de aandacht die hij kreeg van zijn (klein)kinderen.
Het eerste achterkleinkind werden geboren. En wat was hij daar trots op. Ik bezocht hem met mijn pasgeboren zoon in maart 2000. Omdat het in zijn huis zo naar rook stonk is mijn zoon niet vaak mee geweest naar mijn opa. En dat vond opa best jammer.
Soms, als ik samen met mijn moeder een kopje koffie bij hem dronk, deed hij net of hij van alles vergeten was, tot grote frustratie van mijn moeder. Wanneer zij dan even de kamer uit was om een nieuwe kopje koffie te pakken, gaf hij me een knipoog en vroeg hij me hoe het nu met die-en-die was. Hij was veel helderder dan zijn kinderen op dat moment dachten en daar hadden we samen de grootste pret om.
Een paar jaar later, tante Lies was inmiddels ook overleden, werd opa opgenomen in het ziekenhuis omdat door het vele roken, een teen was afgestorven. Hij had dat lang verborgen weten te houden voor zijn kinderen. Hij sloeg hard op zijn eigen arm (waar ook allerlei zwarte vlekken op zaten) om te bewijzen dat hij écht geen pijn had. Er werd een teen geamputeerd en opa kreeg de waarschuwing dat hij echt moest stoppen met roken, omdat het de volgende keer een heel been zou zijn dat moest worden afgezet.
Opa haalde zijn schouders op. “Ach ja meissie”, zei hij dan tegen mij, ik ga nu écht niet stoppen hoor, want ik weet toch gewoon niet beter?” Die periode is de enige periode in mijn leven waarop mijn opa niet blij was om mij te zien. Liever wilde hij dat er iemand op bezoek kwam in het ziekenhuis die shagjes kon draaien. Hij had een hele ‘hall of fame’ bedacht waarin de familieleden stonden die de meeste shagjes uit een pak kon draaien. En die mensen waren voor hem zijn favorietjes om hem in het ziekenhuis op te zoeken.
Ik meen dat mijn moeder bovenaan die lijst stond, omdat die er iets van 114 uit had kunnen halen (eigenlijk geen shagjes meer maar rietjes dus). Hij had wel zo’n apparaat waarmee je zelf shag in witte papieren hulzen kon doen, maar dat ding was veel te duur. Zo kwam hij nog niet eens tot 40 stuks per pakje!
Op een dag kwam mijn oudste tante eens kijken hoe het met haar vader ging. Ze zag al snel dat opa op de grond lag, onder de tafel met het kleed vol gaatjes. Hij leefde nog, al was hij wel sterk afgekoeld.
Hij werd naar het ziekenhuis gebracht. Tegen zijn zin in. “Als jullie me weghalen uit dit huis, ga ik dood!” schijnt hij geroepen te hebben.
Opa had een longontsteking opgelopen en werd na een paar dagen ziekenhuis, overgeplaatst naar een verpleeghuis. Leuk vond hij het niet.
Maar aangezien de kracht ontbrak om er iets van te zeggen, gebeurde dat toch.
Op een avond, het was 31 oktober 2007 kwamen we bijeen in het verpleeghuis omdat het volgens de zusters erg slecht ging met opa.
Ze zouden hem, nadat iedereen afscheid had genomen, in een slaap brengen waaruit hij niet meer zou ontwaken. Het was zo onwerkelijk! Het begrip ‘nooit’ had al wat meer vorm gekregen doordat er al flink wat familieleden waren overleden, maar ergens kon ik er met mijn gedachten niet goed bij.
Opa voor de speeldoosjeskast, opa met een shagje in zijn mond op de solex, opa met mijn oudste kind in zijn armen, opa met zijn guitige knipoog en zijn heerlijke gevoel voor humor… Nooit meer?
En… als je dan weet dat je iemand van wie je zoveel houdt, voor de laatste keer zult spreken, wat zeg je dan?
Ik zei iets van; “tot morgen Oop! Doe ze de groeten daarboven en als u straks zowel Rie als tante Lies ziet, dan hoop ik voor u dat ze beiden geen deegroller vasthebben!”
De lach in de ogen van opa zal ik nooit vergeten.
Een zuster gaf opa een prikje en hij zakte weg in een droomloze slaap. Ze adviseerde ons om thuis wat te gaan slapen, als er iets zou veranderen, zouden we dat horen.
De een na de ander nam afscheid. Maar op de een of andere vage reden voelde het niet goed om te gaan. “Ik blijf nog even hangen”, zei ik tegen mijn allerliefste nichtje.
“Gezellig!” zei ze, “dan blijf ik ook!”. En zo geschiede. We hebben heerlijk herinneringen zitten ophalen aan onze opa. Maar ook aan onze jeugd, onze vriendschap, ons leven nadat we Andijk hadden verlaten. Het was fijn om zo bij onze ‘Oop’ te zitten samen. Af en toe kwam er een zuster even kijken. Er gingen een paar uren overheen tot de dienstdoende verpleegster opmerkte dat opa zijn huidskleur veranderde. Hij ademde iets langzamer. Iets minder diep. We besloten om de kinderen van opa te bellen, op advies van de zuster. Het zou niet lang meer duren.
Mijn moeder was net de kamer binnengelopen, twee tantetjes stonden nog in de lift, toen opa Wim zijn laatste adem uit blies.
Heel rustig, heel sereen. Ik hoop dat we hem, in zijn laatste uren, mee hebben kunnen geven dat, al was hij niet de beste opa van de wereld, hij wel ónze beste opa was.
Opa zei vroeger vaak: “Ik durf niet dood te gaan want Rie en tante Lies staan me allebei aan de hemelpoort op te wachten met een deegroller en dan moet ik kiezen!”
Aan die woorden moet ik nog regelmatig terugdenken… ik ben eigenlijk wel benieuwd hoe dat is gegaan. We zullen het helaas nooit weten.
Vandaag, 29 augustus 2020 zou onze Oop 99 jaar oud geworden zijn. Helaas moeten we hem al 13 jaar missen. Met weemoed denk ik terug aan alle fijne herinneringen aan een heel bijzondere man.
Je speeldoosje is (en dat klinkt minder eerbiedig dan ik het bedoel) op zolder beland, nadat we vijf jaar geleden verhuisden naar Alkmaar. Ik koester het en hoop het ooit door te mogen geven aan mijn eigen kleinkind.
You are my sunshine, my only sunshine
You make me happy when skies are gray
You'll never know dear, how much I love you
Please don't take my sunshine away!