Dinsdagavond, de maan schijnt niet. Ik let even niet op en je bent in een beest veranderd. Gele ogen die je aankijken alsof ze al je gedachten kunnen blootleggen. Een enorme snuit met daaronder een bek vol vlijmscherpe tanden die geen fatsoenlijk denkend mens zou durven te benaderen.
Er ligt een hart op straat. ’t Is een verse: rozenrood, gutsend van het bloed en nog kloppend. Het lijkt te schrikken van de koude van de stenen waarop het ligt, want het maakt de kleine sprongetjes van een creperend wezen. Je pakt het hart op, grijpt het stevig tussen de vingers van je linkerhand en knijpt het uit alsof het een spons is. Daarna leg je het zorgvuldig terug.
De kerk heeft vier reusachtige klokken, aan elke zijde een. Met het bloed zet je op elke wijzerplaat iets neer wat alleen jij begrijpt.
De eerste pagina’s van mijn agenda zijn inmiddels onleesbaar. Deze pagina’s bevatten mijn contactgegevens en wat kleine notities, evenals een pretentieuze titel die ik lang geleden aan mijn agenda heb gegeven (het is een anderhalfjaaragenda). Nu bevatten ze enkel nog rozenrood.
Ook je handen zijn rood. Het doet je denken aan het vingerverven dat je vroeger altijd deed.
In het bos lig je stil, iets wat je anders nooit doet. Een eekhoorn sluipt naderbij. Hij snuffelt eerst nog wat rond, schoffelt wat bladeren, eikels en andere bosmaterialen aan – die hij overigens niet meeneemt of ook maar gebruikt – en gaat ten langen leste bij je zitten. Jij blijft stilliggen. De eekhoorn pakt een takje tussen zijn pootjes en pookt je, pookt, blijft maar poken, terwijl jij hem straal negeert.