Sigaret
Je zit tegenover me met je sigaret in de hand. Maar ik kijk niet naar je kaaklijn die zo scherp is als jij. Niet naar je zomersproeten die je me zo lang beloofd hebt. Niet naar de kuiltjes in je wangen die de deuken in je gecompliceerde karakter reflecteren.
Maar naar die stomme sigaret. Ik zou willen dat mijn walging uit angst voor je gezondheid was. Maar het enige wat ik kan denken is hoe de sigaret symbool staat voor ons. Die stomme sigaret die een rookgordijn tussen ons vormt. Ik kan je niet zien, ik mag je niet zien. En wanneer ik het dan toch probeer, eindig ik altijd met pijn in mijn ogen. Die geur, walgelijk. Het verpest alles in zijn bereik. Ook jouw geur die voor mij altijd ruikt naar mooie herinneringen. Of die verschrikkelijk pijn in je borst als je er te veel van hebt meegekregen. De pijn verdwijnt maar het is er altijd geweest. Ik haat die pijn. Tot slot, het ergste, de verslaving. Voor jou is het die stomme sigaret waarop ik jaloers ben. Voor mij ben jij het.
Maar waar jij het uit kan doen, kan ik dat niet.













