Van jou
Mijn linkerhand vol rechterhand
In mijn rechterhand ijs
Ik lik langs de rand
Jij proeft in mijn mond
De kou
Dus ik zeg gauw ik hou van jou.

No title available

★
Aqua Utopia|海の底で記憶を紡ぐ
TVSTRANGERTHINGS

Love Begins
One Nice Bug Per Day

No title available
AnasAbdin

shark vs the universe

Product Placement
Monterey Bay Aquarium
taylor price
Claire Keane
Peter Solarz

Origami Around
Cosmic Funnies
$LAYYYTER

❣ Chile in a Photography ❣
Game of Thrones Daily
let's talk about Bridgerton tea, my ask is open

seen from Netherlands

seen from United States
seen from United States

seen from United States
seen from New Zealand

seen from France

seen from Türkiye
seen from Türkiye

seen from Germany
seen from United States
seen from United States

seen from United Kingdom

seen from T1

seen from United States

seen from Germany
seen from United Kingdom

seen from United States
seen from United Kingdom
seen from United Kingdom

seen from United Kingdom
@madtwriting
Van jou
Mijn linkerhand vol rechterhand
In mijn rechterhand ijs
Ik lik langs de rand
Jij proeft in mijn mond
De kou
Dus ik zeg gauw ik hou van jou.
Als glas
In jouw bijzijn ben ik naakt Naakter dan glas Ik ben nu niet wie ik was Ik bekijk het glas Waar omheen mijn vingers liggen Jij zegt je hebt jouw nagels niet gelakt Zoals die van jouw tenen Alleen jij kent het einde van mijn benen.
Zoals de zon niet eerder scheen
Ze hoeven niet te passen Puzzelstukjes regenjassen tassen Vol waardeloos en meer
Zo was ik eens Blauwe lucht zonder zon Vijfentwintig was genoeg Dat ik besloot en naar het leven vroeg
Dat er meer in minder zit Nu soms Het pad ook lelijk is
Het water troebel en ik verlang Naar helder krakend dat het vriest Gladder dan
Maar zoals gezegd en ik beter weet Over bergtoppen Zout met zweet Kijk ik over dalen heen En zag zonder morgen Zoals de zon niet eerder scheen
Onaantastbaar
De onbegrensde tijd Daar waar wij lagen In oneindigheid Maken onze tongen klanken En spreken onze lippen woorden Over nu, nooit later
Toen later, nu De werkelijkheid werkelijk geworden was Bleven alle zinnen onuitgesproken hangen Als een luchtbel van parelmoer, vol glans Onaangetast tussen ons in En al dat nodig is Alleen een vinger en een nagel En pats echoot na.
Alle kanten uit
Wanneer ik met mijn schouders naar het verleden gebogen sta Voel ik het tikken op mijn rug De tijd “Nog even” zeg ik Terwijl ik me al heb omgedraaid Om te zien Niet waar ik naartoe ga Maar waar ik sta
Zo blijk ik in het midden te zijn Van alles en besluit Zonder doel voor ogen Kan ik alle kanten uit.
Om als mens te kunnen zijn
Ik val in een zwart gat Waar de tijd gestopt is Waar de tijd verstopt zat In duizend stukken uit elkaar spat Ik Waar andere gevallen zijn Vervallen zijn de stukken van anderen Ongewenst en verbannen Ik ben als licht
Ik ben als licht En zoek de stukken die ik hebben wil Ik zie verdriet en vraag me af Wat heb ik nodig Om als mens te kunnen zijn Ik zie pijn en ik wil weten Kan ik terug nemen wat ik vergeten wou Als ik echt mocht kiezen welke stukken ik nemen zou.
Grijs
Zo grijs had ik hem nog niet gezien
En ik vroeg er naar
of constateerde meer
Waar op hij zei:
“Ik heb het aan mijn hart”
En ik wist niet links of rechts.
Hotelkamer
Ik pluk aan haren tussen jouw benen Je streelt mijn gezicht, arm en heup Wanneer jouw blik, de mijne ontmoet Probeer ik gedachten te lezen Zodat ik later kan herinneren Wat dit met jou deed
We hebben een wereld gecreëerd Waarin wij vrijheid kennen Alsof schaamte niet bestaat Doen we gewoon lekker Bijten, likken, zoenen, trekken Bovenop, onderop liggen en staan
We bewegen ons een herinnering In een zelfverzonnen wereld Gewoon een kut, zomaar een penis Loze beloftes maken we niet Want een verleden noch de toekomst Wordt door ons gedeeld
Ik probeer nog niet te denken Aan de werkelijkheid van later Want deze witte lakens Kennen vlekken in het echt Ik vraag me af over ons hierna Wie weet misschien wel nooit
Maar geef geen antwoord laat me maar Doof het licht, maak geen geluid Wees verder helemaal stil Alleen een aanraking en jouw geur
Want onwetendheid Is wat ik wil.
Bloeden dat het doet Ik kan het laten stoppen Terug stoppen gaat minder goed.
M.A.T.
Lopen op het water
De sneeuw bedekt de straten Onzichtbaar zijn de voegen Die zo zichtbaar in de zomerzon Me hadden gezegd niet op ze te gaan staan
De sneeuw bedekt de straten Onbesmet en onbevlekt Wat zou er van mij over zijn Ben ik mooier dan
Lopen op het water Ik moet haast wel een god zijn Bruine gaten die mijn stappen achterlaten Verraden Dat ik deze witte straten nooit zal zijn.
Mijn huis
Het klinkt hier stiller dan voorheen. Alsof met het verhaal dat ik heb voorgelezen een deel van mij is weggegeven. Een deel van mij met ruis, mijn huis. Waaronder ik geschuild heb, gehuild heb. En ik ben moe, maar voldaan, maar leeg en ik zweeg. Om de stilte die nu heerst te laten weten dat het er mag zijn. Net als ik. Ik was mezelf, zoals ik nog niet geweest ben. En dat het goed is, wie ik ben, wie ik zijn mag. Dus ik glim en ik lach. Ik heb een thuis gevonden.
Als een leeg vel papier
“Ik was als een leeg vel papier”, zeg ik. “Had je dan helemaal geen woorden?”, vraag jij. “Jawel, maar geen zinnen en het heeft heel lang geduurd voordat ik weer zinnen kreeg.” “Wat voor zinnen?”, vraag jij weer. “Zinnen die gaan over het leven, mensen en andere dingen.” We zitten tegenover elkaar aan de keukentafel. “Ik heb u gemist”, zeg ik. Je zwijgt en nu zwijgen we samen. Je hebt mij ook gemist, weet ik. Dat durf je me niet te vertellen, want je hebt geen durf gekregen. De durf, die je mij ook niet gegeven hebt. “Hoe gaat het nu met u?” “Ach, er zijn altijd mensen die het slechter hebben.” Je pakt de pot crème van tafel en wrijft je handen om elkaar heen. Ze maken een fluisterend geluid, jouw eeuwig droge handen. Ik vraag me af wat voor geluk dat is. Gelukkig zijn met de gedachte aan anderen die het slechter hebben dan jij. “Wil je ook thee?”, vraag jij. Ik knik. “Ik ben als een leeg vel papier”, zeg ik. “Maar je hebt toch zinnen gekregen?”, hoor ik vanuit de keuken. “Jawel, maar ik moet opnieuw op zoek, naar de woorden die de zinnen compleet maken. Ik heb een nieuw vocabulaire gekregen, die ik nog uitproberen moet.” “Ik hoop maar dat het uitpakt, zoals jij dat wenst”, zeg je. Ik glimlach even. “Ik zorg wel dat het zo uitpakt, mama. Zoals ik dat wil.” Ik zie je kijken, je vertrouwt het leven niet.
Je zet de thee die je altijd zet. Ik zou niet anders willen. Ondertussen praat je over de winkel die je zo lief hebt. Het zit in je bloed, het vakken vullen, stellingen veranderen, de zuivel die je sinds kort in plaats van het snoepgoed doet. Je spreekt over de mensen die je helpt, door het een en ander weg te geven. De spullen waarvan de ten-minste-houdbaar-tot datum is verstreken. Ik zeg; “u bent een goed mens, mama.” Je kijkt naar beneden. “Ach, ik doe maar gewoon.” Ik vind de woorden echt, die ik tegen je zeg. Je kon niet beter vroeger en je was alleen. Je kijkt op uit jouw gedachten. “Ik denk dat ik te veel Sinterklaasgoed over heb.” Zoals ieder jaar vertel je over wat je in juni al bestellen moet. “Daar kan ik dan zo mee zitten, daar slaap ik hele nachten niet van.” Ik wil je vertellen dat het goed komt en dat je er nu toch niets meer aan kunt veranderen, maar ik weet dat het niet uitmaakt wat ik zeg. Je slaapt sowieso niet echt en piekert veel, zoals over hoe het weer kan zijn in de winter wanneer je de weg op moet (over twee maanden). Je zet de theepot op tafel en schenkt me in. Earl Grey, ochtendthee, die we ook ‘s middags drinken, dronken. Je haalt het zakje er niet uit. Ik kijk naar het water dat langzaam zwarter wordt.
“U bent een volgeschreven vel papier, mama. U bent een vel dat als propje verfrommeld is geraakt.” Ik zie je nadenken over mijn woorden en je zegt, “Ik heb wel elf broers en zussen, die bijna allemaal ouder zijn dan ik. Ik heb me vaak aan moeten passen, om met ze op te kunnen schieten.” Je schenkt me opnieuw bij van de zwart geworden thee. Je laat wat druppels vallen op het plastic tafelkleed. Opeens begrijp ik het beter. Jij wilt zo graag gladgestreken zijn, dat je vouwen en deuken hebt opgelopen om scheuren te vermijden. Jij maakt je klein, kleiner tot dat je niet verder verfrommeld raken kan. Ik pak een rond biscuitje uit de trommel, waarop de naam Maria staat. “Volgeschreven raakt u toch”, zeg ik. Je kijkt me aan en ik kijk naar je terug. In jouw ogen staan tranen, door wat er op jouw papier geschreven staat. “Ik zou willen dat u ook een leeg vel kunt worden. Zodat u uw eigen woorden schrijven kunt.” Je pakt mijn hand van tafel, beiden zijn even koud. Samen blijven we zo even zitten.
Aan de muur hangt Peter. Peter en ik op een witte muur. We kijken allebei verbaasd in de fotocamera. Het is een klein stukje moment vastgelegd. “Hoe is het met Peter?”, vraag ik. Je antwoordt terwijl je een sopje maakt in de keuken. “Goed geloof ik, maar dat weet je bij hem nooit zeker.” Het geluid van de lopende kraan doet pijn aan mijn oren. Jij kunt ook nooit een vlek wegpoetsen zonder daarvoor een hele emmer met sop te maken. Ik bekijk Peter, we zien elkaar zelden. Ik ben eraan gewend geraakt, mensen aan het leven te verliezen. De mensen die ik ken, zie ik zelden en ik ben het meest op mijn gemak met mij en mijn gedachten alleen. “Waarom zoek je hem niet vaker op?” vraag je. “Ik weet het niet”, antwoord ik.
Ik zit bij Peter op de slaapkamer, wanneer papa met mama praten moet. “Gaan jullie maar naar boven”, had ze gezegd. Haar stem had klein geleken. Onderuit gezakt op Peters bed staar ik in het niets en mijn onderlip valt wat naar voren. Peter moet dat gezien hebben, want hij vraagt of ik een spelletje wil doen, maar ik heb geen zin om te verliezen. “Wist je al dat papa de wereld rond gaat varen?”, vraagt Peter en hij kijkt me met wijd open ogen aan. Ik ga wat meer rechtop zitten. “Hij gaat varen op de grote oceaan en de sterren aan de hemel vertellen hem de weg” zegt Peter en vervolgt “Hij meet vanaf de horizon tot aan de sterren. Hij kan de weg maar twee keer per dag uitrekenen, even voordat de zon opkomt en net nadat de zon is ondergegaan.” Ik denk na over zijn verhaal. Ik vind dat heel bijzonder, dat de sterren papa vertellen waar ter wereld hij zich bevindt. De stemmen onder ons worden steeds beter hoorbaar en tussen Peter en mij is het stil geworden zodat we hun woorden kunnen vangen. “Kunnen de sterren papa ook de weg naar huis vertellen?” Besluit ik Peter toch te vragen. “Dat weet ik niet zeker”, antwoord hij. We horen de deur beneden dichtvallen en Peter kijkt op. Hij rent naar beneden en trekt de voordeur open. “Papa, papa”, roept hij de optrekkende auto na, maar papa ziet hem niet. Peter blijft staan in het midden van de straat, totdat hij de achterlichten ziet vervagen in het donker.
Ik probeer mijn handen te warmen aan de halflege kop thee, maar het water is inmiddels koud geworden. “Waar heeft u mijn spullen neergezet?” wil ik weten. We gaan naar boven. Aan de trap trek ik mijn schoenen uit, zoals dat hoort. Het is kouder boven, net zoals vroeger heb je hier de verwarming niet aan gezet. Op de overloop zie ik dat alle deuren vervangen zijn, ook de deur met het gat. “Ik heb het hier wat opgeknapt”, zeg je aarzelend. Ik open de deur en ik bekijk de ruimte. Ik herken deze witte onbeschreven muren niet. Niets in deze kamer herinnert me aan vroeger, behalve de kou. In het midden staat een doos waarin je mijn verleden opgeborgen hebt. Ik betwijfel of ik durf te kijken, terug te kijken. Is het nodig om opnieuw te openen wat ik afgesloten heb? “Ik wil gaan lopen, mama”, zeg ik, “Ik wil mijn stappen groter maken.” Ik zwijg over jouw ogen die ik zie, als ik in de spiegel kijk. Ik ga zitten op de grond en voel de kilte van de vloer in mijn billen optrekken. Mijn gloeiende wangen verraden dat mijn bloed sneller stroomt door mijn lijf. Jij legt jouw hand op mijn schouder en ik leg mijn handen om het karton.
Net als toen
Morgen slapen we uit, morgen In het bed dat niet de onze is Zinken we weg, in donzen dekens Laten we onze hoofden vallen Op vreemde kussens Morgen, niet vandaag
Vandaag wil ik vroeg opstaan En de zon op zien komen Net als toen Zodat ik me kan voelen Net als toen Zal ik me voelen Net als toen Toen ik de zon Vroeg op zag komen
Ik wil zijn Waar koud water zich uitrekt over mijn voeten Die wegzinken in het zand En oneindig uitkijken, de stilte in Zodat er even niets is, dan dit moment Waarop ik de zon zie opkomen En ik me voel, net als toen
Onvolledig mezelf, week 3
Mannen met grijze pakken sturen me naar huis. Ze zeggen dat de zon al op is, maar ik zeg van niet. Ze grijpen me bij mijn ellenboog en sleuren me de zaal uit. Ik voel de vochtige lucht op me af komen, gevolgd door een kilte die niet alleen van buiten komt. Ik woon in Amsterdam dus heb vier fietsen. Ik grijp in mijn zakken om mijn sleutels te vinden, maar ik grijp naar niets. Ik heb drie fietsen. Waarvan ik de sleutels kwijt ben. Dat wordt vast ook een ziekte, chronisch je sleutels kwijt zijn. Dat schijnen zij ook wel eens te hebben. Mensen die ervoor gestudeerd hebben, om dat soort dingen te kunnen zeggen. Die er zouden moeten zijn, om naar mij te luisteren. Niets meer durven zeggen, en de stilte die daar op volgt. Ik staak mijn zoektocht om een sigaret tussen mijn lippen te zetten, draai een paar keer aan het wieltje zodat er vuur ontstaat. Ik vul mijn longen met nicotine en kijk hoe de rook als stroken uit mijn mond komt en in de lucht verdwijnt. Ik kan niet de enige zijn, die in mezelf gelooft, dus geloof ik in pillen. Ik leg ze op mijn tong en slik ze weg met niks. Het duurt nog 45 minuten voordat ze werken weet ik, dus begin ik te lopen. Strompelend over de grachten, zoek ik mijn weg naar huis. Ik kom er bij de voordeur achter, dat ik nog steeds mijn sleutels mis. Ik ram met mijn vuisten tegen de deur. Het gebonk dat door deze beweging ontstaat veroorzaakt licht. Ik zie hoe het gordijn opzij geschoven wordt, als ik besef dat ik jaloezieën heb. De verkeerde deur, het verkeerde huis, de verkeerde wereld. Ik glijdt met mijn rug langs de muur van het huis dat mijn thuis niet is, en voel hoe de kou van de grond in mijn billen optrekt. Ik kijk naar de rozen in deze tuin, die me verleid hebben om hier naar warmte te komen zoeken. Na een nacht van klapperende kaken en trillende trommelvliezen, na een dag vol niets. Het is allemaal verziekt, het leven dat ik leidde. Ik heb het omgeruild voor goedkope seks met mannen met veel te grote auto’s, die te snel komen. Klaarkomen net voordat je ongesteld moet worden. Het sperma dat eruit druipt, wat nog de hele dag blijft duren. Maar ik herinner me roomijs. Roomijs en likken, likken en bijten. Onoverwinnelijk gelukkig zijn, en de angst voor wanneer dat weer verdwijnen zal en de leegte wederkeert. Angst wint het altijd, van mijn onoverwinnelijkheid. Het is een dodelijke combinatie. Angst en onverschilligheid. Onzekerheid, ook zoiets. Onzeker, waarom? Waarvoor! Omdat ik alles kwijt kan raken, maar eigenlijk heb ik toch al niets, of wat alles eigenlijk is. Wat anderen van mij denken, hoewel iedereen met zichzelf bezig is. Sociaal geaccepteerd worden, om erachter te komen, dat wat ze accepteren, niets met mij te maken heeft. Ik wil niet meer op zoek zijn naar mezelf in anderen. Niet kunnen kiezen, om onvolledig mezelf te zijn. Het laten leiden, lijden door het leven.
Weg varen
Ze varen weg
Om ver weg
te varen
Het zware geluid van de hoorn
Verteld dat ze gaan
Niet alleen
zeggen ze in de haven
Maar varen weg
ver weg
scene, week 2
Haar kinderen staan ongeduldig voor de deur te wachten. Ze hebben hun jasjes al aan, als ze hurkt om de veters van haar dochter te strikken. Ze ziet hoe haar dochters’ voet nog nauwelijks in de schoen past. Ze zal een briefje voor haar man achterlaten om hem te zeggen dat hij met haar schoenen moet gaan kopen. Tranen wellen op in haar ogen, die ze snel wegslikt voordat ze opstaat. Ze geeft haar niets vermoedende kinderen een warme kus op hun gloeiende, zachte wangen en opent de deur. Een liefdevolle groet van beiden wordt haar toegewuifd voordat ze de buitenlucht in wandelen. Ze kijkt hen na, slaat haar vest dicht, en voelt hoe de koude wind langs haar lichaam waait. Het valt haar op dat de bomen de kou ook opgemerkt hebben, nu hun blad geel, rood en bruin gekleurd is. Ze sluit de deur achter zich en loopt naar het aanrecht. Vervolgens worden de ontbijtspullen van haar kinderen afgeruimd en in de gootsteen gezet. Dat moet hij vanavond maar met ze afwassen, stelt ze. Opnieuw ontstaat er een brok in haar keel. Ze ruimt hun speelgoed op in de kast en loopt de trap op naar de slaapkamer. Zorgvuldig haalt ze de knielange, zwarte rok uit de kledingkast samen met haar ecru gekleurde blouse van zijde. Ze stapt uit haar nachtjapon en aait met haar hand langs haar been. In de badkamer pakt ze de bus scheerschuim van haar man, bedekt haar benen met het chemische goedje en glijdt een scheermes langs haar linkerbeen. Het ritueel wordt herhaald bij haar rechterbeen en oksels. Het geleende scheermes legt ze terug bij de spiegel. Ze kijkt op en ziet twee rood doorlopen ogen terug kijken. Met haar hand trekt ze haar voorhoofd strak, waardoor de rimpels daar tijdelijk verdwijnen. Twijfelend opent ze haar make-up tas. Toch bedekt ze de blauwe kringen onder haar ogen met een poeder, en strijkt met een borsteltje langs haar wimpers. Met een licht rode stift kleurt ze haar lippen in, zet twee strepen op haar wangen en wrijft de vlekken uit. In de slaapkamer worden haar benen met een lotion gevoed. Vervolgens glijdt ze een panty langs haar benen omhoog, stapt in de zwarte knielange rok, en knoopt haar zijden blouse dicht. Ze bewonderd het resultaat in de spiegel. Een oude grammofoon in de hoek wordt met een langspeelplaat herenigd, het geluid van strijkinstrumenten galmt door de ruimte. Pergolesi, Stabat Mater herinnert ze zich. Het klassieke stuk heeft ze ooit samen met haar man mogen bewonderen in het concertgebouw van Amsterdam. Ze zet de kraag van haar blouse op, en strijkt haar rok glad. Als ze naar de zolder toe loopt, werpt ze een laatste blik in de slaapkamer van haar kinderen, en sluit de deur er naartoe. De trap naar zolder heeft twaalf treden die ze aftelt. Twaalf, elf, bij het grijpen van de leuning ziet ze hoe haar hand trilt. Negen, acht, haar hoofd vult zich met de stem van de opera zangeres. Vier, drie, er lijkt gewicht van haar schouders af te vallen bij iedere stap die ze zet. Twee, één, met opgeheven schouders opent ze de deur naar het balkon en springt.
Scene, week 1
Ik kijk omhoog, mijn blik staat op oneindig. Ze hebben mij verplaatst waardoor ik nu regelrecht het felle licht in kijk. Het verbindt mij niet. Ik bekijk mijn positie, normaal sta ik voor het grote doek, maar nu aait het rode fluweel mijn lijf.
Ik mis een pink, en in het marmer zijn scheuren ontstaan. Mijn huidige staat lijkt haar niets te kunnen schelen. Voorheen kwam ze iedere avond de planken op, maar tegenwoordig blijft de rest van zaal onverlicht. Ik mis het rumoer van toeschouwers die langzaam naar binnen druipen, op zoek naar hun zitplaats. Vervolgens werd het licht gedoofd, en werd de enorme rode lap stof opgetrokken. Ik herinner me, hoe een oorverdovend geluid ontstaat, wanneer de menigte haar handen tegen elkaar slaat. Vervolgens kwam ze in een tulen rok de verhoging op, en maakte pirouetten om mij heen. Ik voel me vereerd, omdat ik belangrijk genoeg was, om naast haar, in het middelpunt te mogen staan.
Ik ben een sta in de weg, hoorde ik haar laatst zeggen. Anderen hebben me toen meer dan eens heen en weer geschoven. Terwijl ze mompelen, dat ik te zwaar ben. Ze zou wel anders met me omgaan, als ze wist wat ik allemaal weet.