Het is maandag en Herman is aan het fietsen naar de supermarkt om brood te kopen voor vanavond. Aan het einde van het straat zijn er twee wegen. Herman weet niet meer het welke hij moet nemen om tot bij de supermarkt te komen. Hij besluit om naar rechts te gaan, het straat is bijzonder, alle huizen lijken exact op elkaar, ze zijn allemaal klein en licht blauw. Herman fietst een half uur lang in dat zelfde straat, op een moment stopt hij omdat het heeft gewoon geen zin. Dit was niet het weg die hij moest nemen. Hij beslist om terug te gaan maar hij blijft maar fietsten. Het lijkt wel alsof deze straat geen einde heeft. Herman begint te panikeren, hij klopt bij een huis, niemand antwoord, hij probeert bij een andere huis, steeds niemand. Er zijn geen inwoners in deze straat, wat best raar is want de gras is netjes gemaaid dus er zijn wel mensen hier. Het begint langzaam donker te worden. Herman belt zijn vrouw, er is geen netwerk. Hij gaat bij de ramen kijken, hij ziet niemand. ‘wat moet ik nu doen?’ dacht Herman. ‘ding’ er komt een klein geluid aan het andere kant, Herman word heel blij en fietst vlug naar waar het geluidje vandaan komt. Het is het einde van de straat, ‘dus er is toch een einde, dat is vreemd toen ik hier kwam was er toen nog steeds maar dezelfde huizen.’ dacht Herman. Aan het einde van de straat is er een landhuis. Bij één van de ramen van het landhuis is er een lampje aan. Herman vind al dit gebeurtenissen heel raar en gaat zenuwachtig naar het landhuis. Hij klopt aan de deur, maar de deur staat al open. Hij komt in, het is somber en kou, er is iemand die ‘the moonlight’ van Beethoven aan het spelen is. Hij gaat naar de eerste verdieping dan naar links, hij zit voor de kamer vanwaar de muziek komt. Hij doet zachtjes de deur open, er is een vrouw die bij de piano zit te spelen. Ze heeft een witte huid, lang zwarte haren, gele ogen en rood lippen. Ze lijkt gek. ‘wees niet bang, kom in’ Herman gaat een stapje naar voor. ‘het is al zo laat, heb je al gegeten?’ ‘nee’ antwoordt Herman. ‘goed, dan zullen we maar eten, ik heb je favoriete gerechten bereid, kipcurry met ruist. Ga maar daar zitten Herman.’ Herman was geschrokt, hoe wist dat vrouw zijn naam en zijn favoriete gerecht? Herman gaat zitten en vraagt een paar dingen over haar. Alles gaat goed tot het einde van het diner. De vrouw zegt aan Herman om in tien minuten in de tuin te komen. Hij blijft dus aan tafel alleen aan het wachten hij dacht om weg te lopen maar hij wist niet hoe hij uit die straat kon gaan, hij moest help krijgen van dat vrouw. Na tien minuten doet hij de deur open en gaat in het énorme tuin. Er is een weg van kaarsen, hij volgt de kaarsen en ziet de vrouw in een énorme witte jurk. ‘ik heb zolang voor je gewacht Herman, we gaan eindelijk voor altijd samen kunnen zijn.’ Herman schrikt en zegt ‘wat bedoel je, we kennen elkaar zelfs niet’ ‘ik wel, ik kijk je van ver al jaren lang en je bent eindelijk tot bij mij gekomen.’ ‘maar ik ban al getrouwd en ik wil niet met je trouwen.’ ‘MAAR IK HEB TWINTIG JAAR OP JOU GEWACHT!!!’ ‘luister ik ben zeker dat er veel mannen met jou willen trouwen, maar ik moet nu echt terug bij mijn familie.’ ‘je gaat nergens heen, als ik je niet kan hebben dan kan niemand je hebben!’ Ze drukt dan op een knop en er komen hoge muren vanuit de grond. Herman kijkt naar de muren en wanneer hij terug naar de vrouw kijkt ziet ze haar niet meer ze is weg gegaan toen hij geen aandacht aan haar besteed. Herman loopt in het labyrint, hij heeft koud, hij is moe en wilt gewoon thuis zijn. Na twee uren stappen voelt hij alsof er iemand hem aan het kijken is, hij denkt dan dat hij gewoon gek is. Echter kijkt hij elk twee minuten achter hem. Hij voelt een ademhaling achter hem en kijkt nog eens achter hem, er is niemand. Hij kijkt opnieuw voor hem en ziet een tijger. Herman begint te rennen hij neemt elke keer een andere weg om de tijger te verdwalen. Ineens begint de grond te beven, de grond wordt in twee geopend Herman springt en hij slaagde erin om aan de andere kant te komen. De tijger blijft aan de eerste kant. Herman kan niet meer ademen, hij is moe maar hij blijft loopen. De grond is opnieuw aan het beven, maar deze keer komt er een geluid van achter hem. Het is een gigantische cilinder die aan het rollen is en de weg is recht door voor nog een lang tijd. Herman begint opnieuw te lopen, hij wordt gered door een oude man die op de muren zat. De man leefde ooit in deze landhuis, dat was voor dat de heks aankwam. Hij zei aan Herman om recht door te gaan en hij zal uit de labyrint zijn, maar pas op dat u niet valt want ander kom je er nooit uit. en hoe dichter je bij de uitgang komt hoe vreselijker de trappen zijn. Herman gaat voorzichtig naar voor , hij ziet de einde van de labyrint en begint te rennen en hij valt. Er is rook overal hij kan niks zien, hij loopt naar voor en ziet een silhouet, het is dat vrouw! Ze heeft en mes in haar handen en probeert Herman te vermoorden maar hij ontwijkt zijn aanvallen en komt uit de labyrint. Hij gaat thuis en verteld alles aan zijn vrouw, hij is zo moe en gechoqueerd dat hij de rest van de week niet gaat werken. De inwoners zullen dus volgende week moeten wachten om hun paté te kopen.