XXII. Het Einde
Dit is het einde. Dit is mijn allerlaatste tekst. Het is een lange en het is om te huilen. Ik zit inmiddels op het vliegtuig naar huis. En al wat ik op dit moment kan denken, is: hoe kan ik in godsnaam terugkeren?
Ik had de intentie om nog een voorlaatste hoofdstuk te schrijven, maar de laatste dagen vond ik er geen tijd voor. Ik wou vertellen over mijn laatste zaterdagnacht bij Pocalana. Over hoe we op mijn vraag Ajiaco maakten voor 120 man. Over de gesprekken die ik die nacht heb gehad en de mensen die ik heb ontmoet. Ik wou de wijze woorden delen van een dakloze die een onversneden, intrinsiek geluk uitstraalde zoals ik nooit eerder had gezien. Ik wou vertellen hoe de politie ons uit The Bronx joeg en hoe wel zestig hongerige daklozen achter onze truck aanrenden in de hoop toch iets te krijgen. De stakkers. Ik wou vertellen hoe ik voor de laatste keer Gabriel trof op het stort en hoe zijn geïmproviseerde hut van kratten en vuilzakken op de grond lag – omdat iemand wraak op hem wou nemen. En ik wou vertellen over hoe de allerlaatste man die ik sprak me om kleren vroeg en naar mijn dikke trui staarde. Ik wist niet wat te doen en toen Alejandro me kwam halen om naar huis te gaan, werd ik verteerd door schuldgevoel. De man vroor dood en ik gaf hem niets.
Er was zo veel dat ik nog wou vertellen, maar het doet er niet toe. Het is voorbij en het is veel geweest.
Mijn laatste dagen waren hectisch, druk, emotioneel. Ik wou nog zo veel afwerken, nog zo veel doen voor deze projecten en deze mensen. Tegelijkertijd kwamen nieuwe vrijwilligers aan, werd Cesar ontslagen en werd Cristina ziek. Ik geloof dat Cristina en Gloria blij waren dat ik er nog even was om mee te helpen; om een oogje in het zeil te houden, om nog even de vrijwilliger te zijn die de rest op de vingers kan tikken, hun voort trekt of naar bed stuurt wanneer ze te veel hebben gedronken. ‘En after Martin leaves, I’m the boss,’ zei Mitch. Ja, ik was de baas.
Ik stel me al lang de vraag wat ik zal achterlaten, hoe ik zal vertrekken. Ik durf te zeggen dat ik trots ben op wat ik hier heb gedaan. Op wat ik heb ontdekt. Op wie ik hier ben geweest.
Op mijn laatste dag in San Jorge wou ik geen Engelse les geven. Ik wou iets leuks doen met de jongens. Dus heb ik tekenles gegeven. En voor de eerste keer werden de jongens stil. Allemaal zaten ze voorovergebogen te tekenen, aandachtig, zonder elkaar lastig te vallen. De enige keren dat ze spraken, was wanneer ze mijn hulp vroegen. Ze waren oprecht geïnteresseerd. Achteraf zei Frederith me dat alle jongens graag tekenen maar het bijna nooit kunnen doen. Hij zei dat dit veel voor hun moet hebben betekend.
Ik heb hoop voor hun. Ik heb het hun verteld toen ik vertrok. Maar ik ben ook bang. Bang dat veel van hen nooit zullen ontsnappen aan het slijk waarin ze hun hele jeugd hebben gewaad. Ik hoop dat het iets betekend heeft. Hoewel deze jongens nood hebben aan langdurige positieve relaties, hoop ik dat mijn werk hier enige versterking heeft betekend voor de mensen van San Jorge. Ik weet dat ik hun nooit meer zal zien. En ik weet dat zij me minder snel zullen vergeten dan ik hen. Dat is erg. Maar ik hou van deze jongens. Ik hoop. Ik hoop.
Mijn projecten vaarwel zeggen was een van de meest verscheurende dingen die ik ooit heb meegemaakt. ‘Martin, por que tu te vas? Eres el jefe. Quien es el jefe cuando tu te vas?’ zei Andris uit het Dormitorio. Ik heb al een nieuwe leider aangeduid. Ik heb het een tijd geleden met Gloria besproken. We merkten allebei dat de 18 jaar oude Mitch erg was gegroeid in de voorbije maand. In mijn laatste weken heb ik hem klaargestoomd om het project in het Dormitorio te trekken.
Ik wil enkel het beste voor mijn prinsen omdat ik me nog herinner hoe het eerste bezoek verliep. Ivan (El Jefe) negeerde ons compleet en behalve Werner wilde niemand zijn verhaal kwijt. En de laatste keer dat ik er was, kwam Jefe van de kapper. Zijn haar was net, hij was geschoren, en hij had nieuws: hij zou er binnenkort vertrekken. Hij had werk gevonden en hij zou een nieuw huis kunnen betalen. Ik was ontroerd. Ik was nog meer ontroerd toen hij me aan het eind een knuffel gaf. Allemaal gaven ze me een stevige knuffel toen ik vertrok. Ze wensten me succes en klopten met hun vuist op hun borst: ‘Hier ben je altijd thuis,’ zei Werner.
Mijn laatste twee dagen werden een eindeloze oefening in verlies. Maar het vertrek uit de homeless shelter brak me pas echt. Dat breekt me nog steeds. Twee maanden lang was ik de enige vrijwilliger die hier elke dag kwam. Ik kende elke medewerker en elke dakloze. Ik wist exact wat er moest gebeuren en hoe alles werkte. Ik voelde me een team met Eva en de zusters. Dit was mijn plek. Mijn job, mijn keuken.
Ik had niet veel mensen verteld dat het mijn laatste dag was. Enkel de zusters en Eva. Ik wou deze ochtend gewoon als alle anderen doorbrengen: door het werk te doen waar ik het meeste van hield.
Het is anders verlopen. Ik vermoed dat zuster Rebecca Salazar over mijn vertrek heeft verteld. Ik vond het al vreemd dat hij aan de deur bleef staan toen ik de daklozen binnen liet. Normaal dronk hij nu een koffie in de keuken. En in plaats van de daklozen mee binnen te laten, ging hij in de deuropening staan en riep hij uit volle borst: ‘Hoy es el ultimo dia del chico! Hoy es el ultimo dia de Martin!’
Wat toen gebeurde, zal ik nooit vergeten. Van zodra ik het eten opdiende, kwam de ene na de andere dakloze op me af. Ze reikten me de hand, bedankten me, vroegen naar wat ik nu ging doen en wanneer ik terugkwam. Allemaal, van begin tot einde; terwijl ik sap inschonk, terwijl ik tweede porties gaf, terwijl ik de afwas deed. Allemaal kwamen ze. Enkele vrouwen tekenden een kruis op mijn voorhoofd en de priester gaf me een stevige knuffel. ‘Ik zegen u. God beschermt u,’ zei hij. ‘Does it get to you?’ vroeg Mitch. ‘Yes,’ zei ik en ik voelde de krop in mijn keel.
Terwijl we de laatste beetjes opkuisten, kwam zuster Rebecca op me af. ‘We will miss you,’ zei ze. ‘It certainly has been great since you came. We haven’t had much volunteers like you.’
‘The best volunteer,’ zei de andere zuster.
‘Yes. A very special soul, he has. Full of joy. I hope you come back. Maybe you could even work here, with the brothers.’
Zuster Rebecca gaf me een brief aan een zuster in België. Ze vroeg of ik hem wilde posten. Ze gaf me het adres van hun shelter in Brussel en Gent, zodat ik daar kan helpen indien ik wil. Ik zou dat graag doen. Ook zou ik de brief liefst niet per post verzenden. Het liefst van al geef ik hem zelf af. Om de vriendin van zuster Rebecca te zien. Om haar te vertellen wat ik heb meegemaakt. Om haar foto’s te tonen van de zusters in Bogota. Maar vooral omdat ik hoop zuster Rebecca nog even in deze zuster te herkennen.
Ik was een wrak toen ik met Stormy en Mitch de taxi in stapte. Ik heb mijn hoofd op Stormy’s schoot te rusten gelegd en ik heb geprobeerd niet te huilen, net zoals ik niet probeerde te huilen toen ik afscheid nam van Gloria, Cristina en Monica.
‘Thank you for everything you have done,’ begon Cristina. ‘The difficulties we’ve recently gone through often make us doubt why we do this. But it’s the few people like you who make this work worthwhile. You really have left a strong impact here, both in the projects and in the house. You have had a very positive influence on other volunteers, and you have helped out with a lot of difficult things that needed to happen. So we really hope you come back, as soon as possible.’
Ik heb haar een stapel kleren nagelaten. Een hemd, een short, mijn schoenen en mijn trui. De trui die ik droeg toen de dakloze in Pocalana me om kleren vroeg. De dikke, wollen trui die ikzelf wel vier jaar lang bijna elke dag heb gedragen, van de herfst tot de lente. Ik heb een foto van die dakloze naar Werner gebracht. Ik heb hem gevraagd hoe hij heet en waar hij rondhangt. En ik heb Cristina gevraagd om de trui aan hem te geven.
En na al dat afscheid, is er nog één ding dat ik moet vertellen. Iets waar ik lang niks over wou vertellen.
Ja, het is tijd dat ik over vrouwen praat. Over een meisje.
Er is wel meer dan eens iets gebeurd met meisjes. Ik heb er nooit over verteld omdat het nooit iets aan mijn verhaal leek toe te kunnen voegen. Maar deze keer is het anders. Omdat het niet zomaar betekenisloos is, niet zomaar vrijblijvend. Omdat het geen spel is en omdat het de dingen plots moeilijker maakt. Ik heb haar hier al even vermeld. Haar naam is Stormy. Ze komt uit Salt Lake City.
Het is begonnen op de dag nadat Judy vertrok. Gek genoeg begon het met al de meisjes op dezelfde manier: met salsa en de achterbank van een taxi. Het begon als één van die dingen die maar één keer horen te gebeuren. Maar om één of andere reden gebeurde het in de dagen erna steeds opnieuw en om één of andere reden wou ik ook niet anders. Elke avond was er iets dat ons naar elkaar toe duwde en steeds werden we minder voorzichtig. Het geheimzinnige gedoe was leuk, maar het kon me ook steeds minder schelen wat anderen er van dachten.
En geleidelijk kwam het besef dat ik de hele tijd bij haar wou zijn. Dat het meer was dan fysieke aantrekking. Dat er wel degelijk iets ontstond, iets dat echt was en dat het daglicht mocht zien. Dit was geen vluchtige flirt meer, dit was niets meer om verborgen te houden.
En geleidelijk kwam het besef dat dit het afscheid enkel moeilijker zou maken. Niet omdat ik verliefd ben. Daarvoor was dit gewoon te kort. Maar ik kan haar niet zomaar vergeten. Mijn laatste dag heb ik enkel met haar doorgebracht omdat we allebei wisten dat het hierna zou eindigen. Want hoe mooi dit ook was, er was te weinig tijd om te ontdekken wat dit was. Dat breekt mijn hart: het gevoel hebben dat dit meer had kunnen zijn maar het nooit zullen weten.
Dit doet pijn. Iets meer dan een week geleden leek het verhaal rond, maar nu – vlak voor ik ga – lijkt het alsof alle draden te snel worden afgeknipt. En alles stort in elkaar nog voor het begonnen is.
Ik zal niet met droefenis terugblikken. Al hoop ik met heel mijn hart haar ooit terug te zien, ik zal enkel terugblikken met blijdschap omdat we op z’n minst dit hebben gehad, hoe weinig het ook was.
En wat is heel deze reis nu geweest? Mijn werk, mijn verhaal? Wat was de waarde hiervan? In welke mate heb ik deze mensen geholpen, een relevante bijdrage geleverd, hun leven beter gemaakt? Wat heeft het betekend? Iets, daar twijfel ik niet aan. Maar meer weet ik ook niet. Minder dan ik zou gewild hebben. Daar ben ik zeker van.
Want als we eerlijk zijn, hebben al deze mensen geen vrijwilligers nodig. Ze hebben professionelen nodig. Ze hebben geen baat bij jongeren die slechts twee weken tot twee maanden blijven, die iets opbouwen dat gedoemd is om weer neer te vallen. De échte waarde van mijn werk, de impact die dit kan hebben op lange termijn, is miniem. Mijn werk bevindt zich in de marge van wat er werkelijk roert, van de grote stappen. Het is Monica’s werk dat telt. Net zoals ik niet meer kan doen dan een warm thuis voor Frederith creëren waar zij de voogdij opneemt, fungeert mijn werk hoogstens als steun.
Neen, de echte meerwaarde van dit verhaal ligt bij mij. Bij wat dit voor mij heeft betekend, bij hoezeer deze ervaring mij heeft veranderd.
Want hoe pik ik hierna de draad in godsnaam weer op? Hoe ga ik weer verder wanneer iets, een deel van mij, hier is achtergebleven? Hoe hervat ik de normaliteit van mijn oude huis wanneer ik iets met me meedraag dat mijn hele blik op de wereld aantast?
Ik vrees dat ik nooit helemaal kan terugkeren naar mijn oude thuis. Omdat ik niet meer hetzelfde zal zijn. Omdat iets mij in het diepst van mijn wezen heeft geraakt, onder mijn huid is gekropen en zich in mijn beenderen heeft versleuteld. Mijn fundamenten zijn ontwricht. Zo voelt het. Alsof de stenen waarop mijn voeten staan weer zijn los getrokken en zijn gaan wankelen. Ik denk dat ik stevig door elkaar ben geschud. Dat is goed. Maar daar is geen terugkeer uit mogelijk.
En hier eindigt het. Terwijl ik dit schrijf, stijgt mijn vliegtuig boven Bogota uit. Hier verlaat ik mijn stad. Met zo veel geluk, met een gebroken hart om zo veel schoonheid. Met het gevoel te worden ontworteld voor mijn tijd, losgerukt wanneer ik nog niet klaar ben om te gaan.
Verlaat ik mijn nieuwe huis. Mijn liefde, mijn werk, mijn familie.
Verlaat ik een leven dat heel even van mij was.
Laat ik mezelf achter.
En hier zal ik herinneren. Herinneren, herinneren.
En ik draag het mee, voor altijd.
Mijn Bogota.















