Vijf vragen aan Martin Berger, Junior Conservator Midden- en Zuid-Amerika
Door Sanne de Vries, 6 mei 2015
Een museum is meer dan objecten in zalen. Tijd voor een kijkje achter de schermen! Conservatoren doen onderzoek naar de verschillende objecten en de verhalen. “Klinkt niet heel spectaculair, maar dat is het wel!”, zegt Martin Berger, Junior Conservator Midden- en Zuid-Amerika. Hij legt uit hoe hij als “detective” te maken krijgt met deeltjesversnellers en schedels.
1. Wat is je favoriete object van het museum?
Ik heb eigenlijk twee favoriete objecten, mag dat ook? Een schedel uit onze collectie is bedekt met mozaïek. Het is mijn favoriet, omdat het oud én nieuw is. De schedel en het mozaïek zijn oud, maar de combinatie is nieuw. Voor dit voorwerp heb ik detectivewerk gedaan. Ik ben in het museumarchief gedoken en heb geprobeerd dingen met elkaar te verbinden.
Schedel, afkomst onbekend.
Mijn andere favoriet is het model van een balspeelplaats. Het stuk is heel oud, het komt uit ongeveer 100 v. Chr. Het spel wordt echter nog steeds gespeeld door ongeveer tweehonderd mensen in Mexico. We hebben een video waarop je mensen het spel ziet spelen. De pose die je ziet in het model, zie je ook op de video! Het spel werd vijfhonderd jaar onderdrukt door de Spanjaarden. Toch is het mensen gelukt om vast te houden aan hun cultuur.
2. Waar ben je nu mee bezig?
Ik doe onderzoek naar de schedels. Ik probeer te kijken of deze schedels allemaal door dezelfde persoon versierd zijn. Ook doe ik onderzoek naar de dagboeken van Claudius Hendrikus de Goede. Hij was een onderzoeker in Suriname. We gaan zijn dagboeken koppelen aan foto’s en objecten van de collectie. We hebben een kammetje waarvan we weten wanneer en van wie hij die gekocht heeft. De nabestaanden van de verkoper zijn drie jaar geleden hier geweest. Hierdoor kunnen we echt een verhaal aan de objecten geven.
Pelota Mixteca.
Daarnaast doe ik mijn PhD-onderzoek naar Pelota Mixteca. Dit balspel wordt gespeeld in Oaxaca, in het Zuiden van Mexico. Ik probeer ongeveer duizend jaar ontwikkeling van het balspel te volgen. Dat is natuurlijk onmogelijk! Ik bekijk hoe de regels verschilden voordat de Spanjaarden het gebied bezetten. Ik onderzoek ook wat er gebeurt als mensen verhuizen van Mexico naar Californië.
3. Wat voor onderzoeken heb je gedaan?
Ik probeer vooral dingen uit te zoeken over individuele objecten. Ook heb ik de geschiedenis van de Mexicaanse volkskunstcollectie in kaart gebracht!
4. Wat is het meest bijzondere dat je hebt meegemaakt tijdens je onderzoek?
Meestal ga je als westerse archeoloog ergens naartoe en dan zit je in een hotel. Tijdens mijn studie deed ik mee aan opgravingen in Peru. Dat betekende dat we op vierduizend meter hoogte in de Andes, dertig dagen lang op het topje van de berg zaten. Er was geen elektriciteit of water, niks. Ik heb dertig dagen mijn was in een teiltje gedaan! Daar ervoer ik hoe het daar tweehonderd jaar geleden was.
Wat ook cool was: dat ik met zo’n schedel naar een laboratorium in het Louvre ging. Daar hebben we allerlei aspecten onderzocht met deeltjesversnellers, röntgenstralen en spectometrie. Ik begreep niet wat er gebeurde, maar de uitkomst begreep ik wel. Het mozaïek en de schedel zijn oud, maar de lijm ertussen is nieuw. Dat betekent dat het geheel dus niet oud is...
5. Waar zou je nog heel graag een tentoonstelling over maken?
Ik doe zelf onderzoek in Zuid-Mexico, in het Mixteekse gebied. Er wonen nog steeds zo’n drie tot vierhonderdduizend mensen die Mixteeks spreken. Deze mensen waren de handwerkslieden en bewerkten turkoois en goud voordat de Spanjaarden kwamen. Het is aan de ene kant heel bijzonder dat deze cultuur nog bestaat. Maar de Maya’s en de Azteken zijn er ook nog gewoon hoor! Het is alleen gek dat er zo weinig bekend is over de Mixteken. Zij stonden tussen de Maya’s en de Azteken in. Zij waren echt de vakmensen voor handwerkmateriaal.
De kans dat zo’n tentoonstelling er gaat komen, is niet heel groot. Veel mensen hebben er namelijk nog nooit over gehoord. Afgelopen jaar was er wel een tentoonstelling over Mixteken in Los Angeles. Die deed het heel goed, dus het kan wel!
Vijf vragen aan Annette Schmidt, conservator Afrika
Door Sanne de Vries, 4 september 2015.
Annette Schmidt is van oorsprong archeologe. Ze is werkzaam als de conservator Afrika voor Stichting Nationaal Museum voor Wereldculturen. Ze werkte 23 jaar in Mali, waarvan ze er ongeveer zes jaar woonde. De projecten die ze daar opzette voor Museum Volkenkunde zijn inmiddels afgerond. Ze geeft echter nog steeds les aan Nederlandse militairen die naar Mali worden uitgezonden.
1. Wat is uw favoriete object?
Dat is een kinderbierpotje, uit West-Afrika. Het wordt aan kinderen in Afrika gegeven om hun bier in te bewaren. Ik ben van oorsprong archeoloog, dus ik heb altijd een voorliefde voor aardewerk. Daarnaast ben ik bourgondisch en houd van lekker eten en drinken. Aardewerken potten zijn potten en pannen van het verleden en de toekomst.
Bierpot, Yauro: 1978
Naast de link met archeologie, is de link met pottenbakkers belangrijk. In Afrika zijn de vrouwen pottenbaksters. Pottenbaksters en smeden hebben een bijzondere positie in de samenleving. Ze kunnen van ruw materiaal iets bruikbaars maken. Men gaat ervan uit dat je dan over bijzondere kennis moet beschikken. Pottenbaksters wordt een grote vaardigheid toegedicht, maar ze zijn ook een beetje gevaarlijk. Daarom wonen ze vaak aan de rand van het dorp. Musea gaan meestal over bijzondere voorwerpen, maar dit potje is heel alledaags. Voorwerpen die toebehoren aan vrouwen en kinderen zijn vaak ondervertegenwoordigd in musea.
Dit potje komt van de Dogon. Daar zijn de vrouwen, naast pottenbaksters, ook bierbrouwers. Bier speelt een bijzondere rol in de Dogon-cultuur. Als je moeder bier maakt, krijg je als gezinslid een afgemeten hoeveelheid bier. Dit potje is de hoeveelheid bier voor een kind. Wil je meer bier, dan moet je dat bij een vrouw kopen. Het is dus een manier voor vrouwen om geld te verdienen en economische zelfstandigheid te ontwikkelen.
Ik vierde mijn 27ste verjaardag in het dorpje waar dit potje vandaan komt. Het is daar niet gebruikelijk om je verjaardag te vieren. Men weet namelijk vaak niet wanneer men jarig is. Als er iets te vieren is, wordt er bier gedronken. Dus ik had bij de beste bierbrouwster van het dorp twintig liter bier besteld. Ik had iedereen die ik kende uitgenodigd om bier te komen drinken. Toen kreeg ik zo’n klein potje. Daarom is het me erg dierbaar.
2. Waar bent u nu mee bezig?
Ik bereid nu de tentoonstelling Rhythm & Roots in het Afrika Museum voor. Deze tentoonstelling gaat in november open. Ik ben dus objecten aan het uitzoeken, teksten aan het schrijven, de storyline aan het ontwikkelen, overleggen met de tentoonstellingsmakers, met de ontwerpers, met inhoudelijk deskundigen. Dat is erg leuk!
Rhythm & Roots
Daarnaast krijg ik vragen van buitenaf, houd ik lezingen, beschrijf ik de collectie en schaf ik nieuwe collectie aan. Ook onderzoek ik de museumcollectie. Ik ben de laatste tijd bezig geweest met onderzoek naar Afrikaanse mode. Dat is ook in het kader van een tentoonstellings- en een onderzoeksvoorstel.
Ik maak ook tentoonstellingen voor externe partijen en geef voorlichting. Ik heb les gegeven aan Nederlandse militairen die naar Mali werden uitgezonden. Ik leerde ze over de culturele gebruiken en tradities in het land. Op die manier zijn ze beter voorbereid. Maar ik geef ook les op de universiteit en op de Weekendschool in Den Haag. Juist die diverse groepen, dat vind ik leuk. Ik vind het een uitdaging om een manier te vinden om mensen iets nieuws te vertellen over de collectie of thema’s.
Bovendien zit ik in een project met verschillende Europese musea over de Benin-collecties. Benin is een koninkrijk gelegen in Nigeria. De belangrijkste kunstschatten van dat koninkrijk bevinden zich in Europa. De Nigeriaanse bevolking wil graag de mogelijkheid krijgen deze objecten zelf ook weer te kunnen zien. Wij kijken hoe we daar een oplossing voor kunnen vinden.
3. Wat voor onderzoeken heeft u gedaan?
Ik heb onder andere gewerkt in de Democratische Republiek Congo, Zuid-Afrika en Ghana. Maar mijn hart ligt bij Mali, het is mijn tweede vaderland. Ik ben daar als archeoloog werkzaam geweest en heb een grote opgraving geleid. Het museum (Volkenkunde, red.) heeft een langdurige samenwerkingsrelatie met het museum in Bamako. We hebben bijvoorbeeld zestien jaar een restauratieproject gehad, waarbij we monumentale leemarchitectuur restaureerden. Dat was in samenwerking met lokale experts en medewerkers.
Het nationale museum van Mali, Bakamo.
Het museum heeft een prachtige collectie uit de Democratische Republiek Congo. Ik ben aan het kijken wat voor tentoonstelling we daarover kunnen maken. Maar we zijn ook bezig met fashion en streetwear. We kijken hoe je kleding is verbonden met je identiteit. We onderzoeken hoe kleding wordt gemaakt en wat inspiratiebronnen zijn.
Ik ben een conservator voor een heel continent, maar het is natuurlijk vrijwel onmogelijk om alles over de Afrikaanse materiele cultuur te weten. Ik heb met veel plezier in Afrika gewoond en weet veel over bepaalde regio’s en minder over andere. Ik doe mijn best, maar het is een vrij onrealistische opdracht. Afrika is een buitengewoon complex continent, dat veel landen omvat en nog meer verschillende groepen mensen.
4. Wat is het meest bijzondere dat u heeft meegemaakt tijdens uw onderzoek?
Dat is moeilijk. De opgraving van de stad Dia in Mali, die ik leidde, was bijzonder. Het was met studenten uit Engeland, Nederland, België, Frankrijk, Amerika en uit Mali zelf. Alles wat we vonden was belangrijk voor het reconstrueren van de geschiedenis van het land. Maar ook de onderlinge samenwerking tussen de nationaliteiten vond ik heel bijzonder. Afrikaanse studenten wezen ons op dingen die wij moeilijk op waarde konden schatten. Het uitwisselen van kennis en kunde, het samen zoeken naar oplossingen, dat vind ik heel erg leuk.
Archeologisch onderzoek doen in Afrika is moeilijk, omdat veel landen het zelf niet kunnen bekostigen. Iemand anders moet er dus financieel garant voor staan. Dit project werd gefinancierd door het Nederlands Ministerie van Buitenlandse Zaken in het kader van ontwikkelingssamenwerking. Ik vind het belangrijk dat er in ontwikkelingswerk aandacht wordt besteed de bestudering van de eigen cultuur wat zeer belangrijk is voor een eigen identiteit. Dat kan helpen in de toekomst.
We hebben een tentoonstelling gemaakt over de opgraving. Deze stond in de kleine dorpjes waar we hebben gewerkt en in het Nationale Museum in Mali. Dit was in een regio waar veel archeologische sites werden geplunderd. We hebben door het Nationaal Toneel een toneelstuk laten maken met als onderwerp dat je archeologische sites deel uit maken van het eigen verleden en gerespecteerd moeten worden. Dit toneelstuk werd op alle marktplaatsen in de regio opgevoerd. Er was een enorme opkomst!
5. Waar zou je nog heel graag een tentoonstelling over willen maken?
We hebben in Nederland een hele bijzondere Congocollectie. Deze is namelijk verzameld in de tweede helft van de 19de eeuw door handelsagenten uit Rotterdam. Daar zou ik heel graag een tentoonstelling over willen maken.
De Casa Rotterdam in Banana, Congo door J.A. de Cunha Moraes: 1870.
In die tijd bestond een bijzondere relatie tussen de museumdirecteur en de handelsagenten. De directeur heeft toen aan hen gevraagd: ‘Willen jullie niet eens wat meenemen?’. Het was een periode waarin in Congo nog niet zoveel verzameld werd. De handelsagenten hebben één van de oudste collecties van die regio verzameld. Die collectie kwam direct in het museum terecht, wat zeer uitzonderlijk is.
Het probleem met Afrika is dat het zelf niet zo’n verzameltraditie heeft. De klimatologische omstandigheden zijn ook heel slecht. Daarnaast wordt daar soms meer waarde aan iets nieuws gehecht, dan aan het oude. De oudste collecties van Afrika zijn zeldzaam en bevinden zich in Europese musea. Dat maakt oude Afrikacollecties bijzonder.
Vijf vragen aan Daan van Dartel, Conservator Populaire Cultuur en Mode
Door Sanne de Vries, 9 juli 2015.
Daan van Dartel (links).
Daan van Dartel werkte als Hoofd Documentalist bij het Tropenmuseum en is nu misschien wel de eerste conservator Populaire Cultuur en Mode ter wereld. Ze vertelt over tandenstokers, dat ze moest huilen om objecten en hoe de tentoonstelling Body Art haar naar tattooshops bracht.
1. Wat is uw favoriete object?
Potverdorie, ik heb natuurlijk meerdere favoriete objecten. Maar als ik er echt eentje moet kiezen, dan kies ik de Pulgas Vestidas. Pulgas Vestidas betekent aangeklede vlooien. Het zijn tandenstokers. Het topje is mooi en extreem moeilijk bewerkt. Het is bijvoorbeeld een maskerdanser, een boer, of een vrouw in klederdracht. Ik heb ze beschreven toen ik nog registrator was. Het wordt bewerkt met een zakmes, het is echt zo knap! Bijna niemand ziet ze, want ze zitten in de Latijns-Amerika tentoonstelling op een moeilijke plek.
Pulgas Vestidas door Humberto Manuel Ricalde.
Ook het Niets-beeldje vind ik heel mooi. Dit beeldje wordt gebruikt in het Jainisme, een vorm van Boeddhisme. Men verlangt via reïncarnatie uiteindelijk op te lossen in het niets. Maar hoe verbeeld je het niets? Als oplossing hebben ze alleen de omtrek van een mensfiguur of godenfiguur gegoten. Het wordt gebruikt voor meditatie, echt een gaaf ding!
Door de fusie kwamen drie volkenkundige collecties bij elkaar. Het is superleuk dat je die nu gezamenlijk in ons documentatiesysteem kunt bekijken. Body Art is de eerste tentoonstelling waarin evenredig gebruik gemaakt wordt van de verschillende collecties. Er staat nu een masker van Museum Volkenkunde in Body Art. Het is een masker van een hooggeplaatste vrouw met een lipschijf. Die lipschijf wordt wereldwijd gebruikt. Ze brengen steeds grotere pluggen erin. Je rijkdom wordt geuit door hoe groot de schijf is.
De in 2007 verworven London Dress vind ik ook bijzonder interessant. Het is een rok van de Indiase haute couture designer Manish Arora. De rok staat vol met motieven van Londen. Je ziet wachters voor het paleis met grote bonthoeden op, het London Eye en de Big Ben. Je ziet zo duidelijk de relatie van ex-kolonie tot voormalig moederland. Dat vind ik de meest interessante objecten; die ontmoetingen tussen culturen laten zien.
2. Waar ben je nu mee bezig?
Sinds januari ben ik conservator Populaire Cultuur en Mode. Ik heb dus een aantal tentoonstellingsvoorstellen en -concepten geschreven.
Ook heb ik mee nagedacht over het nieuwe collectiebeleidsplan over mode en popular culture. Wat gaan we ermee doen en wat gaan we ermee bereiken? Ik ben net terug uit Oslo. Daar was ik bij een conferentie over Intellectual Property and Fashion. Begin juli ga ik naar Brighton om te praten over een tentoonstelling over Fashion Cities Africa.
Daarnaast ben ik een artikel aan het schrijven voor de The Sixties Catalogus (The Sixties – A Worldwide Happening red.). Dat artikel gaat over de Japanse designer Hanae Mori. Hiervan hebben wij een aantal stukken in de collectie.
3. Wat voor onderzoeken heb je gedaan?
Ik ben pas sinds januari conservator. Daarvoor was ik Hoofddocumentalist in het Tropenmuseum. Ik heb onderzoek gedaan naar de collectie voor bepaalde tentoonstellingen. Ook heb ik hoofdstukken geschreven voor de collectieboeken van het Tropenmuseum.
Zo heb ik gewerkt voor de tentoonstelling Rood, in 2010. Daar was ik verantwoordelijk voor het Nederlandse deel in de tentoonstelling. Ik ben naar verschillende musea gegaan om te bekijken of zij iets roods met betekenis hadden. Daarnaast deed ik mee aan het internationale project Photoclec van de Vrije Universiteit, de Montfort Universiteit van Leicester en Bergen University. Dat ging over koloniale fotografie. De centrale vraag was: wat maakt fotografie koloniale fotografie?
Ik heb artikelen geschreven om te bekijken of er verschillen en overeenkomsten waren tussen koloniale fotografie uit Engeland, Noorwegen en Nederland. Ik ben alle collecties in Nederland afgegaan om te zien wat zij hadden aan koloniale fotografie. Ik heb eigenlijk op alle gebieden wel wat gedaan. Ook op het gebied van textiel. Dat zijn voor mij de meest interessante objecten. Ik heb cursussen gedaan in de technieken ervan. Ik ben dus eigenlijk een generalist, maar met een voorkeur voor textiele objecten. Nu ga ik me specialiseren in mode en populaire cultuur.
4. Wat is het meest bijzondere dat je hebt meegemaakt tijdens je onderzoek?
Voor onderzoeken kom je in de archieven van verschillende instanties. Op een gegeven moment was ik in het archief van het British Museum. Sowieso al een droom! Degene die mij rondleidde liet mij een archiefstuk zien dat geschreven was door Karl Marx. Het is heel leuk dat je dat soort verborgen schatten mag ontdekken.
Archief van het British Museum.
Ook hadden we onlangs een gast hier, die geïnteresseerd was in Chinees textiel. Daar ben ik mee naar het depot gegaan. We hadden objecten klaar laten leggen die zij graag wilde bekijken. Dan sla je stijl achterover van de kwaliteit en van de schoonheid. Je wordt helemaal opgewonden van de objecten die je dan te zien krijgt.
Voor Body Art ben ik veel in tattoo- en piercingshops geweest. Ik stond gewoon te kijken hoe een piercer iemand piercte, terwijl hij mij wat vertelde. De nieuwe technieken die ik ontdekte, vond ik best wel heftig. Het inbranden en scarificatie, dat men in Afrika als eeuwen doet. Het wordt ook populair in de body art subculturele scene, maar dan met niet-cultuurgerelateerde motieven. Ik vind het niet moeilijk om een dag in een tattooshop rond te hangen. Je eigen nieuwsgierigheid wordt ook heel erg geprikkeld door het onderzoek dat je doet. Het toffe van onderzoek doen vind ik dat je dingen ontdekt in collecties en bepaalde onderwerpen.
Voor de bruiklenen in Body Art ben ik naar Museum aan de Stroom (MAS) in Antwerpen geweest. Daar hebben ze een zaal, Pre-Colombianica, uit Midden-Amerika voor Columbus. Ik moest gewoon bijna huilen, zo mooi vond ik de objecten die ze daar hebben.
Een voorbeeld van een bruikleen in Body Art is een foto van oudere vrouw met tatoeages. Daarnaast hangt een poster van een circusartieste. De foto is van een 76-jarige vrouw die vroeger zo’n circusartieste was. Zo’n oud lichaam vol tatoeages weerspreekt het probleem van ouder worden en tatoeages, vind ik.
5. Waar zou je nog heel graag een tentoonstelling over willen maken?
Ik wil heel graag, en zal ook, een modetentoonstelling maken. Dat lijkt me een fantastische manier om de relevantie van onze museumcollectie voor vandaag de dag te laten zien. Daarnaast is het iets waar mensen zich gemakkelijk aan relateren. Ook de invloed van verschillende gebieden op elkaar komt hierbij aan bod. Het kan laten zien waarom we bestaan zoals we bestaan. Met onze kennis kunnen we de sociale relaties en werking van cultuur laten zien.
Een mangatentoonstelling lijkt me ook tof. Ik denk dat het een sprong voorwaarts is voor ons museum. Het is hip, mondiaal, hedendaags en techno. Het lijkt me leuk om dat in de interculturele context van ons museum te laten zien.
De komende jaren zal er zowel een tentoonstelling verschijnen over mode in Afrikaanse steden, als een tentoonstelling over Japan, waarin manga een rol krijgt.
Vijf vragen aan Liza Swaving, freelance-conservator bij de tentoonstelling Sixties – A Worldwide Happening
Door Sanne de Vri9es, 12 juni 2015
Liza Swaving.
Freelance-conservator Liza Swaving wordt tijdelijk ingehuurd om mee te werken aan tentoonstellingen. Haar werk bracht haar naar Londen, waar ze unieke jurken vond. Ook heeft ze met rockers gesproken en ze denkt over Tinder in het museum!
1. Wat is je favoriete object in het museum?
Sjerp door Hanae Mori.
Ik vind het lastig om een favoriet object te kiezen! Ik ben geen expert op het gebied van de collectie, vanwege mijn tijdelijke werk. Ik zou een ensemble van de Japanse modeontwerpster Hanae Mori aanwijzen als mijn favoriete object. Het zijn een mantel en een jurkje uit de jaren ’60. Hanae Mori is geïnspireerd door zowel haar Japanse roots als Coco Chanel. Ze is als enige Aziatische vrouw ooit toegelaten tot Parijse Chambre Syndical de la Haute Couture. Uit haar werk blijkt een enorm vakmanschap. De mantel is van zijde-brokaat, met chrysanten. Een chrysant is een veelvoorkomend motief in Japans textiel. Het model is veel meer jaren ’60-stijl. Het is een A-lijn, dat was toen echt een hype. De jurk is afgezet met luxe kraalwerk. Het ensemble was voor een kapitaalkrachtige, moderne vrouw. Het is een heel bijzonder stuk in mooie staat. Het liefst zou ik het zelf een keer aantrekken, haha!
Het is op dit moment mijn favoriete object, omdat ik er het meeste over weet. Ik was nauw betrokken bij de verwerving. Daarnaast is het een uniek stuk; het is het eerste stuk van deze ontwerpster in een Nederlandse museumcollectie. Ik ben trots dat ik het Nederlandse publiek nu kan laten kennismaken met deze ontwerpster!
2. Waar ben je nu mee bezig?
Het project rondom de Sixties is in april afgerond. Hiervoor ontwikkelde ik het tentoonstellingsconcept en ik was verantwoordelijk voor de bruiklenen.
Tentoonstelling The Sixties.
Nu ben ik mede-organisator van een symposium voor het RCMC. Het symposium gaat over digitaal erfgoed in relatie tot het antropologisch museum. Digitale technologieën hebben een enorme invloed op onze samenleving. Het beïnvloedt hoe mensen met elkaar omgaan en brengt nieuwe culturele praktijken voort. Ik ben benieuwd welke vormen van digitale cultuur interessant zijn om te behouden voor de toekomst. Het Victoria & Albert Museum (V&A) heeft bijvoorbeeld een app verworven: Flappy Bird. Deze game was een tijdje razend populair over de hele wereld, maar is nu niet meer te verkrijgen. Digitale cultuur is dynamisch en verdwijnt snel. Juist daarom is het belangrijk dat erfgoedinstellingen er aandacht aan besteden.
Maar ook Tinder, daar heb je vast ook equivalenten van in de wereld. Hoe verandert een app als Tinder hoe je een relatie aangaat? Wat voor sociale etiquette en omgangsvormen komen daaruit voort? Zo’n app als Tinder is ook interessant, omdat het werkt met afstand. Het probeert mensen vanuit de virtuele ruimte in de fysieke ruimte bij elkaar te brengen. Is een app als Tinder iets dat we moeten bewaren voor de toekomst? Dat vind ik een interessante vraag.
3. Wat voor onderzoeken heb je gedaan?
Ik heb in 2012 aan de tentoonstelling ‘Escher meets Islamic Art’ gewerkt. De tentoonstelling toonde de invloed van islamitische kunst op de Nederlandse graficus Escher en zijn artistieke ontwikkeling. Ik heb voor dit project veel onderzoek voor gedaan. Er waren namelijk over dit specifieke onderwerp nog geen boeken geschreven of andere tentoonstellingen gemaakt.
Ik vond dat echt een heel mooi onderzoek. Je begint klein: Escher die een reis maakt naar het Alh-Ambra in Granada. Daar ziet hij prachtige islamitische architectuur. Hij raakt geïnspireerd door de sierlijke ornamenten en patronen. Vanuit Eschers fascinatie voor die patronen reis je de geschiedenis van de islamitische kunst door.
Voor Sixties heb ik onderzoek gedaan voor de vijf verschillende thema’s in de tentoonstelling. Ik focuste op mode, politieke posters en muziek. De tentoonstelling brengt de invloed van sociale en politieke ontwikkelingen op de cultuur uit die tijd in beeld vanuit mondiaal perspectief.
4. Wat is het meest bijzondere dat je hebt meegemaakt tijdens je onderzoek?
Voor The Sixties ben ik ben in Londen geweest, in het depot van het V&A: Blythe House. Dat gebouw is een hoogtepunt van de neo-barokke stijl. Het wordt gebruikt als decor in verschillende films. Het zit bijvoorbeeld in ‘Tinker, Tailor, Soldier, Spy’!
The Blythe House, Londen.
Ook ben ik bij veel mensen thuis geweest. De Indonesische meidenband Dara Puspita maakte in de jaren ’60 garage rock. Ze werden geïnspireerd door de Beatles en Rolling Stones. Dat was toentertijd behoorlijk controversieel in Indonesië, zeker als vrouw. Ze tourden onder andere door West-Europa, maar speelden ook in Thailand, Turkije en Iran. Een deel van de band woont nu in Nederland. Voor de Sixties ben ik bij één van deze dames langsgegaan. Ze was enorm gastvrij en liet al haar fotoboeken en kleding van toen zien. Die rokjes waren kort! Ze lieten de kleding speciaal voor de band maken. Maar als het niet kort genoeg was, knipten ze het zelf korter af!
5. Waar zou je nog heel graag een tentoonstelling over maken?
Wat mij een heel divers onderwerp lijkt, is eetculturen. Wat voor rol speelt eten binnen verschillende culturele en religieuze tradities? Hoe zijn mensen door de eeuwen heen anders gaan denken over voedsel in relatie tot gezondheid en productie? Ik ben een beetje een nerd, maar kookboekengeschiedenis lijkt me ook heel interessant! Maar ook de verwerking en verbeelding van voedsel in kunst. Denk hierbij aan de pindakaasvloer van Wim T. Schippers n zeventiende-eeuwse stillevens. In het Tropenmuseumdepot heb ik een keer mandjes en miniatuurschepen van kruidnagels gezien! In zo’n tentoonstelling kijk je natuurlijk niet alleen. Je kan ook dingen proeven, voelen en ruiken. De zintuigelijke belevenis moet zo breed mogelijk zijn bij dit onderwerp!
Wie in Leiden aan de zijde van de Morspoort de museumtuin van Museum Volkenkunde binnenloopt, kan er niet omheen: een prachtige boothuis springt direct in het oog. Het biedt onderdak aan onze Waka’s (traditionele Maori-kano’s) die speciaal voor Volkenkunde zijn gemaakt.
De Waka’s
Museum Volkenkunde heeft twee type Waka’s: een Waka Taua en een Waka Tete Kura. Een Waka Taua is een ceremoniële kano, geladen met kracht van de voorouders. Een Waka Tete Kura is ook een ceremoniële kano maar hier mogen ook vrouwen en kinderen in varen. De Nederlandse Waka Taua is in Nieuw-Zeeland op 26 juli 2011 tot ‘Te Hono ki Aotearoa’ gedoopt, oftewel ‘Verbonden met Nieuw-Zeeland’. De 14 meter lange kano is gemaakt uit een Kauriboom van ongeveer 700 jaar oud. De Waka Tete Kura, opgebouwd uit een polyester frame en versierd met houtsnijwerk, draagt de naam Abel Tasman.
Werkzaamheden
De Waka’s zijn door vier Maori-houtsnijder in de museumtuin afgemaakt. In augustus 2010 hebben zij in de tuin de laatste hand gelegd aan houtsnijwerk van de Waka’s en het boothuis. Het overgrote deel van de werkzaamheden is gedaan in Nieuw-Zeeland onder leiding van meesterhoutsnijder Hector Busby.
Eén waka voor Leiden en één voor Europa
Op 18 oktober 2010 was het moment daar dat de Waka’s overgedragen werden aan Museum Volkenkunde. De tribune zat vol eregasten zoals Pieter van Vollenhove, de Maori-koningin en de ambassadeur van Nieuw-Zeeland. Leden van de Koninklijke roeivereniging Njord vormen de bemanning van de Waka’s. Zij werden opgeleid door Maori-roeiers toen deze voor de ceremoniële overdracht in oktober 2010 in Leiden te gast waren. Jaarlijks wordt de bemanning uitgebreid met nieuwe leden en deze worden via de Maori-rituelen ingewijd. Museum Volkenkunde heeft de Waka’s voor 100 jaar in bruikleen en zal de Waka’s ook inzetten voor verschillende nautische evenementen in Europa om de Maori-cultuur te vertegenwoordigen. In juli 2011 was de Waka in London voor het City of London Festival. In de zomerperiode vaart de Waka Tete Kura door de Leidse grachten.
Boothuis
De Waka’s hebben een veilig onderkomen in het Waka boothuis. Dit boothuis is door een Maori-delegatie officieel ingewijd en geopend op 11 augustus 2011. Het boothuis heeft de naam Te Rurunga gekregen, dat staat voor ‘het huis dat bescherming biedt’.
De Mythische Waka
De Waka speelt een belangrijke rol in het leven van de Maori’s. Volgens de overleveringen reisden hun voorouders in zeven Waka’s voor de eerste keer naar Nieuw-Zeeland. Iedere stam weet precies met welke Waka zij aan land kwamen. Wanneer een Maori zich voorstelt, vertelt hij tot welke Waka hij behoort en met welke mythische Waka zijn groep in Nieuw-Zeeland aankwam. Tegenwoordig hebben veel familiegroepen nog steeds een eigen Waka waar zij tijdens speciale gelegenheden mee varen. De basis van de Waka is een meterslange boomstam die houtsnijders bewerkt hebben tot het gewenste model. De voor- en achtersteven zijn voorzien van decoratief houtsnijwerk dat mythische verhalen verbeeldt. Zo is de Waka geladen met kracht en status: mana.
Nederland en Nieuw-Zeeland
Het eerste contact tussen Nederland en Nieuw-Zeeland werd in 1642 gelegd door kapitein Abel Tasman tijdens een van zijn ontdekkingsreizen. Drie eeuwen later emigreerden duizenden Nederlanders naar Nieuw-Zeeland op zoek naar een beter bestaan. De banden tussen Nederland en Nieuw-Zeeland worden echter snel dunner; de eerste generatie emigranten sterft langzaam uit en de jonge Nieuw-Zeelanders voelen zich minder verbonden met Nederland.
Met het project ‘Een Waka voor Leiden, een Waka voor Europa’ wilde Volkenkunde deze relatie een nieuwe impuls geven en de eeuwenlange relatie tussen Nederland en Nieuw-Zeeland intensiveren. Voor het eerst in de geschiedenis hebben Maori’s een Waka (traditionele kano) gebouwd die buiten Nieuw-Zeeland verblijft en door niet-Maori gebruikt mag worden.
Een van de meest gekoesterde objecten in de collectie van het Tropenmuseum is deze zogenaamde pustaha, een oud wichelboek gebruikt door Batak priesters in Noord-Sumatra, Indonesië. Het werd verzameld in de jaren 1850, maar is een stuk ouder dan dat. Bovenop de pustaha staat een uit hout gesneden mythisch slangachtig dier, en het geheel staat op pootjes, die lijken op hoeven. Tussen de twee houten planken zitten de pagina's van het boek. Die zijn gevouwen op harmonicawijze, zoals de bladmuziek van een draaiorgel. De 56 pagina's zijn gemaakt van geklopte boombast, en vormen in uitgevouwen toestand een lange strook van 17 meter.
De pagina's uit het boek bevatten de kennis van negen generaties priesters. Het boek bevat beschrijvingen over magie en waarzeggerij die gebruikt worden door een datu, zoals de Batak priester wordt genoemd. Er zijn formules voor het overwinnen van andere dorpen, het uitschakelen van tegenstanders, voor het winnen van geliefden, en verhalen over het ontstaan van de aarde.
Het museum heeft nog zo'n 150 wichelboeken, maar dit is het meest bijzondere exemplaar. Met een hoogte van 42 centimeter en een lengte van ruim een halve meter is het vermoedelijk 's werelds grootste in zijn soort.
De slang bovenop het boek is waarschijnlijk Naga Padoha, heerser van de onderwereld. Volgens een mythe heeft deze slang, toen er alleen nog zee was en geen land, de oceaanbodem zo omgewoeld dat de eilanden ontstonden die de Indonesische archipel vormen.
Door Richard van Alphen, gebaseerd op ‘From singa to naga padoha, the making of a magical creature’ door Pim Westerkamp
In het Iran van de 19e eeuw speelde fal, het interpreteren van voortekenen, een belangrijke rol. Hierbij gebruikten waarzeggers een set lakwerkkaarten om inzicht te verkrijgen in de toekomst, of om te kijken of de tekenen gunstig waren voor het nemen van een bepaalde beslissing.
De lakwerkkaarten (zie onderaan pagina) zijn verzameld vóór 1889, en werden in 1921 aan het Tropenmuseum geschonken door Natura Artis Magistra dat vroeger een etnografisch museum bezat.
Kaarten voor professionele waarzeggers
De kaarten behoorden tot de uitrusting van professionele waarzeggers. De illustraties op de kaarten verwezen naar algemeen bekende verhalen die konden worden geïnterpreteerd als voorteken. Op de achterkant van iedere kaart is een voorspelling in dichtvorm te lezen. Fal is op zichzelf geen religieuze activiteit, maar de waarzeggers maakten soms wel gebruik van islamitische symbolen of teksten, zoals op de lakwerkkaarten te zien is.
Fal-kaart: profeet Mohammed in het paradijs
Op de fal-kaart hieronder zijn de profeet Mohammed, zijn neef Ali en diens zonen Hassan en Hoessein in het paradijs afgebeeld naar de sji’itische opvattingen van zijn tijd. Zoals vaker voorkomt in islamitische kunst uit Iran, is het viertal geschilderd met een sluier voor het gezicht.
In de jaren dertig werd een sculptuur gestolen uit het Tropenmuseum toen het beeld te midden van een beeldengroep open stond opgesteld. Dit jaar kregen wij de sculptuur terug!
Het beeldje bevond zich al die jaren in de collectie van een verzamelaar, die enige tijd geleden is overleden. Hoe het daar terecht is gekomen is niet bekend. De verzamelaar liet het voorouderbeeldje na aan zijn zoon, woonachtig in Spanje. Deze zoon heeft vervolgens met behulp van zijn neef in Nederland de sculptuur aan het Tropenmuseum teruggegeven.
Sculptuurfamilie weer compleet
Het beeld behoort tot een groep van tien goden- en voorouderfiguren (zie bovenstaande historische foto), die afkomstig is van een dorp aan de Mayalibit-baai op het eiland Waigeo, in het westen van Nieuw-Guinea. De sculptuur is de kleinste en minst imposante van de set maar het is belangrijk dat de familie nu weer compleet is. De groep is uniek, er is nergens ter wereld een tweede, en bovendien van een grote schoonheid. Voorstellingen van goden zijn zeer zeldzaam in Papua; dit maakt deze beeldengroep extra interessant. De goddelijke familie bewaakte het welzijn van de mensen. Het gestolen beeldje stelt een bijvrouw voor van de oudste zoon van de scheppergod.
Unieke beeldengroep
De groep bestaat uit een goddelijke figuur, de creatieve kracht van het universum, zijn twee zonen, en hun vrouwen. Tot de tien korwarfiguren (voorouderfiguren) behoort een schedelkorwar. Deze bevat de schedel van de stichter van de clan, die deze groep goden en een voorouder eerde en ter bescherming aanriep. Een groep beelden met een voorouder die wordt voorgesteld als afstammeling van de goden is uniek.
Van Nieuw-Guinea naar Amsterdam
De groep voorouderbeelden is verzameld door prof. Dr. J.C. van Eerde, de eerste directeur van de afdeling volkenkunde van het Koloniaal Instituut (nu: Koninklijk Instituut voor de Tropen). Tijdens een kort verblijf op Nieuw Guinea in juli 1929, kreeg hij toestemming om meerdere objecten te selecteren en deze te verzenden naar Nederland. Deze collectie was door missionarissen en overheidsambtenaren verzameld. Van Eerde verkreeg zo een collectie van 89 bijzondere objecten, waaronder de groep van 10 beelden uit Nieuw-Guinea en schreef ze in bij het Koloniaal Museum (Nu: Tropenmuseum).
Wat nu een rijke, goed gedocumenteerde collectie voorwerpen uit Afrika is begon als een bescheiden, maar waardevolle particuliere verzameling van de missionarissen van de Congregatie van de H. Geest. Leden van deze missionaire geloofsgemeenschap werkten en werken in Afrika. De doelstelling van de paters: een bredere kijk geven op de belevingswereld van de mensen in die gebieden waar zij al lang werkzaam zijn.
Huize Ooster Meerdijk, de voormalige vestiging van het Afrika Museum
In 1954 neemt pater P. Bukkems, oud-missionaris in Tanzania het initiatief tot oprichting van een Afrika Museum. Langs die weg wil de congregatie een bredere kijk geven op de belevingswereld van de mensen in die gebieden waar zij al een eeuw werkzaam is. De eerste expositie bestaat uit voorwerpen die in de loop der jaren door de paters zelf uit Afrika zijn meegebracht en afkomstig zijn uit diverse reizende missietentoonstellingen.
In 2005 is het museum (met tentoonstellingsruimte binnen en buiten) ingrijpend verbouwd en uitgebreid. Er wordt aandacht besteed aan Afrikaanse architectuur, Afrikaanse visies op kunst en schoonheid, hedendaagse Afrikaanse kunst en religie en samenleving. De paternalistische visie van de jaren vijftig heeft plaats gemaakt voor een blik die de Afrikaanse cultuur op gelijke waarde schat. Wat kunnen we leren over het gedeelde, deels donkere verleden? Hoe kunnen we onze eigen blik verbreden? Vragen die van onverminderde waarde zijn en blijven.
Museum Volkenkunde is een van de oudste volkenkundige musea ter wereld. Het werd in 1837 opgericht door de Duitser Philipp Franz von Siebold, die in het museum een manier zag om begrip te kweken voor de ‘buiten-Europeër’: ‘Terwijl wij aan hunne zeden niet meer dan vreemde hulsel bespeuren, zullen wij zijne gebruiken minder ongunstig uitleggen, hunne godsdienstmanieren minder van de onze afwijkend vinden.’
Het monumentale gebouw, voorheen een academisch ziekenhuis
Lange tijd was de blik op de wereld die van Siebold. Het museum keek door een verrekijker naar andere delen van de wereld. Er weren geïsoleerde en statische stukjes cultuur getoond, meestal zonder de context van tijd en omgeving. Zo leek het als je in Leidden kwam net alsof er in andere delen van de wereld alleen maar traditionele, onveranderlijke manieren van leven waren.
In de jaren vijftig kwam de kentering toen het museum onderzoek ging doen naar cultuurverandering. Verandering komt vooral tot stand door confrontatie met andere culturen, en dat mechanisme werd onderwerp van studie. Bij een vernieuwing van mentaliteit kon het niet blijven. Ook de presentatie, die sinds 1937 nauwelijks gewijzigd was, moest grondig aangepakt worden. Acht jaar lang is verbouwd en heringericht, tot op 26 april 2011 de nieuwe vaste opstelling geopend werd. De vaste tentoonstelling is nu een wandeling rond de aarde. Van zaal tot zaal rijgen de verhalen zich aaneen. Die verhalen vormen eens spoor: een spoor dat de culturen die te zien zijn in de loop der eeuwen zelf getrokken hebben. Dat spoor is in het Museum Volkenkunde nu in enkele uren na te gaan.
Het Tropenmuseum kent een lange geschiedenis. Een geschiedenis die bestaat uit kleurrijke en donkere pagina’s. Een geschiedenis die bestaat uit culturele uitwisseling en wederzijde inspiratie. En een geschiedenis van culturele uitbuiting en dominantie. Het verhaal achter het Tropenmuseum.
De bouw van het Koloniaal Instituut in 1921
Die geschiedenis van het Tropenmuseum voert niet - zoals je zou verwachten – terug naar Amsterdam. Voor het begin van het museum moet je de geschiedenis af naar een Haarlemse zolder. Daar besloot de botanicus F.W. van Eede halverwege de 19e eeuw voorwerpen te verzamelen uit de Nederlandse koloniën. Schelpen, beelden, houtsnijwerk, sieraden: hele ‘rariteitenkabinetten’ werden opgeslagen, met als voornaamste doel de handel op de voeren.
Die handel liep goed, wat maakte dat de collectie alsmaar uitdijde. De zolder maakte plaats voor een groot landgoed in 1871. Ook dat landgoed barstte uit zijn voegen, dus besloot men in 1910 de Vereeniging Koloniaal Instituut op te richten. Pas dan komen we aan in Amsterdam. De Vereeniging moest een statig, nieuw, spectaculair onderkomen krijgen. Dat onderkomen is nu bekent als het Tropenmuseum. Pas in 1926 werd de bouw afgerond, vertraagd door de Eerste Wereldoorlog en een grote storm in 1921. De Vereeniging had ook toen een bepaald volkenkundig aspect; maar de focus lag onverminderd op de producten. Ondernemers konden het instituut raadplegen voor nader onderzoek naar bijvoorbeeld koffiesoorten.
Na de Tweede Wereldoorlog wilde Nederland, samen met veel andere landen, niet meer met het Kolonialisme geassocieerd worden. Vergeet niet dat het hier vooral om uiterlijk vertoon gaat, de kolonisatie van Indië ging gewoon door tot 1949. Na die onafhankelijkheidserkenning móést het Instituut wel een omslag maken. Een bredere inslag werd gekozen. De Vereeniging werd omgedoopt naar het voor ons bekende ‘het Koninklijk Instituut voor de Tropen’ (KIT).
In de jaren ’70 moest de insteek echt veranderen. Na een verbouwing heropende het museum in 1979; nu lag de focus op ontwikkelingshulp van derdewereldlanden. Het KIT kreeg een informatieve rol, maar vooral probleemgezicht. Nog steeds lag een bepaalde superioriteit in de benadering van andere culturen.
Pas in de jaren negentig kwam de omslag naar een beschouwing van andere culturen als gelijkwaardig, krachtig, en als inspiratiebron voor culturele verbreding. Objecten en hun verhalen staan nog steeds centraal. Opdat verhalen ons met de rijkdom van de ander verbinden.