Tsja wat zal ik doen. Morgen wil ik graag nog een dagje zeilen, nu het weer het nog toe laat. Het is al begin november, maar nog steeds durven we het aan mijn nieuwe zeilmaatje en ik. Met een warm zeilpak en een dikke zeiljas, willen we morgen toch nog even gaan. En ik weet nu al wat we tegen elkaar gaan zeggen, terwijl we met een warme kop koffie in de ene hand, de lijnen in de andere, een klein zonnetje uit het wolkendek , elkaar met stralende ogen aankijken.
Ja laat ik dan toch nu maar even gaan.
Voordat ik ook maar in de buurt van de deur kan komen, zie ik vanuit mijn ooghoeken een zwarte schim langs mij heen gaan en staat de dwergteckel al met vragende kop omhoog te kijken of wij dan nu eindelijk eens gaan.
Ik zou het eens in mijn hoofd halen om zonder hem een bezoekje aan het verpleeghuis te brengen.
Dus teckel in de auto en op weg.
Als ik snel rijd dan red ik het nog net om aan te schuiven aan de lunch, die daar bestaat uit een warme maaltijd.
De schuifdeur van de zij-ingang van het verpleeghuis opent zich vandaag ook voor de dwergteckel en hij staat al trouw te wachten voor de deur van de gesloten afdeling.
In het zijraampje naast de deur zie ik een gestalte staan. Een hand omhoog als groet en met de andere wordt flink aan de deurkruk geduwd en getrokken.
Ik trek voorzichtig de deur naar me toe, maar wordt bijna omver gedrukt. ‘Eindelijk’ hoor ik luidkeels. ‘Ik sta hier al tijden, ik moet opschieten want straks is mijn bus weg!’
Poeh dat is lang geleden, opeens krijg ik een soort dejavu.
Wat stond zij daar ook geregeld, samen met haar grote kleine vriendin.
Ik hoor weer haar woorden als een echo in mijn hoofd.
‘Kind blij dat je er bent, een geschenk uit de hemel’.
Terwijl ik de opkomende brok in mijn keel wegslik, grijp ik de arm van de mevrouw en weet hem zo te draaien dat we gezamenlijk de gang weer oplopen op weg naar wat ik haar vertel de goede weg naar de bus.
Met een grapje dat ze bijna naar de verkeerde bushalte was gelopen, nemen we afscheid en loopt ze blij en goedgemutst, al zwaaiend de gang verder in op weg naar de linker hoek, waar zij naar ik inmiddels uit ervaring weet, allang vergeten is waar ze naar op weg was.
En al blijft het in mijn geweten voelen als mensen voor de gek houden, weet ik dat ik nu haar even een fijn gevoel geef en een blijk van een soort medeleven, en zorgt haar opgeluchte en vastberadene tred dat ook ik mij met een glimlach om de mond richting de huiskamer begeef.
Ik loop letterlijk tegen een van mijn favoriete bewoonsters aan, die al trippelend in haar rolstoel de hoek om komt. Haar verdrietige gezicht klaart op en na een hartelijk ‘goedemiddag’ is de vraag die er direct op volgt ‘ Heb je een sigaretje?’
Als ik te kennen geef niet te roken en dus ook geen sigaretten op zak heb, vertrekt haar gezicht weer in een droef achtige grijns, waardoor ik bijna naar een winkel zou lopen, om een pakje voor haar te halen.
Maar achter in de huiskamer hoor ik een verzorgende al antwoorden, dat ze eerst even gaan eten en dat ze daarna zeker kan rekenen op een sigaretje.
Haar gezicht klaart weer even op en ze trippelt snel naar ‘haar plek’; aan de tafel links in het midden, waar mijn andere favoriet ook al zit. Mijn moeders moeder die inmiddels ook niet meer weet dat ze dacht mijn moeders moeder te zijn.
Maar ik blijf haar in gedachten wel zo noemen. Inmiddels ben ik verknocht aan haar geworden, en voelt ze als familie voor me.
Een hartelijke begroeting ook daar en een dikke zoen, waarbij ze me uitnodigt snel in Ankeveen bij haar te komen. Wat ik natuurlijk ga doen, al weet ik als enige van ons tweeën dat dit nooit zal gebeuren. But who cares.
Mijn moeder zit aan de tafel helemaal aan de andere kant van de huiskamer.
Ze zit er met een kapperscoupe en de ogen geopend al voor een bord gepureerd voedsel, wat eens bloemkool met een gehaktbal geweest moet zijn.
Ik pak een kruk en na een dikke kus op haar wang, zet ik me naast haar om de lepel te pakken en haar voeren. Ze kijkt me met schuin geopende ogen aan, een borrelde lach klinkt uit haar borst en haar mond gaat al open.
Voor haar bord staat een groot glas multivitamine sap.
De lekkere kleur oranje doet me watertanden en na dat ik haar een grote hap heb gegeven en klaar zit met het grote glas sap om haar een slok te geven, kan ik me niet meer bedwingen en watertandend neem ik een enorme teug uit het glas. Zo’n teug, waarbij je bijna het hele glas naar binnen zou kunnen werken, maar waarbij je dan nog net op tijd bedenkt dat dit niet erg netjes is.
Nou zo’n teug nam ik. En terwijl ik de vloeistof heerlijk door mijn mond voel spoelen, en mijn smaakpupillen net bezig zijn om de verrukkelige smaak naar mijn bewustzijn over te brengen, hoor ik een enorme gil, met daar achteraan de verschrikkelijke woorden: ‘Maar daar zitten haar medicijnen in!’
En terwijl mijn bewustzijn zich wel wil losmaken van de komende smaaksensatie, was de slikreflex al in gang gezet, die door de plotselinge gil werd versneld. Mijn vertraagde bewustzijn begrijpt nu de woorden die werden gegild, maar het is al te laat.
De enorme teug sap is al mijn keel in gegaan richting maag, geen weg terug dus.
Zelfs mijn moeder opent even haar ogen, maar dit is ook meer reflexmatig.
De bewoners om haar heen blijven gewoon lekker doorkauwen, zonder besef van wat er net werd gezegd.
Oké ik heb dus net de medicijnen van mijn moeder naar binnen gewerkt.
Even voel ik een lichte paniek zich van mijn meester maken, aangezien ik hartmedicatie slik, waarbij altijd erg de nadruk wordt gelegd, deze niet met andere medicatie te nemen.
Maar zoals altijd bij spannende situaties, voel ik de lach alweer opborrelen,
Ik maak een gespreid arm gebaar naar de verzorgende die gilde, waarmee ik haar duidelijk wil maken dat het leed al geschiet is en de slok doorgeslikt.
Nu weet ik dat mijn moeder in het verleden Haldol slikte en dat lijkt me niet echt fijn, aangezien dit met andere medicijnen nog wel eens een gekke reactie op je psyche zou kunnen hebben en iets met je bloeddruk doet.
De verzorgende kon in ieder geval bevestigen dat mijn moeder geen Hadol meer gebruikte en dat het waarschijnlijk om een kinderasprientje zou gaan en een slaapmiddel.
Godzijdank want dat dutje was ik toch al van plan om te gaan doen!