Mileau de Pileau - Home, the Raw and Uncut Studio Sessions.
Out now.
On all your streaming services.
seen from United States
seen from United States

seen from Australia
seen from United States
seen from Australia
seen from United States
seen from China
seen from Singapore

seen from United States
seen from United States

seen from United States

seen from United States
seen from Türkiye
seen from United States

seen from United States

seen from United States
seen from United States
seen from China

seen from Malaysia
seen from Brazil
Mileau de Pileau - Home, the Raw and Uncut Studio Sessions.
Out now.
On all your streaming services.
een Spel in het Niets – Mileau de Pileau
In het alles-omvattende, blijvend-zwijgende-niets-verlichtende vacuüm van het bestaan, zwemt ergens op een willekeurige standplaats de mensheid voort op een stroom die haar eigen bakens verzet en haar eigen oevers graaft.
Toen zij wakker werd, kon zij niet meer in slaap komen, en zo denderen wij maar voort. Een horizon schetst zich in een dichte duisternis. De mens in vrijheid kent geen draagvlak, maar is brutaal genoeg om haar naam in de ruimte te schreeuwen.
Hoe contingent ons verhaal ook is; wij stellen een doel, brengen onszelf in vorm en gaan er rechtstreeks op af.
Het drama dat zich vervolgens ontspint, heet ons lot.
Voortdurend creëren we zo domeinen, waarin we spelen in het niets.
Ons bestaan is existentialistisch van aard, daar waar de uitkomst nog bepaald moet worden en onze acties daarmee werkelijk zeggingskracht dragen.
Iedere seconde telt. Een moment van concentratieverslapping kan een knock-out betekenen.
Wij spelen het spel en kiezen partij. In een vol bewustzijn van de contingentie van dit alles, voelt zij niet langer zo. Ik heb gekozen voor deze stroom en vaar er met een vol hart in mee. Iedere keer weer stel ik het hoogste doel, om zodra ik daar ben aangekomen, opnieuw te beginnen.
De steen rolt omlaag. Ik ben Sisyphus. Niets anders telt dan gekroond worden tot meester van mijn eigen waardestelsel. Om haar vervolgens uit te lachen in het gezicht en diep weg te zinken in haar ongedragen werkelijkheid. En toch blijf ik spelen.
Want daar, in het al bijna verhullende niets van het duister, vind ik mijn richting;
voor een volgende stap, en nog verder niet.
Want daar vind ik mijn doelpunt.
Want daar vind ik mijn naam, die voor even door het heelal klinkt als een vervullende oneindigheid.
Over wat écht is en een nieuwe tijd – Mileau de Pileau
Ik hoorde een vrouw op straat zeggen tegen haar man dat de eindeloze criticasters toch eindelijk verloren hadden. tomeloos geprietpraat in krantencolumns zeikerds op teevee De kracht in hun woorden is verloren gegaan Want alles dat niet opbouwt wordt thans beschouwd als subjectieve niemendalletjes als de pretentie mee te doen, terwijl niet wordt meegedaan aan iets dat écht is
Wat écht is, is veranderd van karakter want hoe kan men nu volhouden dat zij die niet langer geloofden in verhalen die gemeenschappen absoluut verenigden, de wortel zijn van een vals verraad aan de mens en haar bewegen? Lag wat écht is niet al die tijd verscholen in de schaduwkant van het idiosyncratische, dat geweld werd aangedaan door iedere verwijzing naar het universele? dat juist door hen verdedigd werd tegen onrechtvaardige claims op de waarheid. Voor de toekomst schijnt men een perspectief nodig te hebben, met als zijnoot dat zij niet langer in haar oude valstrikken mag trappen Wat de mens voorheen verbond was een gedeeld gevoel van vervreemding, want niemand kende nog langer de sleutel tot een dieper fundament Verantwoordelijkheid is het nieuwe mantra Verantwoordelijkheid als de horizon van een nieuwe tijd. ‘Maar verantwoordelijkheid waartoe?’ vraag ik je omdat ik nog niemand hoorde die mij daar een helder antwoord op kon verschaffen En zo zoeken wij verder, ook ik. Want wij willen verder richting een synthese van ironie en romantiek, waar wij opnieuw met een vol hart kunnen juichen huilen en bulderen, als kinderen van onze tijd.
De mooiste urn van de schouw
Waarin de dood ter tafel komt bij de Rallotjes. (Inclusief bescheiden @renskedegreef fangirlmoment) Gelukkige Allerzielen allemaal!
“Mama, ” zegt Sessa, “Oma Poes is al oud hè? Als ze dood gaat, wat gebeurt er dan? Wat gaan we dan doen?”
“Dan gaan we haar begraven mop. Neem even een hap Ses, jij bent straks weer als laatste klaar.”
“Mag ik in Naomi’s heksenjurk naar de begrafenis?”
“… maar waarom dan liefje?”
“Ik heb geen zwarte kleren, ” zegt ze met een verlegen glimlachje.
“Naar Oma’s begrafenis hoef je geen zwart aan,”…
View On WordPress
It’s time to play the game @borus
platvloerse onderonsjes – Mileau de Pileau
Na een lange dag van bedrijvigheid gaat men naar ‘het Zilveren Kruikje’, een behaaglijk etablissement in het centrum van de stad, alwaar vuige lieden en dronkelappen samenkomen voor het gebruikelijke arbeidslied en een bord stamppot, waarvan de jus zonder uitzondering wordt bijgeschonken door een fors gebouwde dame, die tijdens het schenken almaar vloekt op haar superieuren en ontevreden schijnt met haar werk. Op een vroege avond in mei, terwijl de eerste gasten zich reeds konden verblijdden over het weekeinde dat aanstonds aanbreken zou, wachtte al zittende op een barkruk een onopvallend geklede meneer, die enkel opviel door zijn zenuwachtig nippen aan een biertje dat al zijn tweede was sinds hij kort geleden was binnen komen lopen, en tijdens het mijmeren voortdurend naar de entree bleef staren alsof hij iemand verwachtte. Het was rustig in de zaak. Een jong stelletje uitgezonderd, dat in een afgelegen hoek liep te smoezen en van een intimiteit genoot die zelfs in een zaak als deze onbehoorlijk wordt geacht, zat enkel nog de meneer aan de bar, en trachtte hij halsstarrig te voorkomen dat de barman, die zich overduidelijk verveelde en naar afleiding zocht, naar hem toe zou komen om vervolgens een gesprek aan te knopen waar feitelijk geen van beiden op zat te wachtten. Een tweede heer kwam binnengelopen. De heer had een opvallend uiterlijk; hij droeg een lichtbruin lederen jasje, waaronder een opzichtig jaren-zeventig blouse tevoorschijn kwam dat enkel slaagde in het schetsen van een fel contrast met het jasje en een glimmende pantalon, die hij droeg boven twee slangenlederen puntschoenen. De haren van de heer stonden strak in de gel, en op zijn neus droeg hij een zonnebril met een gouden montuur en twee grote, zuurstokroze brillenglazen. De heer voldeed, zo kon men stellen, aan het archetype van wat men zich voorstelt bij een typische ‘gladjanus’. De meneer aan de bar kwam van zijn kruk af, en liep op de gladjanus af. ‘Daar bent u. Aangenaam. Mijn naam is Frank.’ ‘Het is mij een genoegen,’ antwoordde de gladjanus, die zichzelf Toni bleek te noemen. ‘Aangenaam.’ ‘U heeft een deftige eetgelegenheid uitgekozen voor ons onderhoud. Een puike tent.’ ‘Vindt u?’ vroeg Frank. Hij keek om zich heen, en zag een decor dat wat troosteloos aandeed. Het stel muren scheen al sinds gelange tijd te zijn opgehouden met het vragen om een nieuwe verfbeurt; verder aanwezig was een versleten meubilair dat bij elkaar geraapt leek en ook niet bij elkaar paste. ‘Laten wij gaan zitten,’ stelde Toni voor. De heren verplaatsten zich naar een tafeltje, en wachtten tot de drankjes werden opgenomen. ‘Ik wil u danken voor uw komst,’ beet Frank de spits af. ‘Geen dank, geen dank,’ antwoordde Toni nonchalant. ‘Wanneer men belangrijke zaken te bespreken heeft, kom ik graag eens luisteren naar wat de plannen zijn.’ ‘Maar vooraleer wij overgaan tot de belangrijke kwesties,’ zei Frank nu ernstig, ‘zou ik graag hebben dat u uw zonnebril afzet.’ Toni keek Frank beduusd aan. ‘Mijn zonnebril afzetten?’ ‘Graag.’ ‘Maar waarom mijn zonnebril afzetten? Ik zet niet graag mijn zonnebril af.’ ‘Welnu, ik kijk graag mensen in de ogen aan vooraleer ik zaken met ze doe.’ ‘Ahum, vooruit dan,’ verzuchtte Toni, waarop hij zijn zonnebril afdeed, en met een duidelijk ongemak recht in de ogen keek van zijn tafelgenoot. ‘Hoe voelt dat nu?’ plaagde Frank wat. ‘Ik voel mij lelijk,’ gaf Toni eerlijk toe. ‘Waarom bent u bang lelijk te zijn?’ vroeg Frank met interesse. ‘Als ik in de spiegel kijk zonder mijn haren in de gel te hebben staan, kom ik mezelf wat platvloers voor,’ antwoordde Toni. ‘Aha,’ mompelde Frank belangstellend. ’Ik heb een vraag voor u. Ziet u dat meisje daar, alleen in de hoek, verscholen achter een avondkrant?’ Toni zocht de plek af waar Frank naartoe had gewezen, en ontwaarde hier zowaar een jongedame die opging in het lezen van haar avondblad. ‘Wat vind je van haar?’ vroeg Frank. ‘Ik wil haar neuken,’ antwoordde Toni. ‘Laten we dat doen,’ zei Frank. Om beurten namen Frank en Toni haar, zonder te vragen of het meisje dit zelf wel wilde. ‘En wat vind je nu van haar?’ vroeg Frank, nadat beide heren weer verzadigd aan het tafeltje gingen zitten. ‘Ik hoef niet met haar te praten,’ antwoordde Toni. ‘Dat is inderdaad wel wat platvloers,’ reageerde Frank. Toni merkte op dat dit hem weinig kon deren. Hij zette zijn zonnebril weer op, en keek goedlachs naar zijn tafelgenoot. ‘Ik kan u wel een gedicht dicteren, dat haar bekoorlijke verschijning liefelijk bezingt.’
platvloerse onderonsjes – Mileau de Pileau
de Tekening – Mileau de Pileau
In een klein plaatsje, juist ten noorden van het stedelijk gebied, werd men uit het alledaagse bestaan opgeschrikt door het merkwaardige verhaal van een jongeman, wiens leven tot op dan toe nog vrijwel geruisloos aan de desbetreffende inwoners was voorbijgegaan. Algemeen bekend was dat het gezin van de lokale buurtpastor, die overigens tezamen met zijn vrouw te boek stond als een bijzonder fatsoenlijk en betrokken onderdeel van de dorpelijke gemeenschap, verder nog bestond uit een stevige knaap van een jongen en een goed gelukt dochtersmeisje. Het meisje leek geen moeilijkheden te ondervinden bij het zoeken naar haar plaats binnen de gemeente; de jongeman echter werd te nimmer in het openbaar gesignaleerd. De enige momenten dat de jongen werd waargenomen, was zodra men langs het deftige herenhuis liep waar het kerkelijke gezin woonachtig was, en daar via het grote raam naar binnen keek dat uitzag over het dorpsplein. Naar verwachting zat de jongen dan voor het venster, alwaar hij op geen manier oog had voor de menigte buiten, die zich soms verwonderde over het feit dat de jongen zo met zijn hoofd in de wolken kon zitten. Men dacht er verder niet al teveel van. Het geval van de jongen scheen de mensen voor het eerst wat precair, toen het gerucht zich verspreidde dat op een regenachtige namiddag de vader van het gezin het plaatselijke hospitaal was binnen gespoed, en alhier in een radeloze bui om een huisbezoek van de dorpsarts had gevraagd. Deze zou op zijn beurt enkele dagen later bij het chique herenhuis zijn aangekomen, en aldaar verzocht zijn zich richting de bovenverdieping te haasten. Binnengekomen, zat aan het eind van het vertrek dat voorheen dienst had gedaan als studeerkamer de jongen op zijn gebruikelijke plek, vanwaar hij nauwlettend in de gaten hield wat zich buiten zoal afspeelde. Ofschoon de dokter was ontboden om de situatie van de jongen te komen evalueren, bleek deze zelf niet aanspreekbaar, en dus besloot de arts verhaal te halen bij de ouders. Deze vertelden de dokter dat hun zoon al van kleins af aan zo gezeten had, in eenzelfde houding gericht naar het dorpsplein, en zich door geen enkel argument, razernij of smeekbede liet overreden om toch eens van zijn stoel te komen. Gezien zijn vorderende leeftijd vonden beide ouders dat de jongen nu toch wel eens wat nuttigs moest gaan ondernemen. De jongen zelf overigens was zeer scherp van geest. Daar men zodoende geen verklaring kon vinden voor dit eigenaardige gedrag door het geval simpelweg af te schuiven op idiotie, moest men gissen naar verdere uitleg. Het enige waarmee de jongen blijk gaf van een zekere oplettendheid, was zijn bijzondere aandacht voor een oude maar aanzienlijke eik die al even afwachtend temidden van het dorpsplein stond, maar nimmer aan de blik van het kind ontsnapte. De jongen kon je dan ook, wanneer hij in een praatgrage bui was, voorzien van allerlei ter zake en niet ter zake doende feiten over de boom. Zo wist hij vrij accuraat te vertellen wanneer zij in bloei zou staan, op welke takken de vogels zich nestelden, en zelfs in welke mate zij ieder seizoen naar de zon toe groeide. In zo’n gesprek zou de jongen je echter nooit in het gezicht aankijken, en wanneer men beweerde dat het kind de boom toch wel op een diep niveau moest kennen, ontkende hij dit zelf ten stelligste. Jaren later, toen de jongen al een oude man was en inmiddels zijn laatste adem leefde, vroeg hij om een blad papier en een potlood, en verzocht het omringende gezelschap de werkkamer te verlaten. Men vond de man even later koud in zijn stoel; voor zich het blad papier, met daarop een boom getekend die de oude eik geleek.
de Tekening – Mileau de Pileau
de Onmogelijkheid – Mileau de Pileau
De dauw stond lichtjes op het gezond groene gras, en masseerde zich zachtjes in zijn stevige voeten zodra hij deze zwaar in de grond zette. Het lichte briesje dat in de lucht hing voelde koud aan, maar vond oplossing in de felle ochtendzon die over het gehele grasveld heen scheen.
‘Wat heerlijk,’ zuchtte de jongen, terwijl hij zijn armen wijd uitstrekte om zoveel mogelijk oppervlakte te bedekken met de goudgele glans.
Ze moest grinniken om dit schouwspel.
‘Wat is er?’ vroeg de jongen belangstellend.
‘Het ziet er zo heerlijk speels ongedwongen uit, zoals je danst in het gras,’ zei ze opgewekt.
‘Kom dan, doe lekker met me mee!’ De jongen maakte vluchtig wat sprongetjes door het groen, en oogde soms als een ietwat lompige ballerinastudente. De onhandigheid van de jongen nam een werkelijk serieuze allure aan zodra hij na een fiere sprong in de lucht, met zijn linkervoet rechtstreeks in een zompige watermassa belandde, en hier ook na een aantal keer flink trekken nog in bleef steken.
‘Dat heb ik nu nooit,’ lachte ze hardop.
De jongen keek haar wat vals aan, maar zag zelf ook wel de ironie van de zaak in.
‘Ik geloof dat ik van je houd, als je zo resoluut in de appel bijt, haar sap door je lichte stoppels laat drijven, om het vocht daarna in je lippen te brandmerken. Op dat laatste moment sis je altijd even tussen je tanden, en stel ik me voor hoe het zoet in je bewustzijn gepaard gaat met een stille pijn.’
De jongen had bij een vlier stilgehouden, en was zachtjes op zijn jasje gaan zitten tegen de boom aan. Inderdaad zette hij nu een hap in een donkerrode appel, waarbij het sap er overdadig uit kwam gutsen. Ze keek hem rechtstreeks aan, maar het zonlicht lag met een zodanige overgave over haar gezicht heen gegoten, dat hij maar moeilijk meer van haar kon waarnemen dan de contouren, die een babyzachte kaaklijn verraden en een hint gaven van de lange, goudblonde haarlokken waaronder haar gehele bovenlichaam schuilging. Er leek geen einde te komen aan de diepte die uit haar ogen sprak.
‘Van wat houd je dan het meeste aan mij?’
De jongen keek haar speels vragend aan, en trachtte hierbij zo charmant mogelijk te ogen.
‘Je bent al een man, maar er zit nog zoveel jongen in jou,’ antwoordde ze.
De jongen kende zijn druistige inborst, en besloot al grinnikend zijn volwassen façade op te geven.
‘En wat nog meer?’
‘Je heerlijke glimlach. Ze is vol en gloeiend van leven.’
De jongen kreeg blosjes op de wangen. Bij dit zelfbewustzijn probeerde hij nog zijn tanden niet te ontbloten, maar een lichte grijns viel niet te voorkomen.
‘En nu jij,’ probeerde ze terwijl ze bij de jongen neerhurkte.
‘Ik houd van jouw enorme schoonheid.’
Ze leek niet tevreden met dit antwoord.
‘Maar schoon zijn alle meisjes. Vertel eens waarom je zoveel van mij in het bijzonder houdt.’ Verwachtingsvol keek ze hem aan.
‘Ik.. ik kan op niks komen,’ besloot de jongen bedremmeld. Hij nam het zichzelf kwalijk dat hij zijn liefde niet kon voorzien van een ietwat veelzijdiger perspectief, maar haar overweldigende schoonheid was een zucht die geen enkel ander stempel dan deze bij hem over de lippen bracht.
Gekwetst stond ze op en liep van hem weg.
‘Ik houd van hoe je over het landschap zweeft, zo sierlijk zwierig!’ probeerde de jongen nog. Boos keek ze over haar schouder heen.
Zwijgend liepen ze zo een tijdje verder over het zonnige grasland. De jongen probeerde even haar handen te grijpen om haar zo dichter naar hem toe te trekken, maar haar hand ontglipte hem op het moment dat hij haar vingertoppen kon raken. Ze was wel vaker zo stil als ze aandachtig probeerde het schouwspel om haar heen een plek te geven. Ook nu nam ze de bomen, de aarde en de oranje gloed aan de hemel in zich op zonder iets te zeggen.
‘Ben je nog boos op me?’ vroeg de jongen na een tijdje.
‘Nee, ik ben niet meer boos.’ Er klonk geen afkeer uit haar stem.
‘Ik begrijp het,’ probeerde de jongen, terwijl hij opnieuw haar hand goedwillig probeerde vast te pakken, om zijn compassie in haar huid te kunnen drukken.
‘Je begrijpt er niks van!’ siste ze vurig, en rukte haar hand van hem weg. Met verwijtend water staarde ze hem nu aan; er sprak iets van wanhoop uit deze diepte.
‘Nee, misschien begrijp ik je ook niet. Maar jij begrijpt mij net zo weinig,’ pareerde de jongen om zichzelf enigszins te kunnen beschermen.
En desondanks er een snik doorheen klonk, moest ze hard lachen om de opmerking van haar lief. Vol kuste ze hem op de mond.
De jongen proefde het appelsap branden op zijn lippen, en huppelde opgevrolijkt een eindje vooruit.
‘Verderop ligt het plasje; het water moet heerlijk zijn nu!’ riep ze van een afstand. De jongen rende inderdaad enthousiast richting het water, en hield stil bij de rand, waar hij probeerde zijn eigen spiegelbeeld te bekijken, maar moest constateren dat zijn gelaat toch heel wat rimpeliger was dan hij had gehoopt.
‘Probeer het eens, probeer het eens!’ riep ze toe terwijl ze met een drafje kwam aanrennen. De jongen stak zijn grote teen in het water.
‘En, hoe is het?’ vroeg ze.
‘Toch wel erg koud,’ zei de jongen met een frisse tegenzin.
‘Maar probeer dan, voel toch even hoe dat water aanvoelt zodra het over je gehele lichaam stroomt!’
‘Doe het lekker zelf als je dat zo graag wilt,’ siste de jongen ietwat geïrriteerd.
Terneergeslagen keek ze hem aan.
‘Ik geloof dat het koud begint te worden,’ fluisterde ze.
‘Ik geloof het ook,’ zuchtte de jongen.
de Onmogelijkheid – Mileau de Pileau