Als je met onduidelijke medische klachten naar de huisarts gaat, moet je vaak wat bloed of urine afgeven. Zodat je huisarts daaraan kan zien of er wat er mis is. In de toekomst wordt zulk onderzoek mogelijk simpeler. Aandoeningen laten namelijk regelmatig niet alleen sporen achter in je bloed of plas, maar ook in je adem. Het is al mogelijk om met apparaatjes genaamd elektronische neuzen ziekten zoals darmkanker, astma en TBC op te sporen. Even blazen in het mondstuk: klaar.
Maar ook zonder precies te weten welke stoffen in iemands adem wijzen op welke ziekte, kan zo’n ademanalyse-apparaatje een handig hulpmiddel zijn voor huisartsen. Bijvoorbeeld als een arts ermee kan zien dat de samenstelling van de adem van een patiënt anders is dan normaal. Daarvoor is het belangrijk om een paar dingen te weten: bestaat er zoiets als een standaard adem, of heeft iedereen andere stoffen en in verschillende verhoudingen in z’n adem zitten? En is de chemische samenstelling van je adem constant, of verandert dit gedurende de dag of in de loop van de tijd?
Dat is wat een drietal Zwitserse medisch wetenschappers besloot uit te zoeken. Hun onderzoek was niet heel omvangrijk: ze gebruikten maar elf proefpersonen. Wel analyseerden ze van deze proefpersonen de adem op negen verschillende dagen, zowel doordeweeks als in het weekend, en op verschillende tijdstippen van de dag.
De resultaten van dit onderzoek staan nu in het blad PLoS One. Het team, dat werd geleid door Renato Zenobi, ontdekte dat er zowel allerlei verschillen waren in de samenstelling van de adem tussen personen, als in de samenstelling van de adem één persoon gedurende de dag. Dat is ook niet zo vreemd; je adem wordt beïnvloed door je stofwisseling, en ook dit verandert gedurende de dag.
Maar: de variatie tussen personen bleek toch groter te zijn dan de variatie binnen één persoon. En wel zo sterk, dat de onderzoekers de verschillende proefpersonen vrij nauwkeurig konden onderscheiden op basis van hun ‘ademprofiel’. Oftewel: de samenstelling van je adem is een soort persoonlijke vingerafdruk.
Dit opent dus ook de mogelijkheid om ademanalyse in te zetten als diagnostisch hulpmiddel. Als een arts ziet dat de adem van een patiënt wel erg afwijkende stoffen of concentraties aan stoffen bevat ten opzichte van normaal, kan deze besluiten verder onderzoek te doen. En naarmate er van steeds meer ziektes bekend wordt hoe ze de samenstelling van de adem beïnvloeden, kan straks mogelijk rechtstreeks door zo’n elektronische neus worden gezegd wat iemand mankeert. Dat zou een hoop gedoe met bloed prikken en in potjes plassen schelen.