Mijn
mijn ik had een luchtfamilie met haar van graan en sikkels van handen ze woonden in een land van wind het land waar men mij uittrok door de grond van mijn gezicht te kloppen ik werd een mijn de steengang van mijn hemelbloed en mijn ogen werden niet witter mijn gezicht alleen steeds minder een gezicht ik werd vader van een neergedaald geslacht met haar van gruis en handen van houwelen ze wonen in een land van as zij lopen op mij af met achterhoofd vooruit terwijl zij zeggen: er zijn dikke wolken in ons opgestegen die ons langzaam aan het vullen zijn de as zal straks langs ons gezicht en onze ribben lopen dus zet ons toch weer rechtop en was toch onze ruggen schoon maar daarvoor heeft mijn stem te weinig licht gezien en als ik ‘s ochtends opstijg uit mijzelf klop ik het stof nog altijd van mijn schouders - Martijn Teerlinck













