New Post has been published on In de hemel is wél bier !
New Post has been published on http://blog.ikbenindehemel.nl/index.php/2015/08/26/beverwijk-op-zn-rooms-katholieke-kop-6/
Beverwijk op z’n Rooms Katholieke Kop (6)
Wij zullen beginnen met de priesterdienst van Babylon, in vergelijk met die van Rome.
De verschillende facetten van de eredienst vormen een ‘geheimenis’, bestemd voor ‘ingewijden’ en als zodanig door haar volgelingen blindelings aanvaard. Was dit niet het geval, dan zou het geweten van velen gealarmeerd worden, zoals ook wel geschiedt, nu men meer dan ooit tevoren zelf de Bijbel is gaan lezen. Vele volgelingen van ‘Babylon’ zijn onrustig geworden.
Wat dit geheimenis betreft zegt God in Zijn Woord, dat het versluierd blijft tot de tijd van de Openbaring. God heeft die versluiering toegelaten. En zie: Toch is Gods hand in alles. Lees de door de profeet Habakuk uitgesproken godsspraak: Het strafgericht door de Chaldeeën, die (n.b.) ‘door God Zelf verwekt zijn’ (vs. 6) en dan weer: het gericht over de Chaldeeën. Maar de profeet eindigt met: ‘Ik zal juichen in de HERE, de HERE Here is mijn kracht.’
De feitelijke opzet was, de mensheid in blinde en absolute onderwerping aan een hiërarchie, geheel van de heersers van Babylon afhankelijk te doen zijn. Daartoe was een religieus systeem het geëigende middel. In de uitvoering van dit schema, was alle kennis, zowel heilig als profaan, voorbehouden aan het priesterschap, toebedeeld aan hen die in de mysteriën waren ingewijd.
Hierdoor waren allen, die onder het systeem stonden, met handen en voeten of, liever gezegd, met geest en ziel gebonden aan die priesters.
De priesters waren de enige bewaarders van religieuze kennis, zij bezaten de ‘ware traditie’, waardoor de schriften en symbolen van de openbare eredienst vertaald konden worden.
En zonder vanzelfsprekende gehoorzaamheid aan hen, was al hetgeen nodig was voor redding en heil niet te kennen.
Wanneer werd het corrupte systeem van ‘het geheimenis’ in onze bedeling (de periode tussen de lste en de 2de komst van Jezus) herkenbaar? Dat was eigenlijk al het geval in het begin met de apostelen, toen de vroege kerk begon te bloeien, toen de vrucht van de eerste Pinksterdag gezien kon worden, toen de martelaren hun getuigenis bezegelden met hun bloed.
Zelfs toen het evangelie zo helder scheen, droeg de Geest van God dit getuigenis van Paulus: ‘Want het geheimenis der wetteloosheid is reeds in werking.’ (2 Thess. 2:7)
Het systeem der ongerechtigheid, dat toen reeds begon te functioneren, en waarvan goddelijk voorzegd was dat het zou uitgroeien tot een grote dwaling – maar dat ook te juister tijd geopenbaard zou worden – zou vernietigd worden ‘door de adem Zijns monds en machteloos gemaakt worden door Zijn verschijning, als Hij komt.’ (vs.8) Dit systeem, begonnen bij de afgodendienst in Babylon, werd (en wordt) in het geheim, bij stukjes en beetjes in kerk en geloofsgemeenschap gebracht.
Toen eenmaal het licht van het evangelie gedoofd was en de volheid en de basis van de vrijheid van Gods genade en de Ene Grote Profeet en Hogepriester van ons geloof op de tweede plaats gekomen was, werd de priesters opnieuw een mysterieuze macht gegeven, die hun heerschappij gaf over ‘het geloof’ van de mensen. Een heèrschappij, die juist door de apostelen was afgewezen (2 Kor. 1:24), maar waarin het zonde-belijden en de strafmaat daarvan even absoluut en volkomen werd als die de Babylonische priesters bezaten over hen, die onderworpen waren aan die oude mysteriën.
Zonder die bekentenissen, die we nu de biecht noemen, had niemand toegang tot de heidense sakramenten en ritueel in Babylon.
Men geloofde, dat de Chaldese priesters de sleutel bezaten tot het hanteren van de mythologie van Babylon, aan hen overgedragen door een oudere hogepriester. Zij alleen bezaten de ware kennis der traditie, overgegeven van eeuw tot eeuw (Wilkinson’s Ancient Egyptians).
In het rituele gedrag beeldden de priesters de stages uit van de god-realisatie van de mens, zoals zij die zagen. De Babylonische monarch zelf stond in het brandpunt van die handelingen en werd naar de gelovigen gekanaliseerd door het ritueel van het priesterschap. Hij werd niet langer beschouwd als mens, maar als een god-mens. En hij was het ook, die de religieuze wereld beheerste. Hij bepaalde wat goed was en wat slecht, wat gedaan en geloofd moest worden – uiteraard op straffe des doods of van de banvloek.
De onderscheiden koninklijke taken waren: de opgebouwde leerstellingen te koördineren met leven en gemeenschap, en die relatie in stand te houden, in het bijzonder voor de ingewijden.
In alle delen was de esoterische instelling van de Babylonische gnosis identiek aan wat we nu ontmoeten en herkennen door de religieuze vormen van het Oosten en de okkulte mystiek van de kerk van Rome.
De voornaamste onderscheiding is dat het in die dagen begrensd was. In onze dagen, nu het zegel van het geheimenis verbroken is, blijkt het ‘Geheimenis Babylon’ wereldwijd verspreid – en daardoor is de schok van herkenning des te groter.
Het is als een verborgen figuur, verweven in een tekening, die ons uitdaagt hem te vinden. Hoe we ook kijken en de tekening ook draaien, van de ene kant naar de andere, onderste boven en van links naar rechts.
Maar eenmaal gevonden, staart het ons aan, elke keer dat we ernaar kijken en verbaast het ons, dat we het niet eerder zagen. Zo is het ook met het ‘geheimenis Babylon’ haar systeem en haar priesters.
Bij de dag openbaart dit geheimenis zichzelf in zijn ware karakter. Naarmate de volgelingen ervan zelf Gods Woord gaan lezen en onderzoeken, wordt men onrustig. En als men dan ook nog de naslagwerken van eerlijke, wijze mannen ernaast legt, komt men tot één konklusie: We zijn bedrogen! Er is geen veiligheid voor de zielen van mensen in ‘Babylon’, en die kan er ook niet zijn: ‘Ga uit van haar, Mijn volk’ zo luidde de nadrukkelijke opdracht van God.
Verschillende vragen dringen zich nu aan ons op. Hoe heeft het zover kunnen komen? Waarom is er bij de aanvang geen protest aangetekend? Er waren er toch, die de Heer kenden en tot wie de Here Jezus gesproken had aangaande het Koninkrijk van God? Hier zijn twee antwoorden op. Het eerste vinden we in de gelijkenis van het gezaaide, waar ‘s nachts de boze het onkruid in gezaaid had, en waar de eigenaar de knechten verbood het onkruid weg te snijden en besloot, het samen met het goede koren op te laten groeien ‘tot het eind’ (Matth. 13:24-30).
Het tweede vinden we in de vervolging van de Christenen van die tijd.
Zoals bekend, zijn vele Christenen, waaronder apostelen en oudsten, door de Romeinen vermoord, waardoor de kennis van het ware evangelie verloren ging. Door een aantal onbekenden, die kennelijk meer bekend waren met de Babylonische-, Egyptische- en Griekse mystiek dan met de wet en de profeten en de leer der apostelen, werd een systeem van religie opgesteld, dat gebaseerd was op ‘het geheimenis Babylon’.
De kerk van Rome noemt een aantal namen van mensen die genoemd worden: ‘de stem der oude kerk’, kerkvaders waaronder een Clemens Romanus (96), die bijvoorbeeld spreekt van het blindelings volgen van de priester (evenals in Babel). Gregorius van Nyssa (330-394), Chrysostomus, Augustinus (354-430), Irenaeus (130-200), Lactantius, Ambrosius (335-397), enz. Deze allen baseren, bewust of onbewust, hun leer op de gegevens, die nu duidelijk als van Babylonische afkomst te herkennen zijn. Vanaf het begin van de tweede eeuw vinden we duidelijk de hiërarchie, zoals wij die nu in de kerk van Rome kennen. Daarbij neemt de leer van Ignatius en Irenaeus zo’n belangrijke plaats in, alsof het godsspraken waren.
Het eerste Concilie – Nicea I – vond plaats in 325, onder paus Silvester. De Romeinse Canon, omvattende de Bijbelboeken, waaronder vele Apocriefe (Deutero Canonieke boeken) werd in 382 onder paus Damasus vastgesteld. De Canon van Augustinus en van de Concilies van Hippo en Carthago, resp. 393 en 397-416, volgden daarop.
Na de dood van de apostelen bestond er nergens meer een komplete lijst of bundel van authentieke geschriften en men trachtte nu – pas in latere eeuwen – na te gaan welke van die geschriften in de verschillende gemeenten nog bestonden.
Hoewel nërgens anders op gegrond dan op de leer van Babylon, stelde men dat het onfeilbaar gezag van paus, kerk en concilie, gedekt werden door de woorden van Jezus, waarbij Hem woorden in de mond werden gelegd, die nooit door Hem gesproken kunnen zijn. Hij zou aan Petrus en het college van apostelen en dus ook aan hun ‘opvolgers’: paus en concilie (? ) de onfeilbaarheid verleend hebben. Met een tekst als ‘Wie u hoort, hoort Mij, en wie u verwerpt, verwerpt Mij’ van Lukas 10:16 wordt de ‘onfeilbaarheid’ van de kerk van Rome bewezen. Verder berust de leer der onfeilbaarheid uitsluitend op uitspraken van ‘de stem der Ouden’, i.c. Irenaeus, Tertulianus, Hieronimus, enz. Het ‘geheimenis Babylon’ koncentreert zich rond het oude systeem en haar leiders, die zich goddelijk gezag aanmatigen.
Alle gezagsdragers van de kerk van Rome dragen daarom mede de verantwoordelijkheid voor hun verblinde volgelingen. Op hen is van toepassing de profetie van Ezechiël 34:10: ‘Ik zal die herders…. ‘