Bonserud
Ik zit, op een ongemakkelijke stoel, aan een ronde tafel. Zowel links als rechts buigt hij van je weg. Hoe dicht je er ook op zit. Alles hier is van hout. De vloer onder mij, de muur achter mij, het dak boven mij, de paal voor mij, de bank naast mij, en de stoel en de tafel. Deze hele veranda. Een vlot dat drijft op gras, met uitzicht op het donker tussen spookachtig witte berkenstammen.
Voor mij ligt het vuistdikke boek* dat ik deze dagen lees. Een verhaal dat zich op duizenden kilometers afstand afspeelt, in een andere tijd en werkelijkheid. Het ligt hier voor me, op reis.
Het is donker en fris. Een mooi einde aan een dag van zon en wolken, zachte wind, glooiende heuvels. Opgeruimd weer en landschap. Vandaag kabbelde het water en plaagde de wind onze haren. Tussen de schaduw van bladeren en takken door voelde je de zon zacht op je huid zingen, en we liepen de hele dag rond met ontblote armen en benen.
De schaarse momenten dat er enkele schamele druppels vielen, dronken we koffie aan deze zelfde tafel, genoten we van het door bomen onderbroken uitzicht en de onbestemde geluiden die de stilte versterkten. Een specht, een hommel, trappende hoeven, ritselende takken.
Nu koelt het af en zweeft mijn adem in wolkjes voorbij als ik opkijk van mijn boek, en niks in het bijzonder zie, naar alles tegelijk luister. Ik pluk met duim en wijsvinger een sigaret uit het pakje dat naast het boek op tafel ligt, en laat hem tussen mijn lippen hangen. Automatisch tast ik mijn broek- en jaszakken af, tevergeefs op zoek naar een aansteker.
Ondertussen staar ik in de verte, die langzaam steeds leger en abstracter wordt, alsof een verhaal uiteenvalt in losse zinnen, in enkele woorden. Tot er alleen nog een hoorbare stilte rest. Een geluid dat je alleen opmerkt als er niets anders overblijft. Mijn hand hangt ter hoogte van mijn zij. Mijn ogen rusten op de donkerte voor mij. Ver weg, dichtbij.
Dan wordt het ruizen overstemd door een geluid. Een bekend geluid, maar ik kan het niet thuisbrengen. Het klinkt zo zacht dat ik soms twijfel of ik het hoor, maar het moet wel. Het kan niet anders, want die geconcentreerde stilte van daarnet is erop stukgevallen, opgebrand. Er draait en waait daar buiten en in mijn oren een ruisen en suizen dat zigzaggend zingt.
Het klinkt als… getjilp… getjirp… een zangerig gerasp. Het klinkt geruststellend. Het geluid verplaatst zich door de lucht tussen de veranda en de donkere muur van bomen en nacht: van links naar rechts, van boven naar beneden, en terug, in cirkels, in achten. Ik volg het geluid alsof het onzichtbare lichtsporen zijn. Misschien wordt er iets uitgeschreven voor mij, een boodschap. Achtbaan, uitgang, ga maar. Ik moet stil zijn ik moet rustig, kom maar terug, adem in en uit en in, ik wil eruit naar huis. Ik tel tot 8 en dan laat ik me gaan. Ga maar door, lees je boek, neem een slok, een trek, ga naar bed, rust maar uit.
Ik kijk naar het tafelblad. Het boek ligt open. Waar was ik? Ik zie het pakje sigaretten en word me bewust van mijn hand, die nog zweeft tussen mij en de tafel.
De sigaret bungelt nog in mijn mond. Dan zie ik de zwaluw. Naast de asbak. De vleugels slaan zwartgeblakerd uit tegen geelrood. Ik pak het doosje, sta op en leun tegen de paal aan de rand van de veranda.
Door de duisternis lijkt het gras vlak voor mijn voeten ver weg, het veld verdwijnt in silhouetten van bomen tegen een zwarte achtergrond. Ik sta op de rand, achter mij het licht van de lamp, voor me alles of niks. Wie daar ook vliegt of kruipt of schuilt, ik ben in diens vizier. Wie daar ook zingt en cirkelt, ik ben hier.
Ik schuif het doosje open en pak een lucifer. Ik strijk de kop langs de zwavelrand, en ik voel de zachte, maar ruwe weerstand door mijn soepel bewegende hand. Wat klein begint, ontbrandt in volle vlam, en precies dan, als een volle wind die de nacht even wegblaast, hoor en zie ik dat oneindig geduldig, veelvuldig geluid. De fractie van het moment dat de vlam oplicht, zie ik zwartslanke vleugeltippen om een matblank buikje schijnbewegen, gevolgd door een vorkstaart die linksrechtslinks doorsteekt waar zwarte kraaloogjes en een rode flits heengaan.
De vlam verdwijnt als ik hem voor mijn sigaret houd en hem zachtjes het tabak in trek, dat oranjegloeiend oplicht. Zodra de rook mijn longen kietelt, is alles weer zoals het was.
Vandaag was een mooie dag van zon en wolken. Nu is het donker en fris. Straks ga ik naar bed, maar nu ben ik nog even een drenkeling op dit verandavlot. Een teken van land, van huis in zicht, vloog onnavolgbaar voorbij. Maar één zwaluw maakt nog geen herfst.
Ik ga weer zitten, schuif heen en weer. Er kringelt rook, ik voel de gerafelde ronding van de tafel. Ik leg mijn armen op het tafelblad, kijk naar mijn boek, bedenk me waar ik was.
We zijn nog lang niet thuis.
’
* Max, Mischa en het Tet-offensief van Johan Harstad











