Pieters Daglicht over Denkdingen
Ik weet niet of u het wel eens hebt geprobeerd, maar op het Capelse Stadsplein kun je tegenwoordig prima een Boeing 737 laten taxiën. Het plein is zo ruim, zo strak, zo keurig opgepoetst dat je bijna verwacht dat er elk moment een digitale stem uit de lucht klinkt: “Dames en heren, we naderen de loopbanden naar Uitgang Noord. Voor uw veiligheid: houd rechts aan.”…
Op een koude dag gaat de bel. Ik ontwaak uit half versufte toestand en vind mijzelf op mijn versleten bank, een wollen deken om mijn schouders geslagen, pantoffels met gaten aan mijn voeten. Ik kijk naar buiten. Buiten herfst het rommelig. Takken in de war, plassen op de grond, bladeren ertussenin. Ik zucht. Een koud wolkje dwarrelt uit mijn mond. Ik kom overeind, struikel bijna over een inktzwart, verkreukeld dagblad en strompel naar de deur. Ik open de deur en zie ze staan.
Twee al wat oudere jongemannen. (En een vrouw.) De een, rechts voor mij, lacht vriendelijk, zijn hoofd een tikkie scheef. Pretoogjes, kraaienpootjes, steil halflang haar. Hij staat stil, maar ook weer niet. Voortdurend beweegt er wel iets. Een vinger, een mondhoek, een knipoog, een voet, een been, een hand, een oor. Ritmisch rammelt hij geruisloos. Hij zegt niets.
‘Goedendag’, zegt de andere man, links. Hij kijkt me aan, maar ook langs me heen. Ik wil bijna achter me kijken om te zien naar wie hij ook nog kijkt. Maar dan bedenk ik me dat hij gewoon een beetje scheel is, een licht divergente blik zoals dat heet. Hij heeft zware wenkbrauwen, dik haar-met-een-slag, en een stoppelschaduw op zijn wangen en kin. Over zijn rug hangt een oude gitaar, een klein ding met barsten en scheuren, maar zijn rechterhand streelt liefdevol de hals. Hij heeft een onzichtbaar draad in zijn handen, hij wriemelt eraan en er klinkt een zangerige toon. Als ik beter kijk, zie ik dat overal draadjes aan hem loshangen.
(Zij staat er ook, maar je ziet haar nauwelijks. Ze staat achter hen, ze is kleiner. Je ziet alleen haar grote bruine ogen die voortdurend afwezig rondkijken, op zoek naar iets… interessants, zo lijkt het. Ondertussen neuriet ze, of wie weet is het gewoon de manier waarop ze ademhaalt, maar het klinkt betoverend.)
‘Wij zijn kunstenaars’, zegt de man met de wenkbrauwen. ‘Evenwichtskunstenaars. Wij lopen over strak gespannen snaren, uitgesponnen spanningsbogen en bungelende rafelrandjes.’
Hij kijkt me aan alsof het allemaal volstrekt logisch is.
‘En nu zijn we hier’, zegt hij. ‘We hebben 40 dagen rondgetrokken. We hebben nauwelijks gegeten of gedronken, alleen gezongen. Je zou er je verstand door verliezen, maar we hadden geluk want de wind stond goed voor onze quichotterie, en naar de stemmen en de duivels in ons hoofd hebben we niet geluisterd. Sterker nog, we hebben ze overstemd. Een hart gegeven, zou je kunnen zeggen.’
Hij kijkt me intens tevreden aan, en trekt dan afwezig aan een van de touwtjes. Een zangerig toontje kruipt uit de gitaar die over zijn schouder hangt. Ik zeg niks. Ik kijk ze aan. Mijn schouder leunt tegen de deurpost, mijn hand houdt de deur nog vast. De wind is koud, maar het valt me niet op, want deze twee (drie) figuren staan voor me en houden mijn blik gevangen. Ik weet niet of ik er iets van begrijp, maar dat vind ik eigenlijk ook niet erg.
‘Eh… hadden jullie niks bij je dan? Behalve… dat?’ Ik wijs naar de stille man, die een fietsvelg in zijn linkerhand houdt, en een strijkstok in zijn rechterhand. ‘Geen eten? Of drinken?’
(Soms hoor ik van achter de twee mannen een zuivere, maar verwrongen toon: eerst helder, maar dan wrang. Telkens als de toon klinkt, lijkt er een klein schokje te gaan door de haast onzichtbare vrouw. Haar grote ogen sluiten zich, maar ik zie haar ogen achter de oogleden bewegen. Haar lippen stevig op elkaar, trillend van spanning en voldoening tegelijkertijd.)
‘We hebben genoeg’, zegt de man met de gitaar. ‘Zolang er iemand aan onze lippen hangt, kunnen we elke duisternis armen geven. Wat we doen is genoeg.’ Hij kijkt eerst zijn metgezellen en dan mij haast verliefd aan. Normaal gesproken zou ik moeten lachen om z’n zijige, haast brave blik, maar ik voel alleen kippenvel.
‘Dus, wat zullen we voor je spelen?’ vraagt de man opgewekt. De stille naast hem roffelt vliegensvlug op de spaken van de fietsvelg, de blik van de vrouw kruist heel kort mijn blik. ‘Wat wil je horen? Iets over een bedelkoning? ’s Ochtends op zijn knieën, ’s avonds op zijn troon? Of over hulp achter de heuvel, waarvan je alleen de schaduw ziet? Of een héél oud verhaal, over heiligen die opstaan en weer doodgaan, of over mensen en monsters? Of een heel droevige, over een Mexicaanse zigeunerzangeres die ons te vroeg is ontvallen?’ Hij kijkt even omhoog, naar de voortdrijvende wolken.
Ik weet het niet, ik weet niet wat ik kies als ik kies. Ik wil alles, maar het is te veel. Ik zeg niks. Ik kijk de drie gasten aan, blijf staan in de deuropening. Ik open mijn mond, maar ik zeg niks. Dan, zonder waarschuwing, schudden beide mannen even met hun schouders, en brengt de man die sprak een schorre klank voort, zijn wenkbrauwen dansen op de speels opstijgende en dalende tonen van zijn stem. Soms lijkt hij zijn stem bijna kwijt te zijn, maar dan sluit hij even zijn ogen en vindt hij hem weer. Hij heeft zijn gitaar gedraaid zodat deze nu voor hem hangt. Met zijn linkerhand laat hij een glasscherf glijden over de hals van de gitaar die een gil voortbrengt alsof de slagader is doorgesneden, zijn rechterhand trekt langzaam een onzichtbaar touwtje weg van de gitaar, waardoor de gil hapert en doorgaat, krassend en krakend. Met elke nieuwe hals- of snaarbeweging onttrekt zich een toon van de klankkast, en ontstijgt het even later de zingende man.
De stille, ondertussen, draait, tikt, slaat, streelt en betast de fietsvelg. De rand, de spaken, de pignon; met zijn handen, met de strijkstok. Zijn voeten stampen zacht, zijn linkerhand slaat op zijn heup, op zijn wang, en het klinkt als een ladder waarlangs het gezang van zanger en gitaar opstijgt.
(En onzichtbaar plukt de vrouw de snaren van een duivelsharp, elke toon snijdt hout, elke vinger bespeelt een geluid dat klinkt als een huis – waarin zij wonen, samen met alle dromen en bijbelpersonen, alle pillen en stille krachten, elk verhaal, elk restmateriaal.)
Ik weet niet hoe lang het heeft geduurd. Op een gegeven moment zijn ze weer op weg gegaan. Dat denk ik, tenminste.
Ik werd wakker, sloeg de deken om mijn schouders, slofte naar de keuken en zette koffie. Ik zat aan tafel, nam een slok en het voelde of langzaam maar zeker een droom ontsliep. Met een bittere smaak in mijn mond zuchtte ik tevreden.
Toen hoorde ik getik. Een regelmatig, ritmisch geklap van hout op hout, met een beetje metaal ertussen. Het kwam van de voordeur. Ik stond op, mijn beker in mijn hand, en liep naar de deur. Het wás de deur. De houten deur zelf, die klapperde tegen de houten deurpost. Het metalen slot van de deur stak naar buiten en ving de klappen op.
Ik pakte de klink en keek naar buiten. Het waaide hard, in de verte draaide een windmolen zijn wieken vlot rond. Op de grond lag, muisstil, ondanks de wind, een donzen veertje. Uit de lucht gevallen, als een zacht, wit vlekje op de donkergrijze stoep. Ik pakte het op en keek om me heen. Niemand.
Het was koud. Een koude dag. Het waaide hard. De zon scheen. De tijd vloog om.
Ik zit, op een ongemakkelijke stoel, aan een ronde tafel. Zowel links als rechts buigt hij van je weg. Hoe dicht je er ook op zit. Alles hier is van hout. De vloer onder mij, de muur achter mij, het dak boven mij, de paal voor mij, de bank naast mij, en de stoel en de tafel. Deze hele veranda. Een vlot dat drijft op gras, met uitzicht op het donker tussen spookachtig witte berkenstammen.
Voor mij ligt het vuistdikke boek* dat ik deze dagen lees. Een verhaal dat zich op duizenden kilometers afstand afspeelt, in een andere tijd en werkelijkheid. Het ligt hier voor me, op reis.
Het is donker en fris. Een mooi einde aan een dag van zon en wolken, zachte wind, glooiende heuvels. Opgeruimd weer en landschap. Vandaag kabbelde het water en plaagde de wind onze haren. Tussen de schaduw van bladeren en takken door voelde je de zon zacht op je huid zingen, en we liepen de hele dag rond met ontblote armen en benen.
De schaarse momenten dat er enkele schamele druppels vielen, dronken we koffie aan deze zelfde tafel, genoten we van het door bomen onderbroken uitzicht en de onbestemde geluiden die de stilte versterkten. Een specht, een hommel, trappende hoeven, ritselende takken.
Nu koelt het af en zweeft mijn adem in wolkjes voorbij als ik opkijk van mijn boek, en niks in het bijzonder zie, naar alles tegelijk luister. Ik pluk met duim en wijsvinger een sigaret uit het pakje dat naast het boek op tafel ligt, en laat hem tussen mijn lippen hangen. Automatisch tast ik mijn broek- en jaszakken af, tevergeefs op zoek naar een aansteker.
Ondertussen staar ik in de verte, die langzaam steeds leger en abstracter wordt, alsof een verhaal uiteenvalt in losse zinnen, in enkele woorden. Tot er alleen nog een hoorbare stilte rest. Een geluid dat je alleen opmerkt als er niets anders overblijft. Mijn hand hangt ter hoogte van mijn zij. Mijn ogen rusten op de donkerte voor mij. Ver weg, dichtbij.
Dan wordt het ruizen overstemd door een geluid. Een bekend geluid, maar ik kan het niet thuisbrengen. Het klinkt zo zacht dat ik soms twijfel of ik het hoor, maar het moet wel. Het kan niet anders, want die geconcentreerde stilte van daarnet is erop stukgevallen, opgebrand. Er draait en waait daar buiten en in mijn oren een ruisen en suizen dat zigzaggend zingt.
Het klinkt als… getjilp… getjirp… een zangerig gerasp. Het klinkt geruststellend. Het geluid verplaatst zich door de lucht tussen de veranda en de donkere muur van bomen en nacht: van links naar rechts, van boven naar beneden, en terug, in cirkels, in achten. Ik volg het geluid alsof het onzichtbare lichtsporen zijn. Misschien wordt er iets uitgeschreven voor mij, een boodschap. Achtbaan, uitgang, ga maar. Ik moet stil zijn ik moet rustig, kom maar terug, adem in en uit en in, ik wil eruit naar huis. Ik tel tot 8 en dan laat ik me gaan. Ga maar door, lees je boek, neem een slok, een trek, ga naar bed, rust maar uit.
Ik kijk naar het tafelblad. Het boek ligt open. Waar was ik? Ik zie het pakje sigaretten en word me bewust van mijn hand, die nog zweeft tussen mij en de tafel.
De sigaret bungelt nog in mijn mond. Dan zie ik de zwaluw. Naast de asbak. De vleugels slaan zwartgeblakerd uit tegen geelrood. Ik pak het doosje, sta op en leun tegen de paal aan de rand van de veranda.
Door de duisternis lijkt het gras vlak voor mijn voeten ver weg, het veld verdwijnt in silhouetten van bomen tegen een zwarte achtergrond. Ik sta op de rand, achter mij het licht van de lamp, voor me alles of niks. Wie daar ook vliegt of kruipt of schuilt, ik ben in diens vizier. Wie daar ook zingt en cirkelt, ik ben hier.
Ik schuif het doosje open en pak een lucifer. Ik strijk de kop langs de zwavelrand, en ik voel de zachte, maar ruwe weerstand door mijn soepel bewegende hand. Wat klein begint, ontbrandt in volle vlam, en precies dan, als een volle wind die de nacht even wegblaast, hoor en zie ik dat oneindig geduldig, veelvuldig geluid. De fractie van het moment dat de vlam oplicht, zie ik zwartslanke vleugeltippen om een matblank buikje schijnbewegen, gevolgd door een vorkstaart die linksrechtslinks doorsteekt waar zwarte kraaloogjes en een rode flits heengaan.
De vlam verdwijnt als ik hem voor mijn sigaret houd en hem zachtjes het tabak in trek, dat oranjegloeiend oplicht. Zodra de rook mijn longen kietelt, is alles weer zoals het was.
Vandaag was een mooie dag van zon en wolken. Nu is het donker en fris. Straks ga ik naar bed, maar nu ben ik nog even een drenkeling op dit verandavlot. Een teken van land, van huis in zicht, vloog onnavolgbaar voorbij. Maar één zwaluw maakt nog geen herfst.
Ik ga weer zitten, schuif heen en weer. Er kringelt rook, ik voel de gerafelde ronding van de tafel. Ik leg mijn armen op het tafelblad, kijk naar mijn boek, bedenk me waar ik was.
We zijn nog lang niet thuis.
’
* Max, Mischa en het Tet-offensief van Johan Harstad
#13 van mijn #52wekenproject / #52weekschallenge , de #koperwiek . Gemaakt met #fabercastellpolychromos deze keer. Geen #pastelpotloden of #pastelkrijt . Ik wilde weer eens met de #fabercastellpolychromos werken. Wat vinden jullie van deze homgerige vogel?