Den Haag – Minister Bussemaker en staatssecretaris Dekker maken zich grote zorgen over de verschillen tussen scholen en opleidingen die de Inspectie van het Onderwijs constateert in haar jaarverslag.
Over de gehele linie scoort het Nederlands onderwijs goed, zo blijkt uit het Onderwijsverslag. Leerlingen in het primair en het voortgezet onderwijs behoren internationaal gezien tot de subtop. De…
Onderwijsminister Jet Bussemaker kondigde vorige maand aan dat ze 43,5 miljoen euro wil uitgeven aan projecten die mbo-studenten beter voorbereiden op de huidige en toekomstige arbeidsmarkt. Dit wil ze doen door hen al tijdens hun studie te laten werken met state-of-the-art-technieken en -methoden.
‘Het mbo moet een responsieve en innovatieve sector zijn,’ is de wens van Bussemaker. Hiervoor zijn niet alleen technieken en methoden nodig, ook de motivatie van studenten speelt hierbij een belangrijke rol. Samen leren vernieuwen is de basis van hoe we bij ThiemeMeulenhoff elke dag samen met scholen, docenten en studenten bezig zijn met het ontwikkelen van effectieve leeroplossingen. Ook in het mbo staan de wensen van zowel studenten als docenten centraal. Door daarop aan te sluiten én de brug te slaan naar de praktijk, maakt het mbo belangrijke stappen.
JOB-monitor
Een keer per twee jaar mogen mbo-studenten zelf aangeven in welke mate zij tevreden zijn over het onderwijs dat ze krijgen. De meest recente resultaten staan in de JOB-monitor 2016, die begin juni werd gepubliceerd.
Een aantal uitkomsten:
1. Studenten zijn meer tevreden over afwisseling tussen zelfstandig werken en in groepen (54 procent in 2016 t.o.v. 52 procent in 2014)
2. Studenten vinden het belangrijk om te weten waarom ze iets moeten leren
3. Het percentage studenten dat aangeeft voldoende te leren op school is weinig veranderd: 56 procent
4. Gemiddeld rapportcijfer voor opleiding: 7,1
5. Gemiddeld rapportcijfer voor instelling: 6,6
ThiemeMeulenhoff herkent de belangrijkste uitkomsten uit eigen onderzoek en uit gesprekken die we voeren met diverse betrokken uit het mbo. Deze feedback en inzichten gebruiken we bij de vernieuwing van de methodes en het ontwikkelen van lesmateriaal. Deze is gebaseerd op vier pijlers:
Flexibel
Er is een vaste structuur in zes leerfasen. Deze fasen komen tegemoet aan de diverse manieren waarop studenten leren en docenten lesgeven in het mbo. Door de heldere structuur is het materiaal flexibel inzetbaar. Daarmee is het motiverender om met de materialen aan de slag te gaan.
Zelfstandig
Door een duidelijk onderscheid tussen theorie, vaardigheden en praktijk is het materiaal zo opgezet dat studenten er zoveel mogelijk zelfstandig mee te kunnen werken.
Persoonlijk
Studenten in het mbo hebben verschillende leerstijlen. De ene student vindt het prettig om eerst de theorie te lezen, de andere student verwerkt de theorie graag aan de hand van concrete vragen. Een derde student leert vooral door te doen.
Doelgericht
Er is een duidelijke voorkeur voor de toepassingsgerichte leerstijl. Het is belangrijk dat steeds wordt aangegeven waarom je iets leert en dat er een concreet verband wordt gelegd met de beroepspraktijk.
In het lesmateriaal is dit terug te vinden door praktijkvoorbeelden te presenteren bij de theorie, zodat kennis meteen in de beroepscontext wordt geplaatst. Daarnaast wordt steeds gestart met de combinatie leerdoelen – casus, om de leerdoelen in relatie met het werkveld te laten zien. Tot slot volgt de toepassing van de theorie in praktijkopdrachten, casussen en praktijksituaties.
Het inzichtelijk maken van het nut van lessen en het aansluiten op de arbeidsmarkt, zijn belangrijke factoren voor succes. Luisteren naar de wensen van de gebruikers en hen op die manier betrekken bij het ontwikkelen van lesmethodes is cruciaal om het mbo verder te verbeteren.
Minister Jet Bussemaker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (PvdA) gaat toch door met haar database van vrouwen die geschikt zijn voor topfuncties. Ze heeft daarmee lak aan de Tweede Kamer die eist dat de lijst verdwijnt.
Vorige week nam de Kamer een motie aan van de VVD, die vindt dat een dergelijke databank concurrentievervalsend werkt. Bovendien zouden wervings- en selectiebureaus het werk al doen. Maar daar is Bussemaker het niet mee eens. Als er niet buiten de gebaande paden wordt gedacht, verandert er nooit iets, schrijft zij vandaag in een brief aan de Kamer. Bovendien denkt ze dat de motie op een misverstand is gebaseerd. Ze legt uit dat de overheid geen headhunter is en dat de database alleen inzichtelijk moet maken hoeveel en welke vrouwen in aanmerking zouden kunnen komen voor topposities. Zodat er een einde komt aan de discussie of er überhaupt wel genoeg vrouwen zijn voor zulke functies.
Vrouwenquotum te voorkomen
Wervingsbureaus die toezeggen bij hun long list zeker 50 procent vrouwen op te nemen, krijgen toegang tot het bestand met namen. De database is volgens Bussemaker een laatste poging om een vrouwenquotum te voorkomen. In de wet staat nu dat Nederland streeft naar minimaal 30 procent aan vrouwelijke topbestuurders. In werkelijkheid ligt dat percentage op zo’n 10 procent – veel lager dan in veel andere landen.
700 vrouwen aangemeld
Eind vorig jaar kondigde Bussemaker de lijst aan, samen met voorzitter Hans de Boer van werkgeversorganisatie VNO-NCW. Inmiddels zijn er ruim 700 vrouwen aangemeld. Jaarlijks zijn er zo’n 150 bestuurswisselingen in de top van Nederlandse bedrijven.
Lees het interview met minister Bussemaker en Hans de Vries terug in NRC Handelsblad: Die vrouwen moeten er nú komen (€).
Bussemaker wil database met vrouwelijk talent voor bedrijfsleven
Door Anne Dohmen en Juliette Vasterman op woensdag 10 december 2014
Het móét veel sneller, met die vrouwen in de bedrijfstop – en liefst op initiatief van de bedrijven zelf. Maar het schiet niet voldoende op, vindt minister Jet Bussemaker (OCenW, PvdA). En dus doet ze een laatste poging om dat te bereiken, samen met Hans de Boer, voorzitter van werkgeversorganisatie VNO-NCW.
De twee gaan een database van topvrouwen opstellen – stuk voor stuk vrouwen die geschikt zijn voor een bestuursfunctie bij een groot bedrijf. Dan gaat het excuus dat er gewoon niet genoeg vrouwen zíjn niet meer op.
Niet de usual suspects
Hoe gaan jullie die vrouwen vinden?
Bussemaker: “Eerst zullen we aan alle vrouwen die nú in de raden van bestuur en raden van commissarissen zitten, vragen om elk vijf namen te noemen.”
De Boer: “En dan niet de usual suspects.”
Bussemaker: “Dus geen vrouwen die al commissaris zijn. Mannen mogen overigens ook vrouwen aandragen.”
En dat lost het probleem op?
De Boer: “Nog niet alle bedrijven zijn heel actief op zoek naar vrouwen. Ze zijn er gewoon niet mee bezig. Hebben ze een nieuwe bestuurder nodig, dan kijken ze om zich heen. In hun eigen kring.”
Bussemaker: “Ja, zo werkt dat. We gaan ervoor zorgen dat het voor bedrijven duidelijk is dat er geschikte vrouwen zijn én wie dat zijn.”
Zijn ze er ook écht? Want Hans de Boer, u zei eerder te twijfelen.
De Boer: “De een zegt van wel. De ander zegt van niet. Die discussie willen we met deze lijst stoppen. En dan wordt het ook voor mij vanzelf wel duidelijk.”
Bussemaker: “Die vrouwen zijn er zeker! Ik zie ze om me heen. En ik hoor hoe gefrustreerd vrouwen zijn dat ze nergens binnenkomen.”
Klonen van de mannen
Misschien zijn de vrouwen niet altijd goed genoeg?
Bussemaker: “Ze zijn zeker geschikt. Alleen voldoen vrouwen minder snel aan een profiel dat bedrijven opstellen. Mannen benoemen toch graag klonen van henzelf. Dat moet anders.”
Wanneer moet de lijst af zijn?
Bussemaker: “Morgen! Of in ieder geval begin volgend jaar. De tijd begint te dringen. De meeste bedrijven voldoen niet aan het Nederlandse streefcijfer van 30 procent vrouwelijke bestuurders. Dus we moeten aan de slag. Ik ga bedrijven binnenkort een brief schrijven. Om hen hieraan te herinneren.”
Kunt u bedrijven daar niet gewoon toe dwingen?
Bussemaker: “Ik heb eerder al gezegd: waar een wil is, is een weg. Maar waar geen wil is, is een wet. Dat kan dus ook een verdergaande wet zijn, zoals een quotum. Daar is VNO-NCW geen voorstander van, dat weet ik. Het is daarom in ons gezamenlijk belang om dat te voorkomen.”
De Boer: “Ik ben geen voorstander van een gedwongen huwelijk. Ik heb liever dat mensen zelf hun partner kiezen. Bovendien willen vrouwen zelf ook geen quotum. Ze zijn bang om als excuustruus weggezet te worden.”
Tot 2080 wachten
En als dat nou niet gebeurt?
De Boer: “Het moet lukken.”
Bussemaker: “We zullen alles op alles zetten om dit plan te laten slagen.”
Zo slecht gaat het toch ook niet? Tien jaar geleden bestond minder dan 6 procent van de raden van commissarissen van beursgenoteerde bedrijven uit vrouwen. Nu is dat al bijna 20 procent.
Bussemaker: “Ja, maar het gaat toch veel te langzaam. In de raden van bestuur is nog maar 6 procent vrouw. Hoe lang gaan we wachten, tot 2080?”
Lees vanmiddag het hele interview met Bussemaker en De Boer in NRC Handelsblad