Wat een geweldige dichtbundel! Tranen gelaten en gelachen.

#football#world cup#jude bellingham#soccer#england nt#world cup 2026




seen from United States
seen from Germany

seen from France

seen from United Kingdom
seen from China
seen from China
seen from China
seen from United States
seen from United States
seen from Brazil

seen from Germany

seen from Belgium
seen from Netherlands
seen from China

seen from Germany

seen from United States
seen from China
seen from Croatia
seen from Georgia
seen from Japan
Wat een geweldige dichtbundel! Tranen gelaten en gelachen.
Fouad Laroui: God gepersonaliseerd
Fouad Laroui (1958) is van Marokkaanse komaf maar woont al lang in ons Amsterdam. Hij schreef romans, korte verhalen en een dichtbundel. Zijn belangstelling gaat behalve naar literatuur ook uit naar economie. In de bundel De uitvinding van God (2004) laat hij in het titelverhaal drie schoolvrienden (christen, moslim en jood) hun eigen god scheppen. Dat gaat met humor op een lichtvoetige toon. Er…
View On WordPress
Het nieuwe boek van Lu Vonk is verschenen. Als driejarige werd de inmiddels twintigjarige Lu Vonk vanuit China geadopteerd. Geen geborgen start van haar leven, maar ook bij haar adoptieouders vond zij geen liefdevol thuis. In haar dichtbundel Adoptiepijn schrijft zij openhartig over dit trauma en de leegte en eenzaamheid die hierop volgden. Op jonge leeftijd raakte zij... https://www.haarlemupdates.nl/2026/02/02/het-nieuwe-boek-van-lu-vonk-is-verschenen/ #Haarlem #Boekscout #LuVonk #Adoptiepijn #dichtbundel
EXPERIMENTELE CONSTRUCTIE GEEFT DICHTER EDWIN DE GROOT RIJKER PALET
Foto Geart Tigchelaar
‘alleen zijn is heerlijk / met al dat missen en weer afscheid nemen / eigenlijk wel het mooiste wat er is’ Timofei Sofer is een fictief personage, een 78-jarige bosarbeider uit Oost-Siberië. Een amateurdichter die op zijn eenzame tochten door de taiga de beleving poëtisch boekstaaft. Edwin de Groot bedacht de figuur om dit alter ego zijn woorden in de mond te leggen. Hij zou de gevonden gedichten uit het Russisch vertaald hebben om Sofer vleugels te geven. “Het gebruik van een alter ego constructie samen met de niet fictieve situering maakte, en dat is mijn motivatie, dat ik een rijker palet had om autobiografische en beschouwelijke zaken een andersoortig podium te geven en er een voor mij andere schrijfstijl op na te houden”, zegt De Groot over zijn keuze. “Een soort van experiment dus als het ware.”
De idee om zijn gedachten te situeren in de uitgestrekte wouden van Rusland ontstond na het lezen van een overdaad aan Russische literatuur. Daardoor kreeg Edwin de Groot een beeld voor ogen dat evengoed beleefd kon zijn door een autochtone Siberiër. De houthakker die medelijden heeft met de boom die hij gaat vellen. De eenvoudige bosarbeider die meervoudige filosofieën in zijn dagboek pent. ‘in mijn mond woont het geluk / van de smaak van hier / van hars en hout op de tong’. Uit de denkbeeldige observaties heeft hij een feitelijk relaas in expressieve en suggestieve dichtregels geschreven. Het had waar kunnen zijn, want de oorsprong is echt.
Het is een behendig klein boek in zakformaat. Om zo in de kontzak van de broek op voettocht of in de binnenzak van de jas op wandeling mee te nemen. Om eens aan te pakken en na te slaan gaandeweg onderweg, rustend op een bank of liggend in het gras. Uitkijkend over laagland, heide, door bossen, open plekken, lange lanen. Zodat ik voor het moment van lezen me waan op de plaats die beschreven is. De taiga. De uitgestrekte bossen, de koude naaldwouden. Glooiend over de vlakte langs het water tot in de heuvels.
Was hij er ooit, daar, de tekstdichter, de poëet. Of heeft hij zich zo kunnen inleven bij het lezen van plaatselijke literatuur dat hij zich daar fysiek denkend dacht aanwezig te zijn. Zich verplaatsend in de geest van een alter ego, een fictief figuur waaromheen in eerste instantie de mystiek van zijn en niet-zijn hangt. De gedachte overgenomen, de ziel bewoond. De ogen geopend en zien wat er te kijken valt. Voor de dichter, zowel als voor elke andere kunstenaar - schrijvend, beeldend, musicerend - bestaan er geen grenzen. Is 1000 kilometer als een enkele voetstap verder.
De gedachte laat zich niet begrenzen, vliegt eenvoudig van oost naar west, van zuid naar noord. Je hoeft op een bepaalde plek niet geweest te zijn om je er aanwezig te voelen. Dat is de kracht van inleving, verbeelding. Wanneer je maar de gave bezit om verder te denken dan hier en nu, dan lengte en breedte en eenvoudig de diepte in kunt. De fantasie, het geestesoog, heeft meer abstracte reikwijdte dan de realistische gedachte. Door de tekst van Edwin de Groot kan ik zodoende zijn in het bos tussen de bomen, op mezelf aangewezen met de Taigagedichten als reisgids door plaats en tijd. Voor het moment ben ik zijn alter ego en kleed me warm in gedachten. Ik ben de houthakker die de seizoenen opmerkt, de verandering in de natuur, de opwarming van de aarde.
De verzen van Edwin de Groot lezen als de wind die ruist tussen de bomen op de taiga. Maar feitelijk heeft de wind geen geluid. De takken die door luchtverplaatsing bewegen geven de wind een stem. De wind leeft zich in de bomen in, zoals ik meevoel met de woorden van de dichter. De wind is voor een vlaag de boom. Ben ik door het lezen dichters alter ego in het wel erg vrije vers. Lichtvoetig en zwaarmoedig. Schijnend als de ondergaande zon, mysterieus. Maar hij, Edwin?, is geen filosoof. "ik ben geen filosoof / ik hak hout / stroop af en toe een sneeuwhaas / schiet een hert voor de winter"
De bosarbeider heeft diepe gedachten, mijmert voor zich uit in de idee van Edwin de Groot. Leeft met de seizoenen. Is een natuurmens. Ieder jaargetijde kent de eigen werkzaamheden en gedachten. Hoewel de bomen hem gezelschap houden is de houthakker veel alleen. "je kunt over niet te meten land / het aan-één-stuk-door-en-door / de ruimte, de mateloze vergezichten / gedichten schrijven van tientallen pagina's lang / met hoofdrollen voor de grond, de bomen / de vogels die moeiteloos kilometers maken".
Geven de taigagedichten ruimte om te ademen. Te beschouwen tussen de regels door. De tsjevengoer beneemt mij de adem. Gehaast slinger ik mij door de tekst die nauwelijks leestekens kent en prachtige volzinnen vormt. De ultrakorte poëtische essays sluiten de verzameling gedichten af. Het spreekt over personages, figuren met een verhaal. Dit heeft het meesterwerk van Andrej Platonov als inspiratie. Deze speelt zich af in de jaren voor, tijdens en vlak na de Russische Revolutie. In tijden van chaotisch oorlogsgeweld, ideologische verwarring en snakkende heilsverwachting. Platonovs doelloos dolende personages zijn gegrepen door geloof in de communistische heilstaat. Maar tegelijk door totale vertwijfeling, vanwege hun bodemloze ellende, en omdat het communisme hen voor ondoorgrondelijke raadselen stelt. In de woorden van De Groot herken ik Platonovs ontwortelde wezens die dolen tot in de dood. Het is een bizarre afsluiting van een met beleving doorregen gedichtenbundel. Dat begon met een ode aan Miklós Radnóti. Hongaars dichter en slachtoffer van de holocaust. Is hij het alter ego onder een andere naam?
‘poëzie mag ook lelijk zijn / laat het maar grijnzen als botten in een kuil / borrelen als een verzopen wolf kronkelvol paling / dat de regels na het lezen de volgende dag nog / in je kleren hangen als matrozenkots / poëzie moet als een steenmarter hardnekkig / je huis bezetten zoals de lucht van een natte hond / of als een wilde kat in je gordijnen’ Door de mond van B. op visite bij S. weet de dichter zijn eigen werk in dit boek niet beter te omschrijven. Ik had met deze dichtregels mijn bespreking kunnen staken. Het is kernachtig beschreven en heeft het gras voor mijn voeten weggemaaid, als het ware.
Edwin de Groot leeft zich in en spreekt zich uit. Ik laat bij het lezen mijn vinger onder de regels meebewegen om geen woord te missen. De ogen sluitend na een gedicht gelezen te hebben, als contemplatie zuchtend in de beschouwende stilte van het vespergebed. De buitenwereld verbannen naar zichzelf, van binnen ben ik de ongekroonde koning van de gedachte. De gedachten zijn vrij en onafhankelijk, laten zich niet dwingen hoewel de dichter voor een moment mijn gedachte overneemt, voor de tijd dat ik het boek opendoe en zijn verzen lees. Ik denk in zijn wezen. Dan. Ik ben in zijn beleving.
Taigagedichten. Edwin de Groot. Uitgeverij Opwenteling, 2025.
Taigagedichten is geschreven door de ogen van het alter ego Timorei Sofer, een Joodse bosarbeider uit Oost-Siberië. Deze aanpak, ontstaan do
MIJN VLIEGER STAAT DOOF AAN DE HORIZON
Autobiografisch scan ik de verwikkelingen van Harry van Doveren. Ik lees de nieuwe bundel "ik kan vliegen" woord voor woord nauwkeurig, kopieer de tekst in gedachten naar mijn eigen wezen om het achter mijn oogleden te kunnen projecteren… In deze dichter herken ik mijzelf omdat hij zichzelf figuurlijk bloot geeft tussen de regels door van zijn poëzie. Bij zijn beschreven aannames van persoonlijk beleefde ervaringen ontgaat mij aanvankelijk de logica, zoals ik soms eveneens versteld sta van mijn eigen schrijfwijze na een nachtje slapen. Aan zijn denkkader moet ik eerstens wennen, maar daarna staat in tweede instantie zijn dichtkunst mij helder voor ogen. Ik ben uitgeslapen.
De axiomatische poëzie lijkt in experimentele zin enigszins abstract, omdat Van Doveren zich bedient van beeldspraak en overdrachtelijke uitdrukkingen. Mooie vondsten die tot nadenken stemmen, evenwel de lading letterlijk dekken. En natuurlijk wenst de lezer dezes dan voorbeelden. Welnu, wat te denken van "volgde waarheid en leugen op de evenwichtsbalk" en hoe te mijmeren met "zag geschiedenis opgerold terug in celluloid" of stil te staan bij "herboren beesten kruipen als kruimels uit de braadpan" en "vliegen werd een horizon begraven".
Ja, ik besef dat de zinnen uit hun verband zijn genomen en schijnen gekortwiekt. Dat er voor dan wel achter de woorden betekenissen zijn en volgen. Maar veel van de gevleugelde regels zijn goed als oneliners en kunnen best alleen de kooi uit de lucht in. Dat is de kracht van Harry van Doveren, dat het dichten een ongerijmd welhaast labyrintisch geheel lijkt maar juist staat als een huis. De lezer moet alleen wel durven die woning binnen te gaan om de heterogene pannenlappen tot homogene lappendeken samen te brengen.
Autobiografisch leer ik de mens Van Doveren door zijn woorden kennen. Door zijn taal mij eigen te maken, zo zodat ik het woordelijk kan verstaan, letterlijk kan horen. Om slechts enkele gelezen woorden beter in de context te begrijpen zoek ik verder buiten de teksten. Om te weten wie Jannis Kounellis was, welke de pijlen van Statius zijn en wat udon is en waar Geilo ligt. Mijn neus is niet zolang dat ik de betekenis uit mijn hoofd kan oplepelen. De dichter zet mij aan tot intellectuele handelingen om mijn kennis te verbreden en mijn geest te ontwikkelen waarbij mijn kunde zich verdiept.
De bundel "ik kan vliegen" deelt zich in drieën. Drie hoofdstukken of perioden van tijd. De voorjaren gaan inderdaad over de lente van des dichters leven. Het onderzoeken en ondervinden, het uitproberen en evalueren, het leven leren verstaan door kennis van goed en kwaad. Het paradijs is verlaten en de hof van heden ligt met een grimlach voor hem open. Ik ervaar de tekst wel als déjà-rêvé, dat had je gedroomd, of beter beleef ik het als déjà-vu, been there done that. "in mijn voorjaren was ik er stellig van overtuigd dat / 'ik hou van je' zeggen onherroepelijk was en meedogenloos / eenduidig * gelijk wiskundige symbolen en formules".
In de tussenjaren legt Harry zijn voorjaren af – “wikkelde touw om mijn schoolboeken”. Het is de tijd van volwassen zijn, meneer Van Doveren zijn. De wereld is evenwel nog eenvoudig en begrijpelijk. En ik volg hem op de voet, schrijf mijn eigen wezen achter zijn gelikte pen. Maar het zijn wordt ongemerkt verward, het wezen raadselachtig. De maatschappij roept – nog niet in de kantlijn. Zijn wereld als béta is in die jaren tussen onweten en weten complex. “het komt / er op aan wat ik doe zeg of schrijf” In zijn lente kon hij groter zijn dan de tijd, maar in de jaren van onderscheid leek hij juist kleiner en nietiger dan Pluto in het zonnestelsel.
Hij zoekt verbanden, sorteert teenlengtes, wilde zich blijven herkennen in het rumoer van de nacht – in het vinden van kracht in zwakheid. Hij strijdt met zichzelf zoals Jacob met de engel, met zijn verleden en zijn schuldgevoel. En langzaam verdwijnt het werkzame leven naar de kantlijn, is nog slechts een stelling in de marge. Dan is er de vrijheid van de najaren.
Hij reist nog wel door voor- en tussenjaren, omdat deze bestemmingen vorm moeten hebben en duidelijkheid krijgen. Een mens is wie hij was. De dichter dicht dichter bij zichzelf. De dichter beschouwt meer helder in de nadagen van wat een levenlang heet. “een stevige wind met een ongemakkelijk verleden” en de wind draait en legt zich neer, welhaast te rusten – welterusten. Hoewel Van Doveren lijkt af te rekenen met het zijn waarvan hij voordien onderdeel van uitmaakte, is het echter een balans opmaken – plussen en minnen, voren en tegens. Hij maakt een overzicht en kijkt wat het heeft opgeleverd. Neemt afscheid, speelt over en begint overnieuw: “blijf drinken tot jij in de lobby van het hotel verschijnt in / doorschijnende kousen met zwartfluwelen handschoenen / ivoorwitte bovenarmen en een nauw boordje om je hals” en eet met smaak een kers uit de tuin van Tsjechov. En ondertussen mijmert de dichter zonder scrupules door. Probeert het leven in dichten te vangen, sluit het zijn op in woorden, strooit letters als afgevallen bladeren in de herfst, het najaar, de najaren. In deze jaren door schade en schande wijs geworden doorziet hij zichzelf in wezen. Hij formuleert aannames als waarheden. Gedachte echtheid is zijn werkelijkheid waarmee ik instem wanneer het me uitkomt. “diepte en hoogte horen thuis in het vocabulaire van een / kunstenaar omdat hij de enige is die zijn hele leven lang / afdaalt opstijgt en voortdurend zoekt naar de plek waar / het lood de bodem raakt en de hemelse geest bloeit”
De voorjaren zijn vervlogen, de tussenjaren maakten opvliegend, zodat Harry van Doveren in de najaren kan vliegen. Natuurlijk zet hij geen punt, trekt hij geen streep; hij beleeft de trage tijd waarin het duister verleden gekuist is met bloedrode verf. Hij zet het niet, maar het sluipt wel binnen: de punt. Maakt hij zich woordelijk zorgen? Ziet hij in de donkerte van de avond door het gordijn een rood met zwart gevuld teken voor het raam staan? Zijn dromen bedrog, spreekt de dichter de waarheid. Dat teken is metafoor voor de wachtende (die met de zeis?), het wakende einde of het nakende slot. “ik denk de laatste tijd zo vaak aan hem en aan wat dan – “ Ja, wat dan.
Het betreft hier een open einde. Natuurlijk denkt de mens wanneer de jaren van het zijn opraken aan een afronding, ooit, eens. Maar nu nog niet. In de bundel "ik kan vliegen" dicht Harry van Doveren zijn leven. Het is ongemeend een autobiografie. Een persoonlijke levensbeschrijving in puntige zinnen, scherp als het slagersmes in mijn keukenla. Het zet een kerf in mijn vlees. Ik voel het warme bloed langs mijn huid stromen. Op tijd stelpt de dichter echter het levensvocht dan weer. Zet mij op een verkeerd been en brengt mij vervolgens opnieuw in evenwicht. Het is aan hem gelegen dat ik blijf lezen, namelijk. Kennen en weten. Ik vlieg met hem mee naar de regenboog. Mijn vlieger staat doof aan de horizon. Geen nood meer te ledigen, geen noot meer te lenigen.
Harry van Doveren. Ik kan vliegen. Gedichten. Gaia Chapbooks, 2025.
E-book (gratis) | Paperback Hoewel elke bundel van Harry van Doveren een vormexperiment is, blijft zijn stijl volkomen eigen en zeer herkenb
DE WILDE WOORDEN VAN ANNET ZAAGSMA
Ze pikt woorden op in de buitenruimte. Flarden van gesprekken. Halve vragen en hele antwoorden. Zinnen die uitdrukking geven, regels die verbeelden. Ach, pikken niet, want dat is ontnemen. Zij gebruikt de woorden die zich in het wild schuil houden, verdekt opgesteld bewegen. Een ieder ander valt het niet op, hoort deze niet. Het ene oor in en het andere uit. Neemt het waar als geroezemoes waaraan geen touw valt vast te knopen. Losse flodders als verknipte snippers, rafelig uit de smurrie van een conversatie. Of die ieder ander beluistert daarin enkel naar de voor hem, haar of hun interessante taal. Te herkennen zinnen, te begrijpen regels.
Met de woorden die Annet Zaagsma in het wild opvangt, daar haar antenne is gericht op de gewaarwording, maakt zij eigen persoonlijke uitdrukkingen. De woorden gebruikt in haar gebezigde poëzie staan soms denkelijk haaks, maar lopen ook wel parallel aan en langs elkaar. Kunnen naast elkaar bestaan of reageren. Zo vormt zij een beeldend jargon waarbij na aandachtig en meerdere malen lezen het kwartje valt. Niet meteen is de strekking duidelijk, maar daarmee zijn de gedichten geen abstracte woordspelingen. De woorden houden niet altijd de oorspronkelijke betekenis, maar de duiding is wel te herleiden wanneer de lezer cryptisch durft te denken. De realiteit is erin vervormd zal ik opmerken, maar niet verdraaid.
© Reyer Boxem
Tussen de regels door kan ik in de kantlijn mijn beeld (be)schrijven. Doodles die niet uit desinteresse in de marge verschijnen, maar mijn voorstelling geven aan de gedachte bij de gelezen uitdrukking. Mijn kantlijnkunst is de kladtekening van de verbeelding. Zo leg ik mijn beschouwing uit waar het woordbeeld de geest ordent tot onuitspreekbare reflecties.
In de wildernis van woorden kom ik op adem in het wit tussen de strofen. Houd voor even rust en overdenk contemplatief wat gelezen is en hoe dat zich verder laat uitdrukken. Een meditatief moment om de bedoeling in mijn gedachten te laten zinken en vervolgens uit deze inbedding geestelijk herboren weer aan de oppervlakte te komen.
Dat gevoel kan ik hier niet beschrijven, omschrijven. Zaagsma heeft het immers al voor mij uit geschreven. Aan haar taal kan ik tenslotte geen punt of komma toevoegen, het is al zo duidelijk als dat het er staat. Ik moet alleen de juiste woorden vinden die passen in haar idioom, die voor mij de bedoeling duiden. Die ervaring in haar poëtische beeldverhaal stemt mij tot nadenken en maakt me zwijgzaam om eraan geen woorden vuil te maken. Haar schoonschrift verbetert een klein beetje de wereld. De druppels op de gloeiende plaat zijn onuitspreekbaar op de plek en o zo nodig. Deze kunst van het dichten opent de ogen en verruimt de blik.
© Annet Zaagsma
De poëzie van Annet Zaagsma kan allerlei onderwerpen aansnijden. Zoals de woorden in het wild worden gevonden, zo dwalen de thema's ook los rond. Op haar safari kan verkeersinformatie heel wel grond tot inspiratie geven. Of is een catalogisering van lichamelijke signalen bij oplopende spanning door wat dan ook gesloten poëzie met dichterlijke vrijheid. Want vrijheid is niet binnen de lijntjes kleuren, maar een nieuwe tekening maken. Geen rijmelarij, maar het experiment aangaan. Ik diep in die gedachte een boodschappenlijstje uit mijn broekzak op. Daar zie ik echter geen poëtisch beeld voor me verschijnen. Dat klopt en is zo klaar als een klontje, want ik ben niet de poëet die er een dichterlijke draai aan kan geven. Bij mij blijft het lijstje een opsomming van aan te schaffen producten, door de vingers van Zaagsma krijgt het een dubbele laag in betekenis. Ik frommel het papier terug in mijn zak, het zegt niets en heeft geen waarde. Althans wel nu maar zeker niet op een later moment.
© Annet Zaagsma
Zaagsma diept woorden uit het woordenboek op en geeft daar een eigen uitdrukking aan. Ze bedenkt geen nieuwe woorden, geen andere betekenissen, maar transformeert in poëtische duiding de bestaande en algemeen aanvaarde formuleringen. Zo zodat ik twee keer moet lezen en dubbel dien te denken om de eigenzinnige verklaring correct te interpreteren. Wel zoals ik het aantref bladerend in die dikke Van Dale, dus woordsoort, woordgeslacht en uitspraak. Zelfs met een verwijzing om een standpunt te visualiseren, een inzicht uit te diepen of juist oppervlakkig te houden. Een voorbeeld:
“ doorbraakbloeding / zelfst. naamw. (v.) uitspraak: [‘dorbrak ‘bludɪɳ] / / een doorbraakbloeding komt zo onverwachts als een lawine / in de Amazone. sneeuwschuivers komen te laat, schaamte / is een natuurlijk materiaal. de maan wordt een ongeleid projectiel. / door versoepeling van de ondergoedregel is eeuwig gemengd / dubbel spelen onderdeel van de oplossing. de voor-achterpositie / geeft de grootste kans op succes in toernooiverband. “
© Annet Zaagsma
Annet Zaagsma is een dichter met diepgang. Naast de frivole lyriek die op een lichtvaardige manier lichamelijke lusten en psychische lasten schetst, kaart zij klimaatproblemen en milieukwesties aan. Zij wordt daarom ook wel een klimaatdichter genoemd en laat haar materiaal ademen. In die adem maakt ze mij met weinig gemarkeerde woorden duidelijk waar het volgens haar op staat. “ bijtsporen / / vingertoppen / verkennen wat slaapt, zwijgend / tussen heuvels ligt / / bewegen langzaam / heen & weer, wekken het beest / een nat spoor, in een / / allengs zwellend zacht ravijn “ Ik krijg het er warm van in mijn onderbuik, dat is wat wilde woorden met iemand doen. “ drijfvuil / / microbolletjes en meer / raadsels in de route van de riolering / de afbraak duurt de eeuwigheid / / bij het proportioneren van dimensies / zeven we het kwaad uit / schatplichtig aan het kleinste / van het kleinste / / je kunt nog zo dik schillen / in elk klokhuis schuilt cyanide / plastic tot in onze vezels “ Jawel, de plastic soep en het PFAS monster, niet uit te roeien.
© Arnoud Rigter / Annet Zaagsma
Ik kan dwalen in de gedichten maar zal niet verdwalen tussen de regels door, want Zaagsma geeft mij voortdurend reden mijn zicht te verbreden zodat ik terug kan treden op mijn schreden om nieuw de confrontatie met de uit het wild getemde woorden aan te gaan. Zij maakt de jungle begaanbaar hoewel ik soms door de bomen het bos niet meer zie, door de woorden het gedicht niet meer herken. Dan sta ik voor een moment met de mond vol tanden. Krijg ik echter door te verdiepen een vinger achter de duiding dan doorzie ik de reden van ontstaan en bestaan van deze dichtkunst. Zaagsma blaast niet hoog van de toren om haar punt te maken, maar door het licht ironisch sarcasme kruipt ze onder mijn huid en jeukt de boodschap zodat ik deze moet krabben. Met de voorgeschotelde metaforen krijg ik plaatsvervangende schaamte over misstanden die bedekt beschreven zijn. Sluit ik mij geconcentreerd van mijn omgeving af, ben ik voor het moment van lezen het bezit van de dichter. Dan heeft Annet Zaagsma mij in haar macht en kan via de woorden met mij doen wat ze wil. Door de gedichten kan ze mijn gedachten manipuleren en in de richting sturen die zij in gedachte heeft. Bijt ik de zure appel die mijn beeld verzuurt, want in ieder klokhuis schuilt cyanide. Je ziet het niet maar het is er wel. Zo is het met deze dichtkunst, je leest de reden niet maar deze is er wel. In de kern schuilt de waarheid.
In elk klokhuis schuilt cyanide. Annet Zaagsma. Dichtbundel. Uitgeverij Opwenteling, 2025.
MEZELF VINDEN IN DE POËZIE VAN ELMAR KUIPER
Is het een afrekening met zijn verleden of een weemoedig terugzien. De voors en tegens in je leven tegen elkaar afstrepen, vereffenen, doe je dat als het einde nadert? Natuurlijk gezien natuurlijk, wanneer de jaren gaan tellen. Zo van, deze schuld heb ik openstaan en dit is mij de ander nog schuldig. Om met een schone lei te vertrekken, wanneer het moment daar is om uit de tijd te gaan. Terugzien is overladen met romantische denkbeelden, hoewel meestal de kwade zaken beklijven. Er is genoeg om vol melancholie aan terug te denken, voor het voetlicht te halen. Maar is dat verleden, mijn eergisteren en gisteren, wel interessant genoeg voor anderen om er kennis van te nemen.
Wie ben ik, wie is Elmar Kuiper, om dat met de wereld te delen. Zijn terugzien evenwel overlapt mijn omkijken, omdat wij vrijwel van dezelfde leeftijd zijn en zo uit eenzelfde generatie stammen en daardoor in een eender tijdsgewricht zitten. Dan wordt het interessant. Ik herken en herleef. En daarbij heeft Kuiper de gave om in taal de belevenissen universeel te maken, zodat het een ieder zal kunnen aanspreken. Het is zijn verhaal, maar dit kan over verschillende levens gelegd worden. Zijn nieuwe bundel gedichten is wel autobiografisch, maar individueel invoelbaar voor een lezer zoals ik.
Lânskip, mingde technyk op papier, 30 x 20 sm, 2022
Wat was in zijn leven en de wereld van toen vat Elmar Kuiper samen, om niet te vergeten. "Ferlosboartsje" heet het boek en is gesteld in zijn moerstaal het Fries of Frysk zoals men in Friesland zegt, en dat is dan weer Fryslân. Maar genoeg daarover. Terwijl hij schrijft kijk ik over zijn schouder mee in dat verleden naar die tijd van toen. Bij wijze van spreken. Want het is al geschreven, voltooid verleden tijd. Dat wat was kan ook maar alleen uitgeschreven, anders wordt het vandaag en morgen een kwestie van koffiedik kijken.
Ferlosboartsje, dat is tikkertje met verlos. Tikkertje met één tikker die tikker blijft. Als iemand is getikt dan gaat deze aan de kant staan. De andere spelers kunnen de getikten vrijtikken. Is er nog maar één niet-getikte over, dan wordt de volgende tikker. Dat zie ik gebeuren in het gedicht waarmee Kuiper in 2021 de Rely Jorritsmapriis won, het gedicht waarnaar de bundel is genoemd. Dat is van begin tot eind waar deze poëzie-uitgave om draait. Liefdevol terugzien op het eigen leven als de vader naar het kind. Het eigen zijn doorbladeren en uiteindelijk weten dat jij alleen jezelf kunt bevrijden.
Antlit, mingde technyk op papier, 35 x 25 sm, 2022
Niet iedereen is het gegeven om het zo te doen als Kuiper dat doet. Om het voor een ieder herkenbaar en beleefbaar te maken. Niet altijd zijn de juiste woorden te vinden voor een zeker gevoel. Maar wanneer je met de mond vol tanden staat en zijn gedichten erbij neemt en deze doorleest schept dat een band. De dichter kruipt in mijn wezen, het dichtwerk is mijn zijn. Zo zijn er raakvlakken en is de bundel welhaast een deja vu, een herbeleving. Ik was daar ook, ik maakte dat ook zo mee. Been there done that. Ik wie der, ik die dat.
Op het moment dat ik de bundel in handen krijg, lees ik de achterkant nog voor ik de binnenkant heb open geslagen. Voor mij is het op de kaft gedrukte lichte belijdenis nummer 8 al genoeg bewijs. “ik wol net yn ‘e grûn (te kâld) of yn it fjoer (te waarm) / ik wo net yn in kiste. ik wol gjin stien. lis / / it stoflik / omskot / / ûnder de apelbeam. rop de roeken / dy’t pleisterje by it kanaal. lit se / / tsiere om it each,. om ‘e lever, om it hert. ik wol / / gjin speech, mar skrassende / / lûden, reade / snaffels.” En dan ook nog het eerst korte gedicht waarmee de bundel opent maakt voor mij de cirkel van het leven rond. Het is genoeg. Wat daarna volgt is een invulling, het kleuren binnen de lijnen, citaten uit een biografie.
Each, mingde technyk op papier, 30 x 20 sm, 2022
“bist it feintsje dat boartet / yn it bargegers, dat broem / broem seit en wiis is mei / syn giele Tonka. bist dat / feintsje út dy oare wrâld”
Een andere wereld dat is waar Kuiper over schrijft. Een ander leven lijkt het, want er is zoveel na gekomen dat doet afzien van de bron. Doet vergeten hoe het allemaal begon. Dat jongetje dat uit de eeuwigheid glijdt en zijn longetjes schoon schreeuwt. Dat geplaagd wordt met zijn hazentanden, MichaelJacksonneus en zomersproeten all over the place. Kijkend in zijn eigen dossier schrijft Kuiper over de haarvaten van zijn leven. Over de bron van zijn bestaan. Op ernstige toon met een humoristische blik. Hij spreekt mij aan, hoewel ik weet dat de dichter het over een derde persoon heeft die ik niet ben. Toch voelt het alsof ik naast hem in de Mazda zit, dat ik zijn gesprekspartner ben en ik zwijg. Ik hoor aan en krui de mest naar de bult, voel de trappers van het rode fietsje onder mijn voeren kraken. Kuiper schrijft zo beeldend dat ik wel in zijn wereld ben of geweest moet zijn. En hij laat mij alle hoeken van zijn wezen zien. Het is dat ik hem ben wanneer ik zijn werk lees.
Kuiper reist door zijn leven. In de bundel is een tekst van de jonge Elmar afgedrukt. Een vroeg werk dat al de kwaliteit van de latere poëzie in zich draagt. Daar zijn al de wortels in te vinden waar de boom op zal groeien en de takken zich uitspreiden naar de hemel. Het is een verhaal, een belevenis dat toewerkt naar een hoogtepunt maar als een nachtkaars dooft. De verteller in de dop heeft daarna veel bijgeleerd, kent zijn hoogtepunten als dichter en houdt de kaars brandende. In het hoofdstuk 'dripstien' speelt hij met taal en schrijfwijze. Experimenteert met mijn fantasie. Over een tijdspanne van vier maanden noteert hij elke dag een korte ervaring. Deze zijn achter elkaar doorlopend over de bladspiegel afgedrukt. Het leest als een logboek, een individueel journaal. Een kortschrift van die dagen, daar en toen, op de reis door een leven. In het hart van dit deel zitten zwarte bladzijden met witte letters. Zeker een afrekening, een vereffening.
Jong selsportret, mixed media op papier, 2024
Het zijn de mensen uit de omgeving van de dichter die woorden krijgen toebedeeld in de bundel. En wonderwel schijnen het mijn mensen. Zo schrijft Kuiper de zinnen van zich af en schuift ze naar mij toe. In zijn kracht weet hij mij gesterkt. Hoewel het over oorlog gaat is de vrede altijd onder handbereik. Bij het leven is de dood nooit ver weg, maar is in zijn taal nergens om van te schrikken. De dood is een vriend, zoals het leven een kameraad is. Het is minder eenvoudig er over te schrijven. Een beschouwing laat zich ongemakkelijk uit tekenen. Om reden dat het dichtwerk mij zo nader komt, zo tegen mij aan schuurt. Het lezen gaat mij makkelijk af en ik zie meteen ingangen, maar om daaraan woorden te geven is geen sinecure. Hij doet in woorden een boekje open, geeft mij inkijk in zijn wezen. Naast dichter is Kuiper ook beeldmaker, beeldend kunstenaar. Jammer is het wel dat zijn werk in de stijl van Cobra kleurloos in de bundel is geprint als illustraties. Het mist op deze manier afgebeeld de kracht die de collages vol humor en cynisme bezitten. Maar het werk staat gelukkig kleurig gepost op zijn Facebook-account en LinkedIn.
Voorin het boek dat Elmar Kuiper mij toestuurt staat een opdracht geschreven aan mij gericht: "Nije fersen oer it paradys, oer de leafde en de dea". Dat zet meteen de toon. Hij had daaraan kunnen toevoegen: "Oer myn libben en dat fan dy". Want dat is het, hoewel hij zijn jeugd en het eigen leven te lijf gaat is dat zo mijn pakkie-an. Tikkertje-met-verlos, hij tikt mij, ik mag niet terug tikken, maar op het laatst laat hij mij los en sla ik verlost de bundel dicht.
Ferlosboartsje. Elmar Kuper. Gedichten. Uitgave met steun van de Provincie Fryslân en het Nederlands Letterenfonds. Utjouwerij Hispel, 2024.
Elmar Kuiper is on Facebook. Join Facebook to connect with Elmar Kuiper and others you may know. Facebook gives people the power to share an
HOERA! De laatste proefdruk is er (nu écht!).
En wat is ie mooi 😍🥰 Ik ben verliefd.
Zal ik er toch maar 500 bestellen dan? 🫣


