EXPERIMENTELE CONSTRUCTIE GEEFT DICHTER EDWIN DE GROOT RIJKER PALET
Foto Geart Tigchelaar
‘alleen zijn is heerlijk / met al dat missen en weer afscheid nemen / eigenlijk wel het mooiste wat er is’ Timofei Sofer is een fictief personage, een 78-jarige bosarbeider uit Oost-Siberië. Een amateurdichter die op zijn eenzame tochten door de taiga de beleving poëtisch boekstaaft. Edwin de Groot bedacht de figuur om dit alter ego zijn woorden in de mond te leggen. Hij zou de gevonden gedichten uit het Russisch vertaald hebben om Sofer vleugels te geven. “Het gebruik van een alter ego constructie samen met de niet fictieve situering maakte, en dat is mijn motivatie, dat ik een rijker palet had om autobiografische en beschouwelijke zaken een andersoortig podium te geven en er een voor mij andere schrijfstijl op na te houden”, zegt De Groot over zijn keuze. “Een soort van experiment dus als het ware.”
De idee om zijn gedachten te situeren in de uitgestrekte wouden van Rusland ontstond na het lezen van een overdaad aan Russische literatuur. Daardoor kreeg Edwin de Groot een beeld voor ogen dat evengoed beleefd kon zijn door een autochtone Siberiër. De houthakker die medelijden heeft met de boom die hij gaat vellen. De eenvoudige bosarbeider die meervoudige filosofieën in zijn dagboek pent. ‘in mijn mond woont het geluk / van de smaak van hier / van hars en hout op de tong’. Uit de denkbeeldige observaties heeft hij een feitelijk relaas in expressieve en suggestieve dichtregels geschreven. Het had waar kunnen zijn, want de oorsprong is echt.
Het is een behendig klein boek in zakformaat. Om zo in de kontzak van de broek op voettocht of in de binnenzak van de jas op wandeling mee te nemen. Om eens aan te pakken en na te slaan gaandeweg onderweg, rustend op een bank of liggend in het gras. Uitkijkend over laagland, heide, door bossen, open plekken, lange lanen. Zodat ik voor het moment van lezen me waan op de plaats die beschreven is. De taiga. De uitgestrekte bossen, de koude naaldwouden. Glooiend over de vlakte langs het water tot in de heuvels.
Was hij er ooit, daar, de tekstdichter, de poëet. Of heeft hij zich zo kunnen inleven bij het lezen van plaatselijke literatuur dat hij zich daar fysiek denkend dacht aanwezig te zijn. Zich verplaatsend in de geest van een alter ego, een fictief figuur waaromheen in eerste instantie de mystiek van zijn en niet-zijn hangt. De gedachte overgenomen, de ziel bewoond. De ogen geopend en zien wat er te kijken valt. Voor de dichter, zowel als voor elke andere kunstenaar - schrijvend, beeldend, musicerend - bestaan er geen grenzen. Is 1000 kilometer als een enkele voetstap verder.
De gedachte laat zich niet begrenzen, vliegt eenvoudig van oost naar west, van zuid naar noord. Je hoeft op een bepaalde plek niet geweest te zijn om je er aanwezig te voelen. Dat is de kracht van inleving, verbeelding. Wanneer je maar de gave bezit om verder te denken dan hier en nu, dan lengte en breedte en eenvoudig de diepte in kunt. De fantasie, het geestesoog, heeft meer abstracte reikwijdte dan de realistische gedachte. Door de tekst van Edwin de Groot kan ik zodoende zijn in het bos tussen de bomen, op mezelf aangewezen met de Taigagedichten als reisgids door plaats en tijd. Voor het moment ben ik zijn alter ego en kleed me warm in gedachten. Ik ben de houthakker die de seizoenen opmerkt, de verandering in de natuur, de opwarming van de aarde.
De verzen van Edwin de Groot lezen als de wind die ruist tussen de bomen op de taiga. Maar feitelijk heeft de wind geen geluid. De takken die door luchtverplaatsing bewegen geven de wind een stem. De wind leeft zich in de bomen in, zoals ik meevoel met de woorden van de dichter. De wind is voor een vlaag de boom. Ben ik door het lezen dichters alter ego in het wel erg vrije vers. Lichtvoetig en zwaarmoedig. Schijnend als de ondergaande zon, mysterieus. Maar hij, Edwin?, is geen filosoof. "ik ben geen filosoof / ik hak hout / stroop af en toe een sneeuwhaas / schiet een hert voor de winter"
De bosarbeider heeft diepe gedachten, mijmert voor zich uit in de idee van Edwin de Groot. Leeft met de seizoenen. Is een natuurmens. Ieder jaargetijde kent de eigen werkzaamheden en gedachten. Hoewel de bomen hem gezelschap houden is de houthakker veel alleen. "je kunt over niet te meten land / het aan-één-stuk-door-en-door / de ruimte, de mateloze vergezichten / gedichten schrijven van tientallen pagina's lang / met hoofdrollen voor de grond, de bomen / de vogels die moeiteloos kilometers maken".
Geven de taigagedichten ruimte om te ademen. Te beschouwen tussen de regels door. De tsjevengoer beneemt mij de adem. Gehaast slinger ik mij door de tekst die nauwelijks leestekens kent en prachtige volzinnen vormt. De ultrakorte poëtische essays sluiten de verzameling gedichten af. Het spreekt over personages, figuren met een verhaal. Dit heeft het meesterwerk van Andrej Platonov als inspiratie. Deze speelt zich af in de jaren voor, tijdens en vlak na de Russische Revolutie. In tijden van chaotisch oorlogsgeweld, ideologische verwarring en snakkende heilsverwachting. Platonovs doelloos dolende personages zijn gegrepen door geloof in de communistische heilstaat. Maar tegelijk door totale vertwijfeling, vanwege hun bodemloze ellende, en omdat het communisme hen voor ondoorgrondelijke raadselen stelt. In de woorden van De Groot herken ik Platonovs ontwortelde wezens die dolen tot in de dood. Het is een bizarre afsluiting van een met beleving doorregen gedichtenbundel. Dat begon met een ode aan Miklós Radnóti. Hongaars dichter en slachtoffer van de holocaust. Is hij het alter ego onder een andere naam?
‘poëzie mag ook lelijk zijn / laat het maar grijnzen als botten in een kuil / borrelen als een verzopen wolf kronkelvol paling / dat de regels na het lezen de volgende dag nog / in je kleren hangen als matrozenkots / poëzie moet als een steenmarter hardnekkig / je huis bezetten zoals de lucht van een natte hond / of als een wilde kat in je gordijnen’ Door de mond van B. op visite bij S. weet de dichter zijn eigen werk in dit boek niet beter te omschrijven. Ik had met deze dichtregels mijn bespreking kunnen staken. Het is kernachtig beschreven en heeft het gras voor mijn voeten weggemaaid, als het ware.
Edwin de Groot leeft zich in en spreekt zich uit. Ik laat bij het lezen mijn vinger onder de regels meebewegen om geen woord te missen. De ogen sluitend na een gedicht gelezen te hebben, als contemplatie zuchtend in de beschouwende stilte van het vespergebed. De buitenwereld verbannen naar zichzelf, van binnen ben ik de ongekroonde koning van de gedachte. De gedachten zijn vrij en onafhankelijk, laten zich niet dwingen hoewel de dichter voor een moment mijn gedachte overneemt, voor de tijd dat ik het boek opendoe en zijn verzen lees. Ik denk in zijn wezen. Dan. Ik ben in zijn beleving.
Taigagedichten. Edwin de Groot. Uitgeverij Opwenteling, 2025.
Taigagedichten is geschreven door de ogen van het alter ego Timorei Sofer, een Joodse bosarbeider uit Oost-Siberië. Deze aanpak, ontstaan do
Autobiografisch scan ik de verwikkelingen van Harry van Doveren. Ik lees de nieuwe bundel "ik kan vliegen" woord voor woord nauwkeurig, kopieer de tekst in gedachten naar mijn eigen wezen om het achter mijn oogleden te kunnen projecteren… In deze dichter herken ik mijzelf omdat hij zichzelf figuurlijk bloot geeft tussen de regels door van zijn poëzie. Bij zijn beschreven aannames van persoonlijk beleefde ervaringen ontgaat mij aanvankelijk de logica, zoals ik soms eveneens versteld sta van mijn eigen schrijfwijze na een nachtje slapen. Aan zijn denkkader moet ik eerstens wennen, maar daarna staat in tweede instantie zijn dichtkunst mij helder voor ogen. Ik ben uitgeslapen.
De axiomatische poëzie lijkt in experimentele zin enigszins abstract, omdat Van Doveren zich bedient van beeldspraak en overdrachtelijke uitdrukkingen. Mooie vondsten die tot nadenken stemmen, evenwel de lading letterlijk dekken. En natuurlijk wenst de lezer dezes dan voorbeelden. Welnu, wat te denken van "volgde waarheid en leugen op de evenwichtsbalk" en hoe te mijmeren met "zag geschiedenis opgerold terug in celluloid" of stil te staan bij "herboren beesten kruipen als kruimels uit de braadpan" en "vliegen werd een horizon begraven".
Ja, ik besef dat de zinnen uit hun verband zijn genomen en schijnen gekortwiekt. Dat er voor dan wel achter de woorden betekenissen zijn en volgen. Maar veel van de gevleugelde regels zijn goed als oneliners en kunnen best alleen de kooi uit de lucht in. Dat is de kracht van Harry van Doveren, dat het dichten een ongerijmd welhaast labyrintisch geheel lijkt maar juist staat als een huis. De lezer moet alleen wel durven die woning binnen te gaan om de heterogene pannenlappen tot homogene lappendeken samen te brengen.
Autobiografisch leer ik de mens Van Doveren door zijn woorden kennen. Door zijn taal mij eigen te maken, zo zodat ik het woordelijk kan verstaan, letterlijk kan horen. Om slechts enkele gelezen woorden beter in de context te begrijpen zoek ik verder buiten de teksten. Om te weten wie Jannis Kounellis was, welke de pijlen van Statius zijn en wat udon is en waar Geilo ligt. Mijn neus is niet zolang dat ik de betekenis uit mijn hoofd kan oplepelen. De dichter zet mij aan tot intellectuele handelingen om mijn kennis te verbreden en mijn geest te ontwikkelen waarbij mijn kunde zich verdiept.
De bundel "ik kan vliegen" deelt zich in drieën. Drie hoofdstukken of perioden van tijd. De voorjaren gaan inderdaad over de lente van des dichters leven. Het onderzoeken en ondervinden, het uitproberen en evalueren, het leven leren verstaan door kennis van goed en kwaad. Het paradijs is verlaten en de hof van heden ligt met een grimlach voor hem open. Ik ervaar de tekst wel als déjà-rêvé, dat had je gedroomd, of beter beleef ik het als déjà-vu, been there done that. "in mijn voorjaren was ik er stellig van overtuigd dat / 'ik hou van je' zeggen onherroepelijk was en meedogenloos / eenduidig * gelijk wiskundige symbolen en formules".
In de tussenjaren legt Harry zijn voorjaren af – “wikkelde touw om mijn schoolboeken”. Het is de tijd van volwassen zijn, meneer Van Doveren zijn. De wereld is evenwel nog eenvoudig en begrijpelijk. En ik volg hem op de voet, schrijf mijn eigen wezen achter zijn gelikte pen. Maar het zijn wordt ongemerkt verward, het wezen raadselachtig. De maatschappij roept – nog niet in de kantlijn. Zijn wereld als béta is in die jaren tussen onweten en weten complex. “het komt / er op aan wat ik doe zeg of schrijf” In zijn lente kon hij groter zijn dan de tijd, maar in de jaren van onderscheid leek hij juist kleiner en nietiger dan Pluto in het zonnestelsel.
Hij zoekt verbanden, sorteert teenlengtes, wilde zich blijven herkennen in het rumoer van de nacht – in het vinden van kracht in zwakheid. Hij strijdt met zichzelf zoals Jacob met de engel, met zijn verleden en zijn schuldgevoel. En langzaam verdwijnt het werkzame leven naar de kantlijn, is nog slechts een stelling in de marge. Dan is er de vrijheid van de najaren.
Hij reist nog wel door voor- en tussenjaren, omdat deze bestemmingen vorm moeten hebben en duidelijkheid krijgen. Een mens is wie hij was. De dichter dicht dichter bij zichzelf. De dichter beschouwt meer helder in de nadagen van wat een levenlang heet. “een stevige wind met een ongemakkelijk verleden” en de wind draait en legt zich neer, welhaast te rusten – welterusten. Hoewel Van Doveren lijkt af te rekenen met het zijn waarvan hij voordien onderdeel van uitmaakte, is het echter een balans opmaken – plussen en minnen, voren en tegens. Hij maakt een overzicht en kijkt wat het heeft opgeleverd. Neemt afscheid, speelt over en begint overnieuw: “blijf drinken tot jij in de lobby van het hotel verschijnt in / doorschijnende kousen met zwartfluwelen handschoenen / ivoorwitte bovenarmen en een nauw boordje om je hals” en eet met smaak een kers uit de tuin van Tsjechov. En ondertussen mijmert de dichter zonder scrupules door. Probeert het leven in dichten te vangen, sluit het zijn op in woorden, strooit letters als afgevallen bladeren in de herfst, het najaar, de najaren. In deze jaren door schade en schande wijs geworden doorziet hij zichzelf in wezen. Hij formuleert aannames als waarheden. Gedachte echtheid is zijn werkelijkheid waarmee ik instem wanneer het me uitkomt. “diepte en hoogte horen thuis in het vocabulaire van een / kunstenaar omdat hij de enige is die zijn hele leven lang / afdaalt opstijgt en voortdurend zoekt naar de plek waar / het lood de bodem raakt en de hemelse geest bloeit”
De voorjaren zijn vervlogen, de tussenjaren maakten opvliegend, zodat Harry van Doveren in de najaren kan vliegen. Natuurlijk zet hij geen punt, trekt hij geen streep; hij beleeft de trage tijd waarin het duister verleden gekuist is met bloedrode verf. Hij zet het niet, maar het sluipt wel binnen: de punt. Maakt hij zich woordelijk zorgen? Ziet hij in de donkerte van de avond door het gordijn een rood met zwart gevuld teken voor het raam staan? Zijn dromen bedrog, spreekt de dichter de waarheid. Dat teken is metafoor voor de wachtende (die met de zeis?), het wakende einde of het nakende slot. “ik denk de laatste tijd zo vaak aan hem en aan wat dan – “ Ja, wat dan.
Het betreft hier een open einde. Natuurlijk denkt de mens wanneer de jaren van het zijn opraken aan een afronding, ooit, eens. Maar nu nog niet. In de bundel "ik kan vliegen" dicht Harry van Doveren zijn leven. Het is ongemeend een autobiografie. Een persoonlijke levensbeschrijving in puntige zinnen, scherp als het slagersmes in mijn keukenla. Het zet een kerf in mijn vlees. Ik voel het warme bloed langs mijn huid stromen. Op tijd stelpt de dichter echter het levensvocht dan weer. Zet mij op een verkeerd been en brengt mij vervolgens opnieuw in evenwicht. Het is aan hem gelegen dat ik blijf lezen, namelijk. Kennen en weten. Ik vlieg met hem mee naar de regenboog. Mijn vlieger staat doof aan de horizon. Geen nood meer te ledigen, geen noot meer te lenigen.
Harry van Doveren. Ik kan vliegen. Gedichten. Gaia Chapbooks, 2025.
E-book (gratis) | Paperback Hoewel elke bundel van Harry van Doveren een vormexperiment is, blijft zijn stijl volkomen eigen en zeer herkenb
In de introductie adviseert hij mij de 75 liedjes op zijn album ZIEZO te doseren. Om het beluisteren uit te smeren over een aantal dagdelen verdeeld over een periode van weken, desnoods maanden. Dit om 'oververmoeidheid van gehoor en overprikkeling van de geest te voorkomen'. Echter ben ik dwars, altijd al geweest, en neem een overdosis - gewoon omdat het zo lekker is - om in een roes te komen waarvan ik niet out ga maar juist heel high wordt. De liedjes van Sido Martens namelijk zijn uitstekend te verdragen, liggen makkelijk in het gehoor. Ik raak daar absoluut niet oververmoeid van en heb mijn cd-speler op repeat gezet zodat de 75 liedjes 150 songs worden en 225 composities.
De lijst wordt echter geen muzak, het verlaagt zich niet tot behang of arbeidsvitaminen. De liedjes blijven sterk en houden me bij de les. Zelfs door ze vaker te horen en nog eens te beluisteren verdiepen deze zich, raken de ziel van mijn geest. De teksten schijnen eenvoudig, maar roeren de kern van het wezen. Woorden die er niet toe doen zijn weggeschreven, de essentie van het zijn is gebleven. Martens zingt waar het op staat. Hij maakt een punt en zet een punt; achter zijn carrière!?
Hij is een zingende dichter. De tonen zijn de begeleiding van de woorden. Martens declameert de teksten meer dan dat hij deze op toon zet, met enkele maten ondersteunt hij deze regels. De teksten zijn minder gezangen, doen mij denken aan de psalmen die in het klooster nauwelijks melodie hebben. Daardoor is het accent gelegd op de betekenis en minder op de versiering. Daarom garneert Martens zijn oeuvre met instrumentale verzen, liedjes zonder woorden die echter veel verhaal hebben. Als rustpunten in een gedicht, lege regels om even stil te staan, bij stil te staan. Moment van contemplatie.
foto Ronald Rietman
Het zijn puntige teksten, geestig maar veelal stekelig. Over het leven, het zijn, de wereld, de liefde. Spitse composities om een reden. Minimale orkestratie heeft een oorzaak. De arrangementen zijn kort en bondig, want op de ZIEZO compact disc moesten wel 75 nummers komen terwijl er in totaal maar 80 minuten muziek op past. In amper 60 seconden maakt hij zijn punt met weinig omhaal van woorden of zelfs zonder woorden. Een enkele keer heeft hij meer woorden nodig om sterk uit de hoek te komen, dat zij hem vergeven. “Geen eindeloze intro's, herhalingen of terugkerende refreinen, of soms ook overbodige solo's, laat staan oneindige fade outs.” Het vrije vers in handen van Sido Martens is ingedikte liedtekst, en zijn al met al misschien wel meer waardevol nog.
Voor dit album, dat zijn laatste zal zijn zo veronderstelt Martens zelf, schreef hij 75 nieuwe teksten en maakte 75 nieuwe composities. Vanaf november 2023 peddelde hij bijna elke middag naar zijn oude caravan op een boerencamping in de buurt van Leeuwarden, lees ik op de website van Folkforum. “Daar prutste ik met tekst en frunnikte met akkoorden op mijn oude, gebutste en half versleten Harmony Sovereign gitaar uit de jaren zeventig. Want die wilde ik per se gebruiken, dat is mijn vertrouwde vriend en aloude compagnon. Mijn streven elke middag een liedje te fabriceren en op te nemen lukte grotendeels. Een digitaal opnameapparaatje en een paar microfoons en hup opnemen maar. Kale, sobere versies. (…) Omdat het meer en meer winterde besloot ik de zaak thuis verder af te maken, op de comfortabele zolder van onze doorzonwoning. Ook daar hetzelfde recept: pielen tot het wat werd. Ook veel demootjes beluisterd van nieuwe liedjes die ik eerder dat jaar maakte. Kijken en luisteren of er bruikbare dingen tussen zaten. Al met al na veel gedub en proberen 75 liedjes, muziekjes of nummers, hoe je het maar wilt noemen, opgenomen.” In de caravan zijn de liedjes klein en fijn, op de zolder meer uitgebreid en gearrangeerd met gastmuzikanten.
foto Ronald Rietman
Hoewel de zanger ook een begenadigd instrumentalist is, geeft hij op dit album toch de voorkeur aan het vocale vertolken. De muziek is, hoewel op de meeste bewerkingen, een virtuoze ondersteuning. Een bedje klanken waarop de zang zich prettig vleit. Om het aantal van 75 liedjes op een enkele cd te passen zijn de songs bewust in een kaal arrangement gegoten. Minder is meer, zullen we maar zeggen. Met dit album wil Martens ten langen leste een eind aan mijn muzikale carrière breien. “Niet omdat ik geen muziek meer wil gaan maken, maar omdat het toch veel gedoe is”, lees ik op Folkforum. “Ik wil dat zelf, jazeker, ik haal het mezelf op de hals. Komt omdat ik het veel te mooi, te kostbaar en ook gewoon fijn vind met muziek en tekst bezig te zijn. Ook dat het hier en daar gewaardeerd wordt wat ik maak en doe. Heel veel anders kan ik ook niet.”
De cd is echter maar een part van het album. Wel belangrijk want het markeert de 75 jaren dat Martens op deze aarde vertoeft. Dit jaar heeft hij deze mijlpaal van driekwart eeuw behaald. Om dit te vieren is er ZIEZO in de betekenis van klaar en af, gedaan, volbracht, punt er achter. Maar dit laatste deel heeft een open einde, want de muzikale schrijver doet wel de deur dicht maar draait deze niet op slot. De reeks albums heeft een open einde, er kan nog een aflevering aan worden toegevoegd. Voor nu is het ziezo en tot ziens, maar volgend jaar of daarna kan het best hoezo ziezo zijn. Het is afwachten, maar ik zie hoopvol de toekomst tegemoet.
foto Steven Middelkamp
En eerlijk, dit album is mijn eerste kennismaking met de muzikant Martens als solo-artiest. Al wel ken ik zijn schrijven van boeken, maar mijn muzikale kennis was niet ruimer dan zijn deelname in de band Fungus. Ziezo is voor mij dan ook een inkijk in het oeuvre en de start om meer te horen en te kennen. Pas nu in 2024 smaakt het naar meer en zal ik mijn bord volscheppen met het andere werk van Martens. Het water loopt me bij voorbaat al uit de mond, het fluistert mij in de oren. Overigens op die eerste plaat van Fungus is ook al de virtuositeit van de instrumentalist Sido Martens te horen. Tussen de actueel bewerkte volkswijzen is zijn lied zonder woorden te horen, misschien wel de beste song van de hele plaat. Maar dat was toen, hoewel de man onlangs met vrienden - een reünie van de aloude band zat er niet in - het 50 jaar geleden gelanceerde Kaap'ren Varen voor een eenmalige uitvoering onder het stof vandaan heeft gehaald. Na die mannen met baarden raakte Sido al snel zijn haren kwijt maar niet zijn streken. Hij is een periode uit de running geweest, maar telde wel serieus mee in de rensport - Martens was een gezegend hardloper. Maar bloed kruipt waar het niet kan gaan, de muziek zit hem in de genen, het is zijn DNA. Dus in eigen beheer is een ruime discografie opgebouwd en daarnaast schreef hij nog een aantal boeken vol. En nu kijkt hij dan om en overziet, en ik kijk over zijn schouder mee en leg mijn oor belangstellend te luisteren.
De cd, het schijfje met gat in het midden, is gestoken in een plastic hoesje geplakt op de binnenkant van de omslag van het boek. In dat boek verantwoordt Martens deze uitgave en zijn alle teksten van de liederen afgedrukt. Verder tonen foto's details van de instrumenten die Martens bespeelt en stelt hij zijn medestrijders in de muziek voor. De opgebouwde serie lp-, cd-, single-, cassette- en boekuitgaven krijgen aandacht. En er wordt interesse gewekt voor de maker van de kleurenhoutdruk dat als inlegvel bij het boek meegaat, de kers op de taart. Beeldend kunstenaar Siemen Dijkstra maakte speciaal voor ZIEZO een ontwerp en drukte deze in een oplage van 75 stuks af: de onzichtbare zanger. Tot overmaat van informatie staan achterin het boek enkele QR-codes om de kennis nog uit te breiden of op te halen. Zo kunnen onder meer gemiste tv- en radio-uitzendingen nog eens worden bekeken en beluisterd.
En terwijl een ieder in deze periode het oor te luisteren legt om deze of gene Top 1000 te horen, want ieder zichzelf respecterende radiozender heeft wel een verzameling all-time classics aangelegd, zet ik weer en nog eens de cd behorende bij ZIEZO op. Om de 75 songs van Sido Martens te beluisteren. Een muzikale staalkaart van het kunnen van deze vreemde eend in de bijt van de Nederlandse popmuziek. Vreemd, omdat hij zich niet wenste te conformeren aan de mores, zijn eigen ding wilde blijven doen. Zo heeft hij eigenwijs en onafhankelijk een persoonlijk repertoire opgebouwd, zijn eigen The Real Book.
Nu telt hij de knopen aan de jas van zijn leven. Hij is alles behalve verzadigd en staart niet vanachter de geraniums inspiratieloos uit het raam. “Maar de tijd knaagt. Roest zit altijd op plekken die je niet ziet. Hooi broeit van binnen naar buiten. Het lekt meestal waar je niet zoekt”, aldus bespiegelt Martens het zijn in een voorwoord, het leven, zijn bestaan. “Beetje spelen blijf ik doen, af en toe optreden ook best leuk.” Een kunstenaar met pensioen is een dode kunstenaar. Het heilig moeten houdt het vuur brandend. De geest in de fles moet eruit. Hoezo ziezo?
ZIEZO. Sido Martens. Boek, cd & houtdruk. Uitgave in eigen beheer (Ren Pen Produxies), 2024.
Bespreking: Peter Motte, 700 woorden
Het voordeel van een biografie schrijven over Escher is dat de graficus behalve zijn prenten ook brieven, artikelen en notitieboekjes heeft nagelaten. Gecombineerd met de artikelen en brieven van anderen kun je daardoor een tamelijk compleet beeld van de man opbouwen. De tekst van het boek zelf is zo’n 450 p’s (en daar komt nog ongeveer 60 p’s illustraties…
Bespreking Peter Motte, 1010 woorden
“‘Tien gekleurde meisjes” is een beetje een vreemde titel, want
1) het blijken er geen tien te zijn, maar tweeëntwintig, en het gaat om twintig verschillende autobiografische teksten
2) “gekleurd” vind ik ook nogal een rare keuze: er staat een groepsfoto op de voorpagina, en sommigen zien er gewoon blank uit. Overigens heb ik Chinezen nooit als “gekleurd”…
Kenya, scenario: Léo, Rodolphe, tekeningen: Léo, inkleuring: Smulkowski Scarlett
Bespreking: Peter Motte, 390 woorden
Kenya is een vijfdelige reeks van het duo Léo-Rodolphe, dat door Léo zelf werd ingekleurd. De tekeningen zijn zoals vaak bij de reeksen waaraan Léo heeft meegewerkt: niet iets dat prijzen wint en waarvoor liefhebbers duizenden euro’s zouden betalen op veilingen (alhoewel ik moet…
Bespreking: Peter Motte, 666 woorden
Het raadsel waar Joost me mee opscheepte was dat helemaal niet duidelijk is in welke volgorde de drie delen van zijn Jozef-trilogie – Jozef aan ‘t Hof, Jozef in Egypte en Jozef in Dothan – moeten worden gelezen. Het is zelfs helemaal niet duidelijk of het wel een trilogie is.
Jozef aan ‘t Hof is de titel waaronder dat stuk aanvankelijk werd gepubliceerd in…