Nr. 31 D - 1 Fort Erfprins

seen from United States

seen from United States
seen from United States
seen from France
seen from United States

seen from United States
seen from Italy
seen from United States
seen from Russia

seen from Australia
seen from Russia
seen from Yemen

seen from United States

seen from United States
seen from Yemen

seen from United Kingdom

seen from Netherlands
seen from United Kingdom
seen from United States
seen from Russia
Nr. 31 D - 1 Fort Erfprins
Nr. 30 E - 1 De Boothelling
De Boothelling achter het Schapendijkje
Ik sta aan de oever van een machtige rivier De andere oever is daarginds en deze hier is hier
Zo begint Drs. P zijn lied heen en weer en dat bewonder ik als knolraap, schorseneren en prei heb ik veel lof voor zijn gave van simpel zijn
Nu sta ik aan de oever van het machtige Marsdiep Staar naar Texel aan de overkant en dan begin ik te dromen
Ik ben het water van het machtige Marsdiep Mijn andere oever is daarginds en die ene hier is hier
De man die hier staat is aan het denken en de vrouw op mijn oever daarginds denkt ook ik zie het wel hij niet
Ik voel mij dan altijd zo bekeken al weet ik wel beter want de heen en weer starende mensen beginnen altijd te dromen
Over mij vliegen zoete herinneringen aan liefde heen Over mij vliegen zoute tranen van verdriet weer en ik zit er maar mee opgescheept Ik krijg er het heen en weer van! Heen en weer Heen en weer
Nr. 29 kaart 3 A - 2 De oude Kampanje
Aan schouw burgers De oude prominent beeldbepalende Kampanje staat nog even Langzaam te vervagen tot het midden in de stad plaats zal maken
Om afscheid te nemen probeer ik mijzelf éénmaal te verplaatsen Vroeger ging ik alleen heen Als mijn gedachten weinig wilden voorstellen
Waar ik voorheen voorstellingen zocht Waren verre plaatsen Amsterdam Den Haag of Leiden
Blik ik weleens terug Wat heb ik toen gezien Kijk ik liefdevol terug of liever niet
Mijn terugblik begint met dagen Op de slechte teruggetrokken Koude banken bij de fontein
Tot de bierspenen bevrozen Van alle eenzame eenakters op de bankjes Met kramp an je tenen
Allen met hun eenzame blik
Nr. 23 C - 3 Huuske Dunia
Rurik Olafson geboren op Husiduna
Trots ziet Olaf Gunderson zijn zoon de grote speer met al zijn macht werpen en hij gooit keer op keer hoger, rechter en verder dan al de andere krijgers van de vloot. Vuur straalt uit de ogen van Rurik bij elke vorm van competitie, een strijdlustig vuur gesticht door de hand van Odin, waarin Olaf hoop voor zijn volk vind. De Nordmannen. Hier bewonen zij nu, het land van Hospitium, Husiduna. Uitkijkend over het Maresdiep naar Tesla. ’s Avonds drinken de mannen mede, ze slachten een ram en skalden de tweestemmige canons van hun vaderland. Ze dragen de avond op aan Rurik, zoon van Olaf Gunderson, een geboren Wiking. Tijdens het feest word een ram geslacht voor hem en van het dier neemt hij de horen. En onder het gelach en gezang om hem heen kerft hij de horen en holt hem uit tot een drinkbeker in spiraalvorm en sierlijk graveert hij zijn rune R in de rand, deze beker zal hem het hele leven eigen zijn, Ook hier ziet Olaf trots toe op de handigheid van Rurik en zegt, “De smid zal het met edelstenen inleggen en omranden met goud en zilver om te tonen hoe veel ik jou liefheb en bewonder, Rurik Olafson. Je bent een geboren Wiking!” Moeder zit thuis, daar werkt zij. Daar trekt zij kruiden in honingwater voor mede, weeft kleden en maakt verf maar niet deze avond. Geknield heeft zij voor het kruis in de nis gezeten en gebeden voor haar zoon. “O Heer, verlos ons, verlos ons van de woede der Noormannen”..
Bij de nieuwe maan
Koorts had Rurik bevangen en vader en moeder waren erg ongerust. Hij was al weken krachteloos en begon zelfs te ijlen. Vader nam hem mee naar het dennenbos, naar de oudste scheper van Husiduna wie woont bij de oude lindes. Ze droegen hem naar de oudste lindeboom met holle bast waar een goede geest huist die Rurik kan helen, de scheper verheft zijn lichaam en handen en spreekt; “Ik beweeg U goede geest! Ban de kwade uit deze jongen en heel hem!”. Bij die woorden trok Olaf zijn zoon door het gat in de boom en de kwade geest bleef hangen in het schors.
Zijn moeder aait hem over het hoofd als ze samen liggen bij het haardvuur. Rurik is iets beter en hij verteld wat hij en Olaf hebben gedaan, “vader nam mij mee naar de oude scheper bij de lindebomen en daar is de goede geest bewogen om de kwade te bannen en mij beter te maken. Wilt u voor de deur mijn Rune tekenen in het zand? De scheper zegt dat de kwade geest zal wijken voor mijn naam omdat ik afstam van de sterke Nordmannen, wie ooit terug zullen keren mij mee te nemen naar het thuisland!” Moeder antwoord niet, ze dekt hem toe en slaat haar ogen op naar het kruis. Ze roept een van de horigen aan die net als zij christen is en zegt hem via Callinge naar de kapel van Willibrord in Pethem te reizen om een priester te halen. De horige antwoord; “Op mijn tocht zal ik Willibrord gedenken” en hij vertrekt. Nog diezelfde dag keert hij terug met de priester. Moeder geeft hen allebei te eten en brengt de heiligman naar de slapende Rurik. Hij leest uit de bijbel en houdt een kruis boven het hoofd van de zieke, hij beweegt zijn open handen dichtbij het lichaam en op dat moment wordt Rurik wakker en begint zich te verweren. “Nee! Teken de R van mijn naam op de vloer!” De priester blijft spreuken fluisteren en de zieke Rurik wilt vluchten maar hij is te zwak om op te staan, na enige tijd geeft hij zich gewonnen en slaapt weer in maar zegt steeds zwakker, “teken mijn naammerk op de vloer”..
Wiking zijn is ten einde..
Moeder en vader kijken samen trots naar hun zoon die snel na die dag is genezen. Hij wordt zeer bedreven in de jacht, in de wapenhandel, in de scheepsvaart. Uit dankbaarheid voor zijn genezing weeft moeder een pij voor de priester van het mooiste stof dat zij bezitten, vader keert terug naar de linde en legt een tarwekoek met honing in de holle bast om de geest te eren. Als Olaf en Rurik op een avond samen op het duin zitten en over het water naar Tesla kijken zegt Rurik; “Ik wil een Wiking worden vader, ik wil varen langs de lange Midgaardslang en luisteren naar den Wilden Zeegeest”, en op dat moment horen ze luid hoorngeschal en boven de duin verschijnen drie drakenkoppen, de Wikingen zijn teruggekomen! Ze rennen naar de kust!..
Roderik herinnert zich deze dag met bitterheid. De dag dat vader op sluwe wijze werd vermoord in de naam van Willibrord. Wiking zijn is ten einde.
Nr. 22 D - 3 Lichtbaaklaan & Tuinderspad
De Lichtbaaklaan
Harmonieus samen natuur en mens Ze leven goed Van Mossel en Vink A.G Mooij en L. Groenendijk Rietdaken, een wilde kastanjeboom Insectenhotels tussen rodondendronstruiken Een brug over de sloot
Het Tuinderspad
Jansen schoffelt Rijmaker houdt de orde Daan Heins heeft hier gegraven Rust en een fluitje van éénenzestig cent Ik hou van Helderse straten waar de Lange Lichtbaak recht tegenover staat in het midden van de brede horizon Naast Jardin de Napoleon is een half open hek dus stap ik van het pad af En net toen ik dacht dat ik veel natuur had gezien vandaag…
Een Boterbloempaadje
Onverwacht sta ik op een korte groene strook van verschillende soorten gras Vol met bolaar en boterbloem Overal glanzend geel, lila paars en aan het einde van de strook een gigantische kluwe door elkaar verwoven struiken Het veld is bedekt met duifveren en één veer van de vermoedelijk verantwoordelijke roofvogel Deze route via de lichtbaaklaan, over de brug, langs het tuinderspad , naar de verassing van het boterbloempaadje teken ik tevreden op papier Ik pluk een boterbloem, een bolaar en een veertje uit het gras en berg ze zorgvuldig op in mijn notitieboekje
24/06/2015 Dichtschilder
Nr. 18 A - 3 De zee
Wiebe de jutter z’n
gedachten
Hij draagt zorg voor zijn kinderen wie vroeger geboren zijn tijdens de woeste stormen. Bij het werk op de velden dobt en peinst hij. Alleen hij weet waarover. Zijn ogen altijd dicht tot overstromen en niet hij, noch een ander, mag zijn gedachten benoemen.
verwachting
Wiebe staat op het paardenveld en kapt met een zeis de halmen langs de sloot als hij mensen samen ziet drommen op de dijk. Zwarte kledendracht en zwarte hoeden. Een groep kraaien wie wijzen en zwaaien naar de schipbreukelingen in de deining en tegelijk staren ze over water voor een mogelijke buit.
wacht
De hond van Wiebe zit thuis op hem te wachten, hij wacht echt en trouw, in de diepste zin van het woord. Wij mensen kennen dat wachten niet. Hij zit al op de mat als Wiebe de zeis weer opbergt in de schuur en naar huis begint te fieten.
onverwacht
Wiebe kalmeert de springende hond in de deuropening. ‘Wacht’ gebied hij en zelf wacht hij niet. Uit de kast pakt hij een pikhaak, laarzen, een vissersbroek en rijdt weer terug richting de dijk.
honden huilen om onheil
‘Wiebe, trek nog een vaatje voor ons open!’.
Wiebe deelt de rum rond en iedereen, ook de kraaien, genieten van de bijzondere smaak van de drank. Het is de lekkerste rum door ieder van hen ooit geproeft. Maar de hond is ongerust, hij lijkt boos op de vaten. Almaar vragen ze de hond stil te zijn maar het is tevergeefs. Om de vaten heen blijft hij springen, blaffen en huilen. Ze schenken de drank in zijn voederbak om de rust in hem te dwingen. Dan, vol van het overgestroomde, zingen en lachen ze, dagen lang, en als de slapende hond ontwaakt huilt hij weer om de vaten, elke dag opnieuw.
de aap rolt uit het vat
Wiebe deelt zijn hele hebben zonder een druppel voor zichzelf te houden. Het vat bergt nog genoeg om één nacht samen warm te worden.. Zijn nieuwe vrienden, de hond en zijn kinderen huilen om het vat. De koppen bij elkaar en mokken onder de tap.
Rustig drinken ze de sterke drank tot de stroming uit de tap stopt, ze kantelen het vat voor de laatste restjes en dan… TAK!..
‘Wat is dat nou? Er zit iets in dat vat!’.
De deksel wordt gelicht en verbijsterd zien ze op de bodem van de ton iets wat ze nog nooit hebben gezien. Ze kieperen het leeg en uit het vat rolt een aapje. De hond stopt met huilen, de vrouwen zijn diep geschrokken en de mannen kunnen er alleen maar even bij stilstaan, en na de aap te hebben begraven, moeten ze zonder drank verder gaan.
Geïnspireerd op een heus echte mythe. Een dokter op een schip bracht een aap mee naar de Zeven Gewesten en hield hem op sterk water tijdens de reis. De boot is gezonken en het vat gevonden en leeggedronken.
Nr. 15 B - 1 Storm op zee
In het vooronder tijdens de storm
“We vangen veel wind en geen vis dus het gaffeltopzeil en de grote kluiver zijn ingenomen Schipper. Schenk dus uit de kruik ons een bittertje in en spaar een plukje uit uw potje, genoeg om een piraatje van te kunnen draaien. Straks, gekropen in de kooien, luistert iedereen naar ‘t lekje en ik sta dan op het dek op hondenwacht terwijl de wind oostnoordoost gevaarlijk hard tegen onze logger op stoot”.De schipper geeft hem een stuk tabak om te pruimen en een bittertje tegen kou.
De hondenwachten op dek
Hij loopt naar de smalle trap en klimt uit het dompige achteruit naar het dek. De wind koelt zijn bezweet lichaam. Hij haalt diep adem om zijn longen te schonen van de snijdende lucht van geteerd touw en zwavelwaterstofgas. De aardedonkere nachthemel boven zijn hoofd schommelt heen en weer met de boot mee. Hij loopt op de andere wacht toe die tegenover hem op de kaakplank zit en in gedachte verzonken aan het bidden is. Hij zegt tegen hem: “Doe maar rustig, alles komt goed. Wij zijn in Gods hand. Mijn juk is zacht en Mijn last is licht”. Een glimlach breekt zachtjes door tot hun gezichten.De tijd verstrijkt. Samen zingen ze versen van de psalmen tot die abrupt worden gestaakt door het klapperen van de kaakplank waar ze op zitten die met een harde ruk van de wind de mannen dwingt op te springen om niet met plank en al in de zee te duiken. De plank haakt achter de mast geeft de éérste wacht een klap tegen zijn hoofd waarmee hij zijn bewustzijn verliest en alsnog overboord valt, de ander rent direct terug naar binnen om schipper en bemanning te waarschuwen.
Dromende over schapendijkjes
Het motregent in zijn droom. Hij ziet zichzelf op het zand bij de keien onderaan de dijk op een houten schommelstoel aan de branding zitten. De zee trekt zich terug en zuigt zich vol, ze valt aan en jaagt de golven uiteen over het zand. De golven komen steeds een beetje dichter naar hem toe maar hij maakt zich niet druk, hij hoort in de verte al het geruststellende geroffel van hoeven klinken die hem komen redden. De paarden doemen op uit de mist en hij wilt ze roepen maar hij kan geen enkel geluid uitbrengen, de paarden galopperen verder en verdwijnen weer terwijl het water steeds sneller gaat stijgen. Uit alle macht rukt hij zich los van de droom en probeert te schreeuwen.
In de warme armen van de kooi
Met een gesmoorde kreet schiet hij overeind in zijn kooi. Gejaagd tasten zijn ogen het duister af en zien op de grond de boosdoenende kaakplank liggen. Dan wordt hij het deinen van het schip gewaar en opgelucht legt hij zijn hoofd weer neer om zich te laten wiegen door de zee. Hij heeft het warm en trapt de paardendeken van zich af, veegt zijn bezwete gezicht en borst af en vouwt dankbaar zijn handen in gebed.
Geïnspireerd op passages uit; ‘De Waanzee’ van Robert Haasnoot.
Nr. 9 C - 4 Grafelijkheidsduinen deel twee
Twééduizendelf
Hun huis kijkt uit op de voetbalvelden en de grafelijkheidsduinen zijn binnen een bereik van honderd grote voetstappen. Samen lopen ze er vaak even doorheen als hij uit school komt, zijn school staat direct naast het padje die naar de duinen leidt en overkoepeld is door grote bomen. Hij loopt het landschap op en zoekt naar de konijnenholletjes en zij schrikt zich rot als hij zelfs onverschrokken naar de schotse hooglanders rent. Ze spelen in de duinpannen en hij luistert aandachtig als zij verteld over hoe dit landschap is ontstaan en waarom er grazers op staan. Hij kijkt nog verstelt naar alles wat hier groeit en bloeit. Thuis schudden ze tevreden het zand uit hun schoenen.
Twééduizenddertien
Hij neemt nu steeds meer vuil mee onder zijn zolen, de voetsporen van aarde in de gang worden elk jaar donkerder van kleur. Uit school gaat hij nu meestal met vriendjes de duinen in en komt dan thuis met gevonden losse flodders en dierenbotjes. Zo nu en dan neemt hij haar mee naar de geheime plekken die hij heeft gevonden. Zij doet rustig haar handwerkjes en ontvangt hem met etenstijd. Het komt wel eens voor dat hij te laat is maar dat vind zij niet zo erg. Terwijl zij kookt klopt hij de aarde van zijn schoenen en gaat onder de douche.
Twééduizendvijftien
De avond tevoren kwam hij thuis met gitzwarte schoenen, hij had ze voor de deur al uitgetrokken maar ze kon het zien en rook dat hij geurde. Nu hij weer te laat is houdt ze het even niet droog dus legt ze haar borduurwerk aan de kant en trekt een jas aan. Ze loopt de duinroosstraat af en aan het eind bij de seringenlaan gaat ze de gaatjesweg op en waar haar zoon al komt aangelopen met dikke tranen op zijn wangen. Zijn kleine brommertje gooit hij neer en stort uit in de armen van zijn moeder. Omhelst vallen ze neer in het gras en de jongen huilt door tot het donker wordt. De lucht om hen heen bleef geuren naar rook. Thuis stopt ze hem in en troost hem terwijl hij nog aan het na snikken is. Ze kust hem op zijn voorhoofd en zegt; als je morgen een mooi verhaal voor ze schrijft dan zullen de diertjes het je allemaal vergeven. Ze kust hem nog een keer en doet het licht uit.