Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: Belastingadviseur terecht als executeur aansprakelijk gesteld door ontvanger
Belanghebbende, een belastingadviseur, is eind 2001 in een testament van een klant benoemd tot executeur. De enige erfgenaam was een anbi-stichting. De klant is op 19 oktober 2002 overleden. De nalatenschap bedroeg € 536.219. Per 1 december 2002 is belanghebbende voor één dag in de week in loondienst getreden bij de stichting. Op 17 november 2003 is de door belanghebbende opgestelde aangifte successierecht ingediend. Na onderzoek in 2007 is de anbi-status van de stichting met terugwerkende kracht ingetrokken. Vervolgens is een navorderingsaanslag successierecht aan de stichting opgelegd die onbetaald is gebleven. De ontvanger heeft belanghebbende op de voet van art. 47 IW 1990 aansprakelijk gesteld. Volgens het hof is dat terecht. Anders dan belanghebbende stelt, is het hof van oordeel dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte nog als executeur in functie was. Voorts acht het hof aannemelijk dat belanghebbende in zijn hoedanigheid van executeur de aangifte heeft ondertekend en gedaan. Dit betekent dat de ontvanger hem terecht als executeur aansprakelijk heeft gesteld. Anders dan belanghebbende betoogt, was de stichting volgens het hof ten tijde van de aansprakelijkstelling reeds in gebreke. De ontvanger maakt voorts aannemelijk dat belanghebbende in de periode als executeur onzakelijk heeft gehandeld (verstrekken van leningen zonder zekerheden). Daarom is hij ook aansprakelijk voor de invorderingsrente en kosten.
(Hoger beroep ongegrond.)
Commentaar mr. R.B.H. Beune
De titel en samenvatting doen vermoeden dat deze uitspraak weinig in zich heeft. Bestudering van de uitspraak leidt tot een andere conclusie. Natuurlijk voert de boventoon het oordeel over art. 47 IW 1990. Belanghebbende heeft echter nog een aantal stellingen geponeerd die de moeite meer dan waard zijn. Daarover straks meer. Een executeur kan aansprakelijk zijn voor al de door en bij het overlijden van de erflater verschuldigde erfbelasting, tenzij de aangifte voor de erfbelasting niet door hem is gedaan. De aansprakelijkheid op grond art. 47, lid 1, IW 1990 geldt niet voor zover een executeur aannemelijk maakt dat het niet aan hem te wijten is dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Belanghebbende stelde dat hij niet als executeur de aangifte had gedaan. In een goed opgebouwd en helder gemotiveerd betoog concludeert het hof dat ten tijde van de aangifte belanghebbende nog als executeur in functie was. Vervolgens wordt geoordeeld dat de aangifte door belanghebbende in zijn hoedanigheid als executeur is getekend. Tegenstrijdige verklaringen van belanghebbende en zijn echtgenote, een verklaring opgemaakt tien jaar na ondertekening van de aangifte alsmede een bestuurslid van de stichting die niet wist dat zij bestuurslid was, zullen de argumentatie van belanghebbende niet ten goede zijn gekomen. Ook de intrekking van de anbi-status en een rechtelijk oordeel dat de werkzaamheden van de stichting gericht zijn geweest op het verrijken van belanghebbende of zijn onderneming, zal geen goed aan de zaak van belanghebbende hebben gedaan. Dat lezende bekruipt toch het gevoel dat hier recht is gedaan aan een ‘onrecht’ dat aan de laatste wil van een cliënte van belanghebbende lijkt te zijn berokkend.
En toch laat deze casus mij niet geheel los. Ik worstel met het oordeel van het hof dat ten tijde van het aansprakelijk stellen de stichting niet in gebreke was. Art. 25 en art. 10, jo. art. 15, IW 1990 spelen bij die worsteling een rol. Er was aan de stichting uitstel van betaling verleend. De ontvanger trekt dat uitstel in op 16 oktober 2007 en stelt dat er direct betaald moet worden. Met die intrekking lijkt voldaan te zijn aan art. 49, par. 2, lid 2 en 3, Leidraad Invordering 1990. Art. 25, par. 1, lid 2, Leidraad Invordering 1990 bepaalt echter dat er een wachttijd geldt van tien dagen na de intrekking. Verkorting of niet verlenen van die termijn kan als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de Staat kunnen worden geschaad. Uit het oordeel van het hof dat na de intrekking van het uitstel de stichting in gebreke was, moet afgeleid worden dat het hof van oordeel is dat de belangen van de Staat dreigen te worden geschaad. Maar dat zegt het hof niet expliciet. Het hof vervolgt dat uit de bevindingen van het boekenonderzoek volgt dat de intrekking gerechtvaardigd was. De intrekking kan gerechtvaardigd zijn, maar is daarmee ook gezegd dat de verkorting van de tiendagentermijn terecht is? Temeer de ontvanger bij zijn intrekking niet heeft vermeld de tiendagentermijn te verkorten tot nul dagen. Ik realiseer mij dat die verkorting volgt uit het direct opvorderen van de schuld. Maar een gemiddelde belastingschuldige onderkent niet dat hem eigenlijk nog tien dagen van invorderingsrust toekwamen. Het had de ontvanger gesierd als verwezen was naar die termijn en opgemerkt was dat die termijn om diverse redenen niet toegekend wordt. Het oordeel van het hof dat het beroep tegen de intrekking bij de directeur niet leidt tot uitstel van betaling (en het niet in gebreke zijn in de zin van art. 49 IW 1990) totdat op het beroep is beslist, acht ik niet houdbaar. Art. 25, par. 1, lid 20, Leidraad Invordering 1990 bepaalt dat de ontvanger een zelfde houding aanneemt als tijdens de behandeling van een verzoek om uitstel van betaling zodra hem van een beroep bij de directeur is gebleken. Lid 4 van die paragraaf bepaalt dat de ontvanger handelt alsof het verzoek om uitstel is toegekend. Een uitzondering is wel opgenomen. Maar ik durf te bepleiten dat het dan nog maar de vraag is of er dan sprake is van in gebreke zijn in de zin van art. 49 IW 1990. Ik vermoed echter dat deze bespiegeling een theoretisch zal zijn nu ik niet verwacht dat belanghebbende voor de aansprakelijkstelling van 19 oktober 2007 al een beroep had ingesteld bij de directeur. Was dat niet gedaan dan was er sprake van in gebreke zijn. (Bron: NTFR2014-2033)
http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHARL:2014:4219












