ge·don·der (het; o) 1 het (voortdurend) donderen 2 (informeel) verwachte, onaangename gebeurtenis: daar heb je het gedonder in de glazen 3 (informeel) gezanik, ruzie Soms heb ik weer eens onweer 't Is een plaatselijke storm Botst m’n hoofd met m’n gevoel En dat dondert dan enorm Nu de aanval is gaan liggen En een puinhoop achterliet Probeer ik alles te verbergen Zodat jij er niets van ziet








