seen from China
seen from China

seen from Netherlands

seen from Singapore
seen from Slovakia

seen from Romania

seen from United States
seen from United States
seen from United States

seen from United States
seen from Ukraine

seen from Ireland
seen from China

seen from United States
seen from China

seen from Japan

seen from United Kingdom
seen from Norway
seen from China
seen from Italy
It's tulip season. Have you ever visited the tulip fields?
Marsai visited the Tulip barn in Hillegom, Netherlands 🌷🌷🌷🌷🌷
Surrealism in the Dutch Bulb Region near Noordwijkerhout.
Geestgrond Duin- en Bollenstreek
Als we het hebben over de Duin- en Bollenstreek in relatie tot de bloembollencultuur en over de duinen dan komt de term geestgrond ook ter sprake, waar komt dit begrip vandaan?
Allereerst moeten we dan het begrip geest verklaren. Het begrip geest komt al voor in documenten die dateren uit ca. 925. Het begrip is terug te vinden in plaatsnamen als Groot-Dorregeest, Oegstgeest, Uitgeest en Poelgeest.
Vaak waren dat geestnederzettingen. In het noorden van Nederland. In Noord-Duitsland en Denemarken is geest meer een aanduiding voor een zanderige verhoging in een nat landschap.
Op grond van deze twee omschrijvingen kunnen we een aantal betekenissen onderscheiden, die recht doen aan de historische ontwikkeling en de verschillende verschijningsvormen:
1. Een geest is in cultuur gebrachte grond op de strandwallen van Noord- en Zuid-Holland, en wordt in historische bronnen ook wel aangeduid als geestland. Hierbij dient te worden aangetekend, dat hetzelfde woord in het kustgebied van Noord-Duitsland en Zuidwest-Denemarken wordt gebruikt voor de Pleistocene gronden tegenover het polder- of marsland dichter langs de zee.9 Dit is eveneens het geval met het verwante Fries-Groningse begrip gaast of gast.
2. Een geest is een naamkundig begrip (plaatsaanduiding of toponiem) dat soms zelfstandig, maar meestal in een samengestelde vorm voorkomt als:
- een aanduiding van het land: Elsgeest;
- een aanduiding van een specifiek gedeelte van het bouwland: Hofgeest, Bronsgeest;
- de naam van een kerkdorp of buurschap: Dorregeest, Oegstgeest.
3. Een geest is een nederzetting geografische of geomorfologische aanduiding voor op de kaart te onderscheiden structuren, met name complexen van akkerland, ingebed in of gecombineerd met een stelsel van wegen en paden op de strandwallen.
Uiteindelijk zijn er in het overzicht van de gewogen en in orde bevonden geesten drie categorieën onderscheiden:
a) dorpsgeesten, nederzettingen met een geconcentreerde bebouwing, vaak inclusief een kerk;
b) geestnederzettingen, grotere bijbehorende structuren met een verspreide bebouwing, soms gecombineerd met een dorpsgeest;
c) ontginningsgeesten in laagland of in nollengrond.
Kunnen we, afgaande op de afzonderlijke beschrijvingen van de geesten per ambacht of kerkdorp, nu al iets algemeens te zeggen over de geesten van Holland?
We doen een voorzichtige poging.
In de eerste plaats kan het beeld worden bevestigd, dat vanaf de vroege middeleeuwen in heel Holland op de geesten is gewoond – voor zover we dat op naamkundige gronden kunnen vaststellen zeker vanaf de Karolingische tijd. Maar ook het begin van het verhaal is niet uniform; op diverse plaatsen is archeologisch vastgesteld dat de bewoning op geesten terug gaat tot omstreeks het begin van de jaartelling.
In de tweede plaats valt het op, dat het aantal aangetroffen geesten (d.w.z. structuren en al dan niet daarbij behorende toponiemen) in Noord-Holland veel talrijker is dan in Zuid-Holland.
En in de derde plaats zijn de meeste geesten in Noord-Holland ontbloot van zowel hun nollen (lage duintjes) als hun bosopstanden, en dus volledig in cultuur gebracht, terwijl dat proces van afgraven in Zuid-Holland in het midden van de 17de eeuw nog in volle gang is.
Zelfs binnen de omgrachting van Den Haag bevinden zich in 1649 nog klingen, zoals de duintjes hier worden genoemd. Bij plaatsen als Voorhout en Noordwijk-Noordwijkerhout moeten we dus constateren, dat de duinontginningen hier vanaf de vroegste vermelding van deze plaatsen in een heel traag tempo zijn voortgegaan.
Wat de bebossing van die oude duingronden betreft, weten we dat die aan het begin van de 16de eeuw in heel Holland al vrijwel was verdwenen. Vroege kaarten geven nog restjes bos aan bij Heemstede (’s-Gravenbergerbosch en Het Bosch of de Oude Hout), Heemskerk (Marquette) en Egmond (’s Gravenbosch).
Volgens botanici zijn bij Bergen en Schoorl, en op sommige landgoederen rond middeleeuwse kastelen (Teijlingen, Keukenhof) nog resten van de oude vegetatie in stand gebleven. De bossen rond de buitenplaatsen en de stadsbossen bij Alkmaar, Haarlem en Den Haag zijn alle nieuw aangelegd vanaf het eind van de 16de eeuw.
Dat deze laatste vaak met Hout worden aangeduid is een verwijzing naar de vroegere toestand, waaraan ook namen als Voorhout, Noordwijkerhout, Aerdenhout, Den Hout bij Heemstede en de Grote en Kleine Houtweg bij Beverwijk herinneren.
Niet voor niets ontleent het gewest zijn naam Holtland aan het (grafelijke) bosdomein dat de grens tussen Rijnland en Kennemerland vormde.
De Duin- en Bollenstreek
De naam 'Oegstgeest' betekent zoveel als 'Osger z'n Geest' waarbij 'Osger' een historische figuur uit de 10e eeuw is en 'geest; slaat op de vele geestgronden die deel uitmaakten van het oorspronkelijke dorp. We komen de naam 'geest' dan ook tegen in Poelgeest, Endegeest en Rhijngeest, gebieden die nu nog deel uitmaken van het huidige Oegstgeest.
Geestgronden bestaan uit onvruchtbaar duinzand dat later vermengd is met klei of veen dat van elders is aangevoerd. Veel van de in Oegstgeest aanvankelijk aan de oppervlakte nog aanwezige oude duingrond is in de 16e eeuw afgegraven om dienst te doen bij de uitbreiding van oude Leiden. Een deel is ook verwerkt in de tussenliggende klei- en veengrond om tot een voor de bloembollenteelt geschikt grondmengsel te komen.
Hoewel het duinzand eveneens van elders kan zijn aangevoerd gaat het meestal om vlak land dat is achtergebleven na het afgraven van het duin. Geestgronden bevinden zich daardoor meestal langs de kust aan de landzijde van het duingebied van Noord- en Zuid-Holland, Zeeland en Vlaanderen. Geestgronden zijn vaak nog omringd door kleigronden of laagveen.
De bebouwing maakte een definitief einde aan het agrarische leven in het dorp. Alleen in een strook van Elsgeest, de grote polder tussen Oegstgeest en Rijnsburg is landelijk gebleven en daar grazen nog de koeien.
De grootste zanderijactiviteiten treffen we verder aan rond Hillegom, Lisse en Noordwijkerhout.
Reeds in de 14e. eeuw vond er afzanding plaats en tegen het einde van de 16e. eeuw werd het Keukenduin van Teylingen bijna geheel afgegraven.
Ook bij Wassergeest in Lisse is al vroeg sprake van zanderij activiteit. In 1594 werd aan het einde van de Catharijnelaan de Wassergeesterbrug aangelegd. Met als doel hat afvoeren van zand afkomstig van de gronden tussen de Heereweg en Achterweg.
De ontginningen rond 1600 waren ook nodig om aan teelland te komen. Op kleine schaal werden aardappelen, groenten en fruit geteeld.
Kleinschalige zandafgravingen treffen we ook elders aan. Een mooi voorbeeld is de ‘Zanderij Middenduin’ bij Overveen en het nu zeer hoog gewaardeerde landgoed Elswoud, aangelegd op een in de 17e eeuw afgezand gebied.
In de 18e. eeuw zijn bij Hillegom achtereenvolgens de duinen van Six, “De Zanderij” afgegraven en vervolgens Horstendaal aan de Weeresteinstraat en de Pastoorslaan en tenslotte Veenenburg in 1897.
Na 1800 nam het afzanden verder toe. De oorzaak was de behoefte aan zand voor de uitbreiding van de steden. Er was meer zand nodig om de slappe veenbodem op te hogen en te verstevigen. Ook de aanleg van spoorwegen maakte de behoefte aan zand groter. De eigenaren van de buitenplaatsen werkten graag mee omdat zij door de verslechterde economische situatie gedwongen werden de buitenplaatsen te verkopen en/of te slopen.
Door de zandafgravingen is het oorspronkelijke reliëf van de Oude Duinen vrijwel geheel verdwenen. De afgegraven gronden bleken zich uitstekend te lenen voor de teelt van bloembollen.
Ten behoeve van de zandwinning werden op regelmatige afstand van elkaar lange vaarten de duinen in gegraven. Dwars daarop groef men parallel aan elkaar liggende zijvaarten. Met platte schuiten werd het zand afgevoerd. Behalve voor de zanderij zelf, waren de sloten van belang voor de bloembollenteelt. Zij werden gebruikt voor de aanvoer van meststoffen en het transport van bloembollen naar een station.
Bovendien waren de watergangen van belang voor de waterhuishouding. Zonder sloten zouden in natte jaren de gronden veel te nat worden, terwijl de percelen bloembollenland bij een wat hogere ligging zouden verdrogen. Behalve de vele zandvaarten is ook de hoge ligging van een aantal wegen kenmerkend voor dit zandwinningslandschap. Na afgraving resteerden slechts smalle, hooggelegen wegen zoals de Loosterwegen bij Hillegom en Lisse.
Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw werd zand dus een steeds meer gevraagde delfstof. Ophoogzand werd gewonnen ten behoeve van de stadsuitbreidingen van Leiden, 's-Gravenhage, Haarlem en Amsterdam en voor het aanleggen van straten, wegen, spoordijken en trambanen.
Een deel van het zand werd in de kalkzandsteenfabriek Arnoud, op de grens van Lisse en Hillegom, als grondstof voor de fabricage van metselstenen gebruikt. In een enkel geval werd het zand ook gebruikt om op plaatsen waar de zeewering te laag en te smal was de duinen op te hogen.
Herinrichting
Het huidige Langeveld is ontstaan in de verkaveling van 1956 tot 1963. Het Langeveld was oorspronkelijk een strandvlakte met aan de westkant uiteraard de zee en aan de oostkant duinen. Deze duinen werden later binnenduinen, "Oosterduinen" genaamd, toen de zee zich terugtrok en er aan de westkant nieuwe duinen en een nieuw strand ontstonden. De Oosterduinen zijn in het begin van de 20ste eeuw afgegraven ten behoeve van de zandwinning en daarna getransformeerd tot bollenvelden.
Het Langeveld werd tot de tweede helft van de 12e eeuw regelmatig gevuld met water uit de Oude Rijn. De grond verveende en er ontstond een moerassig gebied. Nadat de Oude Rijn zich had teruggetrokken, ontstond er een langgerekt heideveld dat langzaam veranderde in een ruig, licht geaccidenteerd duingebied met duingrassen en hier en daar bosschages en beekjes. Waar nu de Vogelaardreef in het noorden loopt, lag een ca. zes meter hoog duin.
Rond het Langeveld is eeuwenlang aan akkerbouw en veeteelt gedaan. In de 19e eeuw kwamen er ook in het middengedeelte agrarische activiteiten. Door onttrekking van water door de waterleidingmij. van Amsterdam werd het steeds moeilijker voor de boeren om hier een bestaan te hebben. De recreatiebehoefte van de stedelingen bracht uitkomst en in het Interbellum werd het Langeveld een geliefde kampeer locatie. In 1957 maakte de verkaveling met het omspuiten van het zand tot 1e klas bollengrond een einde aan de agrarische annex kampeerbedrijfjes.
Echter, de gehele rand rondom het noordelijke deel van het Langeveld werd bestemd voor natuur en recreatie. Zo zijn er tal van camping- en zomerhuisjesterreinen te vinden. Het agrarische "Houtland" werd kampeerterrein.
25-11-21
Het leven van een opgewekte Hillegommer: De engelen van Antoon van Oostveen
Het leven van een opgewekte Hillegommer: De engelen van Antoon van Oostveen
Een streekhistorie gegoten in romanvorm, zo kunnen wij het nieuwe boek van Veronica Handgraaf het beste omschrijven. Op unieke wijze heeft zij het leven van Antoon van Oostveen, een schilder uit Hillegom, vastgelegd in boekvorm. Hierbij komt haar grondige onderzoek naar zowel zijn leven als zijn kunst goed naar voren, maar maakt de lezer ook kennis met dit prachtige dorp in de bollenstreek. Dit…
View On WordPress
Stations op de spoorlijn tussen Haarlem en Leiden
De Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HIJSM of HSM) werd op 8 augustus 1837 te Amsterdam opgericht en was de eerste Nederlandse spoorwegmaatschappij. De oprichters waren de civiel ingenieur Willem Christiaan Brade en de zakenmannen Serrurier en Le Chevelier, allen uit Amsterdam.
De eerste spoorweg die de HSM aanlegde was de lijn van Amsterdam naar Haarlem, die op 20 september 1839 voor het publiek werd opengesteld.
Hij bereikte Leiden in 1842, Den Haag in 1843 en Delft en Rotterdam in 1847. Deze lijn wordt ook wel de Oude Lijn.
Station Heemstede-Aerdenhout
Het station is gesitueerd op de plek van het oude tolhuis Heemstede aan de Leidsevaart.
Het werd in eerste instantie als "afgedwongen" stopplaats geopend in 1872 en na 8 jaar gesloten. Daarna werd het heropend op 1 oktober 1891 als halte Zandvoortsche Laan, die in 1903 weer werd opgeheven.
In 1928 werd de halte "Heemstede-Aerdenhout" geopend, die in 1958 werd vervangen door het huidige viaductstation. Dit station is ontworpen door station architect Koen van der Gaast.
Station Vogelenzang-Bennebroek
Het station werd geopend in 1842. Het huidige stationsgebouw is ontworpen door Dirk Margadant en stamt uit 1880.
Bij de Spoorwegstaking van 1944 werd het station op 17 september van dat jaar gesloten. Toen de dienstregeling na de oorlog werd hervat, ging het station niet meer open. Het stationsgebouw bleef wel bestaan.
Station Hillegom
Het 1e. station was de halte Veenenburg, dit werd al in 1842 werd geopend. Dit station lag erg ver uit de dorpskern en werd daarom in 1896 gesloten, waarna het vervangen werd door tijdelijke haltes aan de Hillegommerbeek, de Loosterweg en de Doodweg (de huidige Nieuweweg).
Men dacht enkele jaren na over de locatie van een nieuw permanent station, waar behalve voor het personenvervoer ook een belangrijke rol als goederenstation voor de lokale bloembollenhandel werd voorzien.
In 1898 werd gekozen voor de locatie aan de 2e Loosterweg, waarna de bouw startte. Er werd tussen de beide sporen van de lijn een eilandperron aangelegd, en aan de westzijde een goederenloods met spooremplacement. De wachtruimten en het stonden onder een grote kap op het eilandperron, waar ook een toiletgebouw aanwezig was. Het station opende op 1 mei 1900.
In 1910 werd tegenover de goederenloods een huis voor de stationschef gebouwd. In de oorlogsjaren werd het station gebruikt voor goederentransporten van de Duitse bezetter, waardoor het een doelwit voor geallieerde bombardementen werd.
Bij het uitbreken van de spoorwegstaking op 17 september 1944 werd het station gesloten. Nog voor het einde van de oorlog werd de grote overkapping verwijderd. Na 1945 kwam het station niet meer in de reguliere dienstregeling terug.
Tot in de jaren 50 stopten er in het voorjaar nog wel enkele treinen voor toeristen die de bloeiende bloembollenvelden kwamen bezichtigen en reed er een jaarlijkse bedevaart trein naar Onze Lieve Vrouwe ter Nood in Heiloo. Het perron met de wachtkamers werd in de jaren 1960 afgebroken.
Het goederenstation bleef nog tot in de jaren 80 in gebruik voor het transport van bollen en landbouwwerktuigen per spoor. Op 3 juni 1984 werd het goederenstation echter ook gesloten bij een grote bezuinigingsoperatie van de NS op het goederenvervoer. In de laatste jaren werden nog maar enkele goederenwagons per dag gelost en geladen, waardoor het station niet meer rendabel was. Nadat het emplacement was gesloten en de opstelsporen waren opgebroken, resteerden alleen nog de oude loods en kantoor van het goederenstation en het huis van de stationschef.
Bij de zware storm van 25 januari 1990 werd het dak van de loods afgeblazen, waarna het gebouw met het aanpalende kantoor werden gesloopt. Het huis van de stationschef is het laatste restant van het oude Station Hillegom. Dit is tegenwoordig een gemeentelijk monument.
Rond 1990 gaf de NS aan dat de Bollenstreekhaltes Hillegom en Voorhout heropend konden worden. Hierop volgde een jarenlange discussie tussen de gemeente, bewoners en de NS voordat in het najaar van 1997 definitief besloten om het station Hillegom weer voor personenvervoer open te stellen. Oorspronkelijk zou het station in juni 1998 openen, maar de bouw werd vertraagd en er werd pas in september 1999 gestart.
Het nieuwe station Hillegom werd op dezelfde locatie gebouwd als het oude, waardoor ook dit een eilandstation is. De rails was na het opbreken van het eilandperron altijd op dezelfde plaats blijven liggen, waardoor het eenvoudig was om het nieuwe station op dezelfde plaats te bouwen, de rails hoefden immers niet verlegd te worden. Het eilandperron is via een grote loopbrug met liften bereikbaar. Een loket werd niet gebouwd, passagiers zijn aangewezen op de kaartautomaten. Op 28 mei 2000 werd het nieuwe station geopend. In 2003 is er de 4.5 meter hoge bronzen sculptuur "Landschap en Herinnering" van de beeldhouwer Walter van der Horst geplaatst.
Veenenburg
Het station lag aan het einde van de Frederikslaan, direct op de grens met Lisse, zodat het destijds voor beide plaatsen gebruikt werd.
Het werd gebouwd op het grondgebied van het landgoed Veenenburg en ontleende daaraan zijn naam. Het station werd zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer voor de opkomende bloembollencultuur gebruikt. Hiervoor waren extra goederensporen aangelegd.
Het station opende op 2 juni 1842 en was toen het eindpunt van de eerste verlenging van de Oude Lijn tussen Haarlem en Leiden. Op 17 augustus 1842 werd de spoorbaan van Veenenburg naar Leiden geopend.
Het station lag ongunstig in duingebied tussen Hillegom en Lisse en voor beide dorpen ver buiten de dorpskern. De reden dat het station juist op deze plaats werd geopend was, omdat landeigenaar Leembruggen bij de verkoop van zijn land voor de aanleg van de spoorbaan had bedongen dat op zijn grondgebied een station zou worden opgericht, zodat zijn kinderen voor hun studie eenvoudig naar Leiden konden reizen. Bovendien mochten hier niet minder treinen stoppen dan op enig ander tussenstation op deze lijn.
Ondanks de verre afstand tot de dorpskernen werd het station wel gebruikt. Nadat in 1866 de spoorlijn was verdubbeld, waarbij breedspoor was vervangen door normaalspoor, werd een groot stationsgebouw gebouwd met daarnaast een koffiehuis.
In 1888 werd nog een nieuwe goederenloods gebouwd. Echter ontstond er in deze jaren steeds meer verzet tegen de afgelegen locatie en de HIJSM wilde liever nieuwe stations elders in Hillegom en Lisse.
In 1891 opende daarom tijdelijke nieuwe haltes in Lisse aan de Delfweg en aan de Pastoorslaan en Doodweg in Hillegom. Na vragen in de Tweede Kamer en een rechtszaak kon station Veenenburg op 1 oktober 1896 uiteindelijk gesloten worden. Ter vervanging heropende tijdelijk de halte Hillegommerbeek, tot in mei 1900 het Station Hillegom op de huidige plaats opende.
Het stationsgebouw werd in 1903 afgebroken. Anno 2019 staat op de locatie van voormalig station Veenenburg nog steeds een spoorhuis en een onbewaakte overweg.
Station Lisse
Het station is op 1 januari 1891 geopend. Sinds 17 september 1944, bij het begin van de Spoorwegstaking, wordt het niet meer gebruikt voor de reizigersdienst volgens de dagelijkse dienstregeling. Wel hebben er nog jarenlang speciale treinen gestopt in het bollenseizoen. Het werd begin jaren negentig bedreigd met de slopershamer, maar sinds 1994 is in het oude station een restaurant gevestigd.
De lijn Haarlem-Leiden werd in 1842 aangelegd, maar pas in 1891 werd een halte Delfweg aangelegd bij het gehucht Halfweg. De naam werd in 1896 gewijzigd in Lisse (code LIS). Pas in 1904-1905 verrees het stationsgebouw iets ten zuiden van de halte Delfweg. Het is een ontwerp van architect D.A.N. Margadant, die aan deze lijn ook de stations Den Haag Hollands Spoor en Haarlem ontwierp. Het is gebouwd in neorenaissancestijl met art-nouveau elementen. De bijbehorende personeelswoning is in het verhoogde middendeel.
Jarenlang is dit station een gelegenheidshalteplaats geweest tijdens de maanden maart tot en met mei tijdens de grote bloemententoonstelling op het landgoed Keukenhof, op een steenworp afstand van het station. In de jaren vijftig en zestig maakte een aantal treinen van de reguliere dienstregeling dan een extra stop in Lisse. Ook reden er tot in de vroege jaren negentig speciale treinen vanuit België (Bebloemingsritten) en Duitsland (Frau Antje Express) naar Lisse. Voor het laatst werd er gestopt tussen 1998 en 1999, toen Lovers Rail tussen Amsterdam en Lisse reed met de Keukenhof Expres.
Station Piet Gijzenbrug
een voormalig station aan de Oude Lijn, vernoemd naar Piet Gijs (zoon), die daar vanaf het jaar 1666 een herberg had. Het station was gelegen tussen de huidige stations van Voorhout en Hillegom, bij de kruising van de Leidsevaart met de N443.
Het station werd geopend op 17 augustus 1842 en gesloten voor reizigersvervoer op 17 september 1942. Het stationsgebouw, daterend uit 1873, werd in 1960 gesloopt. Op 3 oktober 1926 werd de naam van het station gewijzigd in Noordwijkerhout.
Station Voorhout
Het eerste station van Voorhout werd geopend in 1892 en werd gesloten op 17 september 1944. Op 1 maart 1997 werd het nieuwe station Voorhout geopend, bestaande uit twee zijperrons.
Station Warmond
Het station bevond zich tussen het station Leiden en de plek waar sinds 1981 de Schiphollijn aftakt.
Het station werd geopend op 1 november 1843 ter vervanging van de op 7 augustus 1842 geopende spoorweghalte Postbrug, die al snel gesloten was bij gebrek aan reizigers.
Station Warmond lag gunstiger ten opzichte van de bewoonde wereld. Het stationsgebouw dateerde uit 1864. Het station werd voor regulier reizigersvervoer gesloten op 22 oktober 1945, nadat er sinds de Spoorwegstaking van 1944 al geen treinen meer waren gestopt.
Vervolgens viel Warmond in de categorie "stations, niet geopend voor normaal reizigersverkeer". Van 1947 tot 1956 stopten op zondagen in het voorjaar en/of de zomer enkele treinen voor watersporters of toeristen naar de Bollenstreek.
Voor het laatst gebeurde dat op 29 april 1956. De officiële sluitingsdatum van het station was al op 14 september 1952. Het stationsgebouw werd, precies honderd jaar oud, in 1964 gesloopt. Op de plaats waar vroeger het station was, is het traject nu viersporig.
Kort voor de opening van het station vond bij Warmond op 10 maart 1843 het eerste spoorwegongeval in Nederland plaats waarbij een dode was te betreuren. Vanwege een niet goed vergrendelde brug over de Warmonder Leede ontspoorde de HIJSM-locomotief Vesta tijdens een proefrit.
24-8-2020