Hieronder staat het eerste hoofdstuk van het verhaal “Eigen Gedachten”.
Korte inhoud H1 : Terwijl het stormt buiten zit ze in de trein, ze verveelt zich en hoopt snel in Station Creek aan te komen.
Hoofstuk 1 : De Reis
Regendruppels verpestte het mooie landschap dat zich achter het raam verschool. Ook de donkere wolken en de hoge snelheid maakte het moeilijk om een scherp beeld te krijgen van de velden op de achtergrond. De plaats naast haar was vrij, maar tegenover haar zat een gezette man met een brilletje. Terwijl hij de krant aan het lezen was, gaf hij stilzwijgend zijn mening over de artikels die zijn ogen passeerde.
Om de zoveel tijd kraste er een ongeïnteresseerde stem door de luidsprekers die aangaf wat hun volgende stop zou zijn. De stem kon even goed een naam verzinnen, aangezien de bordjes van de stations toch in een aquarel veranderd waren achter het dikke glas van de wagon.
Zonder dat ze het door had keek ze meerdere keren per minuut op haar horloge die elke seconde telde. De tijd leek wel vertraagd, of gewoon achteruit te gaan. De verveling knaagde al een poosje, ook al moest ze nog een heel eind. De lamp die zachtjes flikkerde gaf alles een gelige schijn. Toch was het dak van de wagon, zo was haar opgevallen, in een andere kleur geschilderd dan de wanden die de ramen vasthielden.
De man zijn ogen hadden heel de krant opgevreten, waarop de man zelf de krant weer netjes in zijn vouwen plooide. Hij legde het papierstuk op het tafeltje dat zich tussen hem en haar bevond. Zonder een woord te zeggen haalde hij een pijp uit zijn veel te grote jaszak. Het raampje deed hij op een kier waardoor de druppels woest binnen drongen en de wind de krant bijna van het tafeltje deed opstijgen. Geschrokken deed de man het raam terug dicht en verborg hij zijn pijp.
Het korte oogcontact liet haar weten dat de man blauwe ogen had. Ook zag ze nu beter dat zijn gezicht er wat onverzorgd en ongeschoren uitzag, de kleren daarentegen waren keurig in orde. De modder aan zijn schoenen kon ze hem vergeven aangezien die van haar half uit elkaar hingen.
Het geluid van voetstappen werd hoorbaar en deed de man wat ongemakkelijk heen en weer wiebelen. Hij zocht zijn kaartje. De vetrollen vouwde zich dubbel toen hij naar zijn leren tas aan zijn voeten rijkte. Zelf stopte ze haar hand in haar broekzak waar haar vingers contact maakte met het vervoersbewijsje. Zes euro had het ontvlambaar ding gekost. De voetstappen kwamen dichterbij waarop de man met ruwere bewegingen in zijn tas zocht. Al zwetend kwam hij weer recht en hield zijn ticket met een trotse blik omhoog. Er passeerde iemand, het was niet de controleur. De man stopte het papiertje in zijn te grote jaszak, handiger voor de volgende keer dat ze voetstappen zoude horen.
Ze had het bijna gemist, maar de krassende stem kondigde wel degelijk haar bestemming aan. Zonder er al te veel bij na te denken stond ze op en verliet ze de wagon. Toen ze bij de deur stond kwam de trein tot stilstand. Ze drukte op een knop en de deur ging open. Het was donker maar de regen en de koude wind waren spoorloos verdwenen. Nee, bijna spoorloos, de grote plassen verraadde de eerdere storm. Ze draaide zich met haar gezicht naar de trein die weer langzaam het station verliet, net zoals het bij al de andere stations had gedaan. Door het raam zag ze nog net hoe de man zijn kaartje uit zijn jaszak haalde en aan de controleur gaf. Toen draaide ze zich om en liep richting het oude gebouw dat het stationsgebouw moest voorstellen. Ze liep weg van de trein die weer op volle snelheid reed naar zijn volgende bestemming. Weg van de man met de krant, de pijp en zijn nu geknipt kaartje. Weg van de zitplaats die haar verveling had opgewekt en weg van haar nabije verleden dat ze nooit meer zou zien.
Hij voelt niet onverschillig, maar egocentrisch, hij oordeelt vanuit zijn eigen visuele vermogen tot in detail. Maar zijn grootste zorg is hij zelf. Hij heeft zijn moeder verloren, maar toont geen berouw. Hij heeft meer last van de mensen die verdriet hebben en het landschap waar hij doorheen moet om naar de kerk te gaan. De hitte vind hij maar niets. In de ochtend dacht hij aan zijn collega’s die naar hun werk moeten, terwijl hij nog de aarde en de frisse lucht ruikt, naar het werk gaan is voor hem de zwaarste taak van de dag.
Voor iemand die onverschillig is gebruikt hij wel veel benamingen voor “mooie” lucht inplaats van lucht ect..
‘De soep is te zout.’ Het kantinemeisje slaakt een diepe zucht.
‘Wat zeg je?’
‘De soep is te zout’, herhaal ik.
Ik zet het plastic bakje met champignonsoep voor haar neus neer. Ze gooit haar hoofd naar achter en draait een knot in haar haar. Ik heb haar nog nooit met een knot gezien. Het staat best leuk.
‘Dat is dan ontzettend jammer’, zegt ze en ze wenkt de volgende klant.
Nu moet ik doorzetten.
‘Ik wil mijn geld terug.’ Ik probeer kracht bij mijn stem te zetten. In plaats daarvan slaat hij over.
Ze kijkt me aan alsof ze me liever dood wil hebben.
‘Dat kan niet,’ zegt ze. ‘Je hebt er al uit gegeten.’
Ja, natuurlijk had ik er al uit gegeten. Anders had ik ook niet geproefd hoe zout de soep wel niet was.
‘Dan wil ik andere soep’, zeg ik. ‘De kerriesoep graag.’ Ik voel mijn onderlip trillen en hoop dat niemand het ziet.
Het kassameisje draait zich om op haar bureaustoel. ‘Karel wil jij dit meisje alsjeblieft even wegsturen?’
‘Joe’, zegt Karel. Hij zet de kartonnen doos met mueslirepen op de grond neer en komt op me af gesjokt. Ik ben voor veel dingen bang, maar Karel ziet er alles behalve angstaanjagend uit.
‘Wat is er aan de hand?’
‘Mijn soep is te zout. Ik wil mijn geld terug of kerriesoep.’ Dat kwam er best zelfverzekerd uit, al zeg ik het zelf.
‘De kerriesoep is inderdaad heerlijk’, zegt Karel blij. ‘Ik heb hem zelf gemaakt.’
Het kassameisje kijkt Karel nu net zo vernietigend aan als dat ze net naar mij keek.
Ik bedenk me dat ik niet op Karel zou kunnen vallen. Hij lijkt immers niet op een model, en ik val alleen op modellen.
Maar ach.
Wat maakt het uit.
Stroop vangt meer vliegen dan azijn.
In mijn vorige opleiding op de Arteveldehogeschool studeerde ik voor leraar secundair onderwijs in geschiedenis en Engels. Als leraar kan je niet anders dan de kunst van goede vragen stellen beheersen. Op toetsen en examens moet je de vragen zo opstellen dat een eenvoudig antwoord zoals ja of nee uitgesloten is. In het begin van mijn vele stages merkte ik keer op keer dat ik de fout maakte om suggestieve vragen of gesloten vragen stellen. Dit creëerde een situatie waarbij er weinig spannends gebeurde of je veel eer vragen moest stellen. De leerling in kwestie kan makkelijk antwoorden en voegt weinig constructiefs toe aan de les. Al doende groeide ik hierin en merkte ik dat door goeie open vragen met sturing te stellen er vaak interessante antwoorden kwamen.
De retorische vraag is ook een klassieker. Wanneer een leerling vervelend deed merkte ik dat de volgende retorische vragen vaak tevoorschijn kwamen:
'Je denkt toch niet dat ik iedere keer op jou ga wachten tot je gestopt bent met praten?'
'Hoeveel keer moet ik het nu nog zeggen?'
'Ga je daar eens mee stoppen?'
De samenvattende vraag gebruikte ik ook vraag om alles voor iedereen nog eens duidelijk te maken, maar ook voor mezelf. Zo kan je alles nog eens samenvatten en verduidelijken wat de ander wil zeggen. Ik doe dit vrij vaak.
Doorheen de jaren kan ik wel zeggen dat ik efficiënter ben geworden in vragen stellen. Ik moet nu minder vragen stellen dan vroeger om een bepaald antwoord te verkrijgen. Mijn opleiding en vooral mijn leraarspraktijk zal daar ongetwijfeld positief aan meegedragen hebben.
Afgelopen vrijdag heb ik mijn eerste hoofdstuk opgestuurd voor feedback naar Joke en Isabella. Vandaag kreeg ik een email van Isabella met daarin haar feedback. In de bijgevoegde Dropbox link is haar feedback te lezen samen met het eerste hoofdstuk.