Een aarzelende klank, als van een voorzichtig vallende viool, snijdt door de overige geluiden van de ochtend. Een vogel zingt in een van de bomen uit het nabijgelegen parkje. Iemand gaat met een ruwe bezem de straatstenen te lijf. Ergens schreeuwt een kind huilend om aandacht. Er is vast nog veel meer te horen als hij er even de tijd voor zou nemen, maar momenteel is hij te overdonderd door de sensationele ontdekking die hem als een complete verrassing overspoelde wanneer hij zopas wakker werd: hij kon weer horen!
Overmand door een hartstochtelijke vreugde rukt hij de lakens opzij. Hij springt uit zijn bed, gooit de deur van zijn slaapvertrek open en roept: "Ik hoor! Hoort ge 't?" Er komt geen reactie, wat zijn enthousiasme een tijdlang tempert, maar vervolgens stormt hij de trap af naar de woonkamer. Daar zit zijn beste vriend aan de schrijftafel die ze om beurten gebruiken om brieven neer te pennen. "Stephan! Ik hoor! Het is een wonder, een mirakel!" roept hij. Een omvallende inktpot, een wervelwind van briefpapier en een innige omhelzing waar de elektrische vreugdevonken vanaf vliegen.
Hij aarzelt. Wat als er een vloek op zijn vingers rust? Wat als hij een toets beroert en de goden dat net zo interpreteren als het omkijken van Orpheus? Stephan ziet de twijfel in de vingertoppen van zijn geniale vriend. Hij legt een hand op zijn schouder en knikt. "Toe maar. Speel." Dan laat hij zijn vingers in het tapijt van ivoor en ebbenhout zakken. Zijn ogen vullen zich met klaterende tranen, zijn hoofd met een sterrenhemel. Daar is ze weer, zijn machtige minnares, zijn gevende godin, zijn kwellend katijf. Muziek. Altijd weer muziek.
Er raast iets door zijn lijf. Het is een heftig vuur dat aan hem vreet, opflakkerend; een dwangmatige drang die hem drijft. Hij kan niet stoppen met spelen, hij moet alle tonen kunnen tonen, alle klanken kunnen kleuren, of ze nu uit zijn hoofd komen of uit dat van een ander: het maakt niet uit. Ophouden behoort niet tot de mogelijkheden en gulzig stort hij zich op het klavier dat voor hem ligt. Onstuimig razend schuift hij de confrontatie met het aankloppende noodlot voor zich uit. Omkijken? Geen denken aan!
Wat ruikt hij toch? Is dat brandlucht? Zijn vingers worden moe; ze verkrampen en beginnen te tintelen, maar hij houdt niet op. De klankenstroom moet doorgaan, hij is nog lang niet uitgespeeld in dit sprankelende oord van gelukzaligheid, dit heiligdom van melodie en begeleiding dat hij eindelijk weer mag betreden. Hier heeft hij zo ongelooflijk lang op gewacht! Toch wordt de geur van iets dat verbrandt steeds duidelijker en de tinteling in zijn vingers steeds pijnlijker. Er stroomt een hitte door zijn handen, langs zijn armen, naar zijn hart. In zijn mond proeft hij een kopersmaak. Was die daar ook al bij het ontwaken? Een rode waas hangt voor zijn ogen, hij ziet niet langer wit en zwart of klinkende kleuren. Wordt zijn blik nog steeds door tranen vertroebeld?
Dan stokt alles.
Dan stopt alles.
Dan staat alles ...
stil.
Hij kijkt op. Zijn vingers zweven trillend boven de toetsenrij. Hijgend voelt hij hoe zijn schouders op en neer gaan. Of ... wacht. Nee: er wordt aan zijn schouders geschud! Waar is ze heen? Zijn Elise, zijn dochter uit Elysium? Wat is dit voor een grap? Welke zinsbegoocheling heeft zich van hem meester gemaakt? Waarom wordt hij zo gekweld door die vader die boven de sterren woont? Hij kijkt op, smekend. Door zijn stille tranen ziet hij enkel Stephans mond. "Ludwig?"
Freude, schöner Götterfunken?
Godverdomse godenvonk.