Dertien is een praktische maat. Lang genoeg om iets kwijt te raken, kort genoeg om te doen alsof je het nog weet.
Ik kwam haar laatst weer tegen. Niet fysiek - zo werkt dat niet meer - maar als ruis. In een herinnering die zich niet laat updaten. Ze stond daar nog precies zoals toen: op dezelfde hoek van dezelfde zin, wachtend tot iemand hem afmaakt. Sommige mensen bewaren hun verleden niet; ze blijven erin wonen.
Ik ben verder gegaan. Dat klinkt opschepperig, maar het is vooral logistiek. Werk, kinderen, een huis met een gang die altijd licht nodig heeft. Het soort leven dat zichzelf uitlegt zonder dat je erbij hoeft te zijn. Tijd is daar geen vijand maar personeel: hij regelt dingen, schuift door, ruimt op.
Zij bleef vragen stellen. Jarenlang. Eerst hard, dan zacht, dan via omwegen. Alsof er ergens een vergeten versie van mij lag die nog antwoord verschuldigd was. Maar ik archiveer mijn vorige levens. Niet uit wreedheid, eerder uit efficiëntie.
Wat mensen “gebruik” noemen, noem ik vaak een misverstand over richting. Twee mensen kijken niet altijd dezelfde kant op, zelfs niet wanneer ze naast elkaar staan. Dat maakt de één niet schuldig en de ander niet heilig. Het maakt het vooral voorbijgaand.
Soms denk ik dat stilstand zich vermomt als trouw. Dat het zich presenteert als volhouden, als vasthouden, als diepgang zelfs. Maar wie lang genoeg blijft staan, wordt decor. Onopgemerkt, maar altijd zichtbaar voor wie weigert verder te lopen.
Ik heb geleerd dat vooruitgang geen bewijsstuk nodig heeft. Ze toont zich vanzelf: in stemmen aan tafel, in agenda’s die te vol zijn om terug te bladeren, in het ontbreken van vragen waarop je ooit dacht te moeten antwoorden.
Misschien is dat de echte afstand tussen toen en nu. Niet wat er gebeurd is, maar wie er nog op wacht.









