18 maart 2019 stuitte ik tijdens een bladersessie op het wereldwijde web op een prachtige foto van de Britsche fotograaf Will Burrard-Lucas. Op de foto stond een gigantische olifant, ‘the Elephant Queen’, met navenante slagtanden afgebeeld. Het indrukwekkende beest straalde een en al kracht uit. Een olifant in optima forma. De keuze van de fotograaf om de foto zwart-wit te schieten voegde de nodige dramatiek toe aan het beeld. Maar het werd pas echt dramatisch toen ik in het bijschrift las dat er op de hele aardkloot, hoofdzakelijk als gevolg van de ivoorhandel, nog maar 30 van dat soort olifanten rondlopen. Voor zulke slagtanden moet een olifant namelijk behoorlijk oud worden.
Op dit moment is de handel in olifanten-ivoor om jacht en stroperij tegen te gaan gelukkig aan strikte banden is gelegd. Door dit beleid is er, vooral in China, blijkbaar kan men daar niet zonder ivoor, een dringende behoefte aan een surrogaat. En dat surrogaat is gevonden in het permafrost van Siberië. Daar barst het namelijk van de fossiele mammoetslagtanden. En als je weet dat voor een beetje mammoetslagtand op de Chinese markt al snel 30.000 ballen wordt neergelegd, snapt je dat er in Siberië ivoorkoorts heerst! Hordes ivoorjagers kammen met steeds drastischere methodes het Siberische permafrost uit.
Maar wat veel mensen niet weten is dat je voor mammoet-ivoor helemaal niet niet naar Siberië hoeft. Voor mammoet-ivoor kun je gewoon in ons eigen land terecht. Op de gesuppleerde stranden van de Maasvlakte en Zandmotor is het prima te vinden. Weliswaar behoorlijk gefragmenteerd, op complete slagtanden hoeft u niet te rekenen, maar dat mag de pret niet drukken. Ook de kleine stukken vertegenwoordigen, al is het vooral natuurhistorisch, een waarde. Zeker wanneer je ze een beetje kunt duiden.
Een stuk ivoor uit eigen land gevonden op de Zandmotor bij Ter Heijde.
Om wat meer te weten te komen over de fragmenten ivoor die we op onze stranden vinden, is het handig te weten hoe een slagtand is opgebouwd en hoe hij in de kaak steekt. Aan de hand van vorm en structuur valt namelijk het een en ander te bepalen. Zo kun je aan de hand van een patroon van lijnen in het ivoor bepalen of we te maken hebben met ivoor van een slurfdrager en, zo heb ik begrepen, of het olifanten of mammoetivoor betreft. Ook kunnen we aan de hand van het patroon en met kennis van de anatomie van de slagtand globaal bepalen uit welk deel van de tand een fragment afkomstig is.
De slagtanden van slurfdragers, het geslacht Deinotherium buiten beschouwing gelaten, zijn niets anders dan een paar verlengde en immer doorgroeiende bovenkaakse snijtanden: het tweede paar om precies te zijn. De anatomie van de slagtand verschilt qua concept dan ook niet van normale snijtanden. Net al een gewone tand heeft de slagtand: een tandholte gevuld met tandmerg, een zenuwkanaal, tandbeen, tandemail en cement om het te verankeren in de kaak. Het enige dat ontbreekt is een overtuigende wortel. In plaats daarvan is het proximale uiteinde dat in de kaak steekt slechts wat grover geribbeld. Aan de andere kant, als we het puur anatomisch vergelijken, zouden we de slagtand ook kunnen zien als een enorme buiten het tandvlees tredende wortel. Van een slagtand is namelijk alleen de uiterste puntje, als dat niet is afgesleten, bedekt met email en dus de kroon. De rest is, net als bij ons de wortel, bedekt met cement.
Een mensentand (I) vergeleken met een slagtand (II) van een slurfdrager en een aantal dwarsdoorsnedes van een slagtand (III) vergeleken met elkaar (A, B, C, D en E). Vergeleken worden de positie van: email (1), pulpaholte (2), cement (3) en tandbeen (4).
Aan de hand van de globale anatomie kunnen we dus al een aantal zaken vaststellen. Vind je een stuk ivoor dat in diameter compleet, massief en sterk kegelvormig is, dan moet het afkomstig zijn uit het voorste deel van de tand. Zo niet dan is het stuk afkomstig uit het middelste gedeelte.
Helaas niet compleet in diameter, maar wel massief en kegelvormig. Dit stuk is van het uiteinde van een slagtand: de punt.
Is het stuk in diameter compleet maar deels hol dan betreft het een deel met pulpaholte. Vind je een stuk met pulpaholte en prominente ribbels aan het einde, dan heb je te maken met een proximaal uiteinde.
Ook niet in diameter compleet, maar toch is duidelijk zichtbaar hoe de pulpaholte heeft gelopen. Zo te zien was het een zeer ondiepe pulpaholte wat wijst op een oud dier. De prominente ribbels wijzen op een proximaal uiteinde.
Heeft het stuk email, wat niet vaak het geval is, dan kan het alleen de uiterste punt betreffen. Een puntje van naar alle waarschijnlijk een jong dier. Het email bij slurfdragers slijt door gebruik namelijk redelijk snel van de tanden en wordt niet meer opnieuw aangemaakt.
Een klein stuk ivoor met email.
Ruwweg zijn er drie type weefsel binnen de slagtand te onderscheiden: het email, het cement en het tandbeen of dentine. De kenmerken van dit weefsel kunnen helpen bij het plaatsen van fragmenten. Vind je een stuk ivoor met een duidelijke harde glanslaag dan heb je te maken met email, heeft het stuk een licht geribbeld patroon dan betreft dit of de buitenste rand van het tandbeen of het cement. Welke van de twee valt te bepalen aan de hand van de schreger-lijnen. Zijn deze lijnen zichtbaar, dan heb je te maken met tandbeen.
Tandbeen uit een slagtand van een mammoet met duidelijk zichtbaar het Schreger-patroon
De cementlaag van een slagtand van een mammoet. Hier is het Schreger-patroon niet zichtbaar.
Het tandbeen van olifant- en mammoetslagtanden wordt gekenmerkt door een ruitachtig patroon. Een patroon dat gevormd wordt door lijnen die vanuit het centrum van de tand naar de buitenkant lopen. Doordat de ene lijn naar links buigt en de andere naar rechts vormen ze samen een ruitachtig patroon. Een patroon dat kenmerkend is voor het ivoor van slurfdragers. Wie het patroon nader bestudeerd, kan drie patronen herkennen. Dicht bij het centrum of de pulpakamer van de tand vormen de lijnen een V-patroon, dit patroon gaat langzaam over in een X-patroon en eindigt richting het oppervlak in het C-patroon. Door de hoeken die de lijnen maken te bestuderen, kun je tot op zekere hoogte bepalen met welke slurfdrager je van doen hebt. Hoe dat precies werkt dat is voor de specialisten, daar ga ik niet verder op in, mocht je het willen weten dan verwijs ik u met alle plezier door naar de verhandeling ‘Histogenesis of the unique morphology of proboscidean ivory’ van Attila Virág. Maar handig om te onthouden is, dat je met behulp van het schreger-patroon het ivoor van slurfdragers kunt onderscheiden van het overige spul zoals: zwijnen, nijlpaard en walrustand.
Een punt uit een slagtand van een slurfdrager: (1), pulpaholte (2), V-patroon (3) X-patroon, C-patroon (4) en cement (5).
Je eigen stukje mammoet-ivoor
Mocht u nu geïnteresseerd zijn en ook zo’n stuk mammoet-ivoor willen hebben, dan kan ik u dus een wandeling over de Zandmotor aanbevelen. Zelf heb ik daar al de nodige stukken gevonden. Mocht u daar nou helemaal geen zin in hebben, dan moet u in de buidel tasten en misschien wel snel ook. Het zou zomaar zo kunnen dat de handel in mammoet-ivoor nog dit jaar verboden wordt. Om te voorkomen dat handelaren olifanten-ivoor onder het mom van het legaal mammoet-ivoor vervoeren wil men de mammoet op de CITES-lijst plaatsen. Als dat doorgaat is de mammoet het eerste beschermde uitgestorven beest en kan het haast niet dat de prijs van ivoor door het plafond schiet. Voor wat dat u waard is.
Een merkwaardige slagtand van de wolharige mammoet, Mammuthus primigenius (Blumenbach, 1799), uit de Noordzee
Mammoth ivory technologies in the Upper Palaeolithic: a case study based on the materials from Yana RHS, Northern Yana-Indighirka lowland, Arctic Siberia
3-D scans reveal mammoth tusk growth
If Mammoth Tusks Could Talk
Ivory : Genuine, Fake, and Confusing
Histogenesis of the unique morphology of proboscidean ivory
Ivory Identification Guide