Zijn moeder noemde hem altijd al 'haar hulpje'. Als er bezoek kwam, zorgde hij voor de koffie, vroeg hij wat voor gebak de mensen wilde en zette het zo net mogelijk voor hen op tafel. Tom was een geboren horeca-man. Het verbaasde dus ook niemand dat hij op zijn twaalfde al in het eetcafé, verderop in de straat een baantje vond als afwasser in de keuken. Eigenlijk veel te jong, maar hij was zo gemotiveerd dat Willem, de eigenaar van eetcafé 'De Vrouw met de Pollepel' hem niet kon weigeren.
Hij leerde snel en wilde ook alles leren en kunnen doen. Als afwashulp, in de bediening, als barman, maar ook in de keuken leerde hij snel en was hij een super-medewerker. In elk horecabedrijf in de omgeving (en ver daar buiten), kon hij meteen terecht en kiezen welke functie hij zou willen. Op zijn 21e was hij bedrijfsleider over een van de grootste eetcafés in de stad.
De volgende stap zou natuurlijk een eigen zaak zijn. Een eigen Grand Café waar hij al zijn ideeën over de horeca kon uitvoeren, waar hij échte gastvrijheid kon laten zien.
Hij had er al berekeningen op los gelaten. Nog vijf jaar zou werken en alles sparen, dan moest het mogelijk zijn om dat eigen cafeetje te kopen en van daar uit verder te bouwen aan zijn eigen horeca-imperium. Met hard werken en geduld zou het zeker moeten lukken.
Totdat hij op een dinsdagochtend tijdens een van zijn wandelingen een keer een nieuwe route, een nieuwe afslag koos. Hij liep meestal een van zijn standaard-rondjes, maar juist die ochtend wilde hij wat anders. De vorige avond was hij gefrustreerd naar huis gegaan na zijn werk. Hij wist zeker dat het bedrijf beter kon lopen als hij precies mocht doen wat hij wilde, maar de eigenaar bleef hem micro-managen en eiste dat hij precies zó werkte als was vastgelegd in de personeelshandleiding.
Hij wist het zeker, als hij een eigen bedrijf had, zou hij het anders doen. Altijd open staan voor nieuwe ideeën, nooit als vanzelfsprekend uitgaan van zijn eigen gelijk. Alleen zo kon je een schitterend bedrijf opbouwen. Alleen zo kon je jezelf blijven verbeteren.
Terwijl hij zo liep te mijmeren was hij aan de rand van het bos aangekomen. En aan die rand lag een herberg. De achterkant gelegen tussen de bomen, de voorkant uitkijkend op de glooiende heuvels en weilanden tussen het bos en het stadje waar hij woonde. Als je niet goed oplette zou je denken dat het een oud boerderijtje was. Een rieten dak in het midden een beetje was ingezakt, op plekken helemaal groen van het overgroeide mos. Aan de voorkant een wat scheef hangende deur en daarnaast twee kleine raampjes. Voor de herberg, wat je met heel veel fantasie een 'terras' zou kunnen noemen, stonden twee bankjes. En boven de deur hing een bordje: 'De Herberg op de Rand'.
Hij had altijd gedacht dat hij elk restaurant, elk cafeetje, elke lunchroom in de regio kende, maar deze was nieuw voor hem. Deze had hij nog nooit gezien. En natuurlijk moest hij dan even kijken...
Hij liep naar de scheef hangende deur en klopte aan.
'Volluk', riep hij. En toen hij niks hoorde nogmaals: 'Goei Volluk!'
'Kom-t-erin', hoorde hij van de andere kant van de deur. Er was dus iemand binnen...
Hij duwde de deur open, zonder de kraak die hij eigenlijk verwachtte en liep de herberg binnen. Het was er donker, maar met zo'n kleine raampjes kan dat niet anders. De paar tafeltjes die er stonden werden verlicht door wat kaarsen. Aan de muren hingen olielampen, maar die waren nog niet aangestoken, misschien waren die voor de avonden. Tegenover de deur, waardoor hij was binnen gekomen, stond een bar, bruin, met wat kleedjes erop en er achter een man voor wie het woord 'kastelein' was uitgevonden. Handdoek in zijn hand en glazen poetsend.
Tom pakte een barkruk en schoof aan. Terwijl hij een koffie bestelde keek hij verder rond door de kleine herberg. Nergens reclame-uitingen voor wat dan ook. Geen borden met bier-reclame, tafelzetters van Nestea, barkleedjes Carlsberg. Alles wat hij zag leek authentiek en echt. Het voelde helemaal niet als een café, eigenlijk was het meer een huiskamer. Gerieflijk was een woord dat in hem op kwam.
'Ik heb u hier nog nooit gezien', zei de kastelein. 'Welkom Op de Rand'.
'Als ik eerlijk ben, heb ik jullie ook nog nooit gezien', zei Tom. 'Ik dacht dat ik elke horecagelegenheid in de wijde omgeving wel kende en had gezien, maar deze is toch nog nieuw voor me'.
'Toch zitten we hier al een hele tijd', zei de kastelein, terwijl hij onverstoorbaar glazen bleef poetsen. 'Ik denk zelfs dat we de oudste herberg in de omgeving zijn, maar we maken daar niet zoveel praat over. We liggen hier net op de Rand en we worden nogal eens over het hoofd gezien. In het begin was dat problematisch, maar uiteindelijk hebben we van dat nadeel ons voordeel kunnen maken en ons marktgebied toch vergroot'.
Er ontstond er een goed gesprek tussen de twee horeca-mannen. Over gastvrijheid, over het aanbieden van nieuwe producten, over vreemde klanten, vaste klanten en verschrikkelijke klanten.
Na anderhalf uur praten over de voors en tegens van de horeca moest Tom weer verder. Zijn dienst zou over twee uur weer beginnen en hij moest nog een heel eind wandelen.
'Jij bent niet blij op je werk, nietwaar?', zei de Kastelein toen Tom wilde afrekenen. 'Je voelt je niet gewaardeerd.'
'Is het echt zo duidelijk?'
'Je hebt het laatste half uur over niks anders gepraat. Alleen maar over je ideeën en hoe die stuk voor stuk genegeerd worden door je baas. Zoek je iets nieuws? Zou je hier aan de Rand aan de slag willen?'
'In zo'n kleine herberg? Ik heb eigenlijk hele andere plannen. Een eigen Grand Café. Niet persoonlijk, maar dit zou voor mij toch een stap terug zijn'.
'En als ik je nu alle vrijheid geef? Je wordt bedrijfsleider en mag hier doen wat je wilt? De Baas vindt alles goed wat ik hier regel. Wil je misschien een avond komen proberen? Kijken hoe het hier werkt aan de Rand?'
Tom was geïntrigeerd, had eigenlijk wel oren naar een hele andere uitdaging. En een avond meekijken? Wat had hij te verliezen?
De volgende dinsdagmiddag liep hij over het pad naar de herberg. Twijfelend. Wat ging hij eigenlijk doen? Dit kon hij toch niet serieus overwegen? Die kleine, donkere herberg, dat paste toch helemaal niet bij hem?
Hij zou even binnenlopen om te kijken, maar daarna snel weer gaan. Nog een paar jaar doorbijten bij zijn onhandelbare baas en dan kon hij echt voor zichzelf beginnen.
Toen hij binnen kwam in de herberg Aan de Rand, stonden alle stoelen nog op de tafels. De Kastelein had, net als de vorige keer, een handdoek vast en was glazen aan het poetsen.
'Ah, goed dat je er bent, Tom. Heb je er zin in?'
Tom liet een onduidelijke Mwaaah horen. 'Ik ga het zien', zei hij. 'Het is zo anders dan dat ik gewend ben'.
'De herberg is wat klein', zei de Kastelein', maar de gasten maken straks alles goed. 'Ieder een eigen verhaal, sommigen een hele eigen handleiding'.
'Oh, hebben jullie vaak problemen met gasten hier?'
'Nee, niet op die manier. Je zult wel zien wat ik bedoel.'
Op het grote bord aan de muur stonden de dagspecialiteiten van die dag. Appeltaart, mede, bloedworst op brood. En een gedichtje.
In de Herberg aan de Rand
Kun je zijn wie je bent
Kun je doen wat je kent
Maar om eenieder te laten aarden
Laat je elke bezoeker in hun waarde
Anders gooit de Kastelein je buiten en zul je de rest van je miserabele bestaan niet meer binnen mogen komen en helpt zelfs smeken of bidden of het aanbieden van wonderbonen of andere omkoopmiddelen niet. En we zullen het zeker niet hebben over chantage want dan...
De lettertjes van de laatste zin van het gedichtje werden steeds kleiner en kleiner en kleiner totdat Tom het niet meer kon lezen. Maar de zin ging nog wel even door.
'Moet je ooit mensen buiten gooien?', vroeg Tom.
'Eigenlijk nooit meer. De laatste was een dwerg die het gemunt had op het goud van mijn gasten. Die komt er niet meer in.'
'Dwerg? Volgens mij noemen we dat tegenwoordig een Liliputter. Of is Klein mens de politiek correcte term?'
'Voor mij is een dwerg een dwerg', zei de kastelein. 'Baard, lompe laarzen, geobsedeerd door goud. Dwerg.'
'Haal jij vast de stoelen van de tafels?', vroeg de Kastelein, 'Sommige stamgasten komen erg vroeg.'
De Kastelein had het nog niet gezegd of de deur ging open. Een grote man, een hele grote man verduisterde het deurgat. Eerst kwam zijn linkerschouder naar binnen, daarna zijn rechterschouder en volgde de rest van zijn lichaam. Geen dwerg, was het enige wat Tom kon denken, terwijl hij de man aanstaarde.
'Goeiemiddag Dorus', zei de Kastelein.
Het klonk in ieder geval als Dorus. De gigantische man bromde wat terug naar de Kastelein en ging op een barkruk zitten, aan het eind van de bar.
De Kastelein pakte een glas, formaat emmer, vulde deze met mede en zette deze voor Dorus neer. Die nam het glas aan en nam een een flinke teug. Toen het glas de toog raakte was het nog halfvol. Of halfleeg, het is maar hoe je het bekijkt.
Tom zette de laatste stoel onder een tafel en ging naast de Kastelein achter de bar staan. In het volgende half uur liet de Kastelein Tom zien waar alles stond en legde hij hem uit hoe de apparaten werkten. Terwijl hij dit deed vulde hij elke paar minuten het glas van Dorus. Thorus? Zo klonk het toch.
Toen hij alles had uitgelegd, zei de Kastelein dat hij even weg moest. 'Je redt het hier wel een uurtje zonder mij, toch? Met jouw ervaring moet dat geen probleem zijn'. De Kastelein hing zijn handdoek op, sloeg een mantel om zijn schouders en wandelde naar buiten.
En zo stond Tom ineens in zijn eentje in de Herberg aan de Rand. Hij keek om zich heen. Dorus zat wat met zijn glas te spelen en gunde hem geen blik. Er was nog niks om op te ruimen, dus pakte hij maar een doek en begon hij de bar wat te poetsen.
In het uur dat volgde liep de herberg langzaam vol. Een paar mensen die hij ook wel eens op zijn andere werk had gezien, maar ook heel veel vreemden. Echte vreemde vreemden.