Ward Wijndelts: 'Je moet jezelf niet van schoolbus naar Ferrari willen ombouwen'
Door: Rutger Otto
Het nieuwe NRC-gebouw staat tussen het Spui en de Dam in. Beneden huist het NRC-café, daarboven is de redactie. Om binnen te komen meldde ik me achterom bij de receptie.
Ik had afgesproken met Ward Wijndelts, die zich tegenwoordig bezigt met nieuwe kanalen te zoeken om NRC aan lezers te binden. Een succesvol voorbeeld is NRC Reader; de app die dagelijks acht artikelen uit de NRC aanbiedt aan abonnees van de dienst. Wijndelts komt uit de kunst- en literatuurhoek; hij schreef veel voor de boekenbijlage in de krant en interviewde hiervoor verschillende schrijvers.
We gaan de trappen op. Ik met pasje, want zonder is de redactie verboden toegang. We nemen plaats in een nis vlakbij zijn bureau. Naast het experimenteren met vormen om content van NRC digitaal te verpakken, is Ward Wijndelts bezig met een project waarmee hij nieuwe machthebbers in kaart brengt. “Dit zijn belangrijke internet-ondernemers, bloggers, denkers en ga zo maar door”, zegt Wijndelts. “De mensen achter de apps die je op je smartphone gebruikt, van Twitter, Google, Buzzfeed, Evernote.” Als hij deze invloedrijke mensen te pakken krijgt, stelt hij ze één vraag: “Welk boek heeft jou het meest beïnvloed?” Een simpele vraag die rijke antwoorden oplevert. “Het spreekt die mensen aan in hun evangeliseerdrift en het is een soort ijdelheid, want zij kunnen andere mensen laten zien wat ze mooi vinden. En als fan van diegene kun je het boek vervolgens gaan lezen.”
Ward Wijndelts vertelt aan één stuk door. Over zijn eerste interview als twintigjarige met Gerrit Komrij, die uitmondde in een ‘tamelijk legendarische avond’. Over hoe hij als student Letterkunde voor faculteitsbladen schreef en uiteindelijk bij de krant terecht is gekomen alwaar hij over boeken begon te schrijven. Tijdens elk verhaal waaiert Wijndelts weer uit naar iets anders dat hem te binnen schiet en zo begeven we ons ineens in een minicollege over het uitwerken van interviews.
“In het begin tikte ik mijn opgenomen bandjes woord voor woord uit”, begint hij. “Wat ik daarvan geleerd heb, is dat dat niet de basis is voor je stuk. Dat werkt niet. Wat ik nu doe is: terugluisteren, ondertussen in de kantlijn aangeven wat interessante onderwerpen zijn, vervolgens de structuur bedenken en na een halfuurtje rondwandelen weet ik hoe ik het op ga schrijven.” Volgens Wijndelts is de crux om in eigen woorden op te schrijven wat iemand bedoelt, in plaats van letterlijke redeneringen over te tikken. “Ik heb ooit zelfs een voorbeeld genomen, dat diegene niet gebruikt had. Ik legde iemand ‘Vishandel G. van Es in IJmuiden’ in zijn mond”, lacht hij. “Ik kreeg later nog bericht dat hij het precies zo had bedoeld.”
Ward Wijndelts laat zijn interviews vaak nog door de geïnterviewde lezen, maar niet iedereen wil dat. “Een vriend van me interviewde ooit Frits Bolkestein”, herinnert Wijndelts. “Die zei aan het eind van het gesprek: ‘Ik wil dat stuk niet zien. Als er fouten in staan, heeft u uw werk niet goed gedaan.’ Dat is andere een manier van ernaar kijken en eigenlijk wel een mooie manier ook.”
Van achteraf uitspraken terugdraaien, moet Wijndelts niets hebben. “Als je als geïnterviewde met iemand van de krant spreekt, moet je dat met dezelfde alertheid doen als wanneer je live iets op tv zegt. Je zit tegenover een journalist die alles wat jij zegt in principe mag gebruiken. Alsof het live in de krant getikt wordt.” Hij geeft toe dat het een ideaalbeeld is. “Mensen hebben de neiging om alles te willen zeggen en naderhand terug te krabbelen.”
Toch is Ward Wijndelts er nooit op uit om daarover te ruzieën. “Ik vind het jammer als iemand boos is omdat diegene niet tevreden is met het eindresultaat”, zegt hij. “Terwijl je ook het soort journalist kan zijn die daar blij om is. Zo van: ik heb je! Met de billen bloot!” Dat wil niet zeggen dat Wijndelts niet van onthullingen houdt. “Je kan een goed interview houden waarbij die persoon het gevoel heeft dat hij meer heeft gezegd dan hij misschien had willen zeggen en dat er meer wordt onthuld dan hij zelf het liefst had gezien, maar waarbij de geïnterviewde er toch een goed gevoel aan overhoudt. Als je een fantastisch stuk schrijft maar de geïnterviewde persoon wil je nooit meer spreken, heb je het naar mijn mening niet goed gedaan.”
Over slechte interviews gesproken. “Ik vind dat er momenteel nauwelijks goede interviews op de Nederlandse televisie komen”, zegt Wijndelts. “Neem iemand als Sven Kockelmann. Dat vind ik één van de slechtste interviewers die ik ken. Bij hem gaat het om heel andere dingen dan een goed interview afnemen. Het gaat erom dat hij mensen zó intimideert, dat ze stilvallen en hij ‘wint’. Het heeft helemaal geen zin wat hij doet.”
“De kern van interviewen is uiteindelijk om iets van iemand te laten zien, wat diegene probeert te verbergen”, antwoord Wijndelts op de vraag wie hij dan wél een goed interviewer vindt. “Ischa Meijer kon dat als geen ander.” Hij vergelijkt zich niet met hem. “Ik zou graag wat provocatiever zijn, maar je moet jezelf niet proberen om te bouwen van een schoolbus naar een Ferrari. Met mijn aanpak kan ik soms ook bevredigende resultaten halen. Ik ben gezond jaloers op mensen die anders zo uit balans kunnen brengen en het vuur aan de schenen kunnen leggen.”







