Paard het artefact op benen
Vroeger had een paard gewoon een bek. Een paardenbek wel te verstaan. Ook had hij een kop en net als ieder ander beest, de amoeben en andere pootlozen buiten beschouwing gelaten, poten. Tegenwoordig niet meer. Tegenwoordig heeft het paard: een mond, een hoofd en benen. Vreemd, want ogenschijnlijk is er niets aan dat beest veranderd; de grotten van Lascaux getuigen. Maar die schijn bedriegt. Het paard is wel degelijk veranderd. In de loop der jaren is het paard met regelmaat gewijzigd; door de mens klantaangepast. En dat is maar goed ook! Deze aanpassingen waren de redding voor de soort.
Het wilde paard
Tijdens het Pleistoceen was het wilde paard (Equus ferus) een succesvolle bewoner van de open vlaktes. Van Mongolië tot aan hier galoppeerden er enorme aantallen. Ze hielden zich op in famieliegroepen en deden zich te goed aan gras. Lange tijd leek er geen vuiltje aan de lucht. leek, want het tij keerde. Door klimaatveranderingen aan het eind van het Pleistoceen raakten de wilde paarden in de verdrukking. Hun habitat werd door bos overwoekerd. Grasland verdween en daarmee ook steeds meer paarden. De populatie slonk tot een schijn van wat het ooit geweest was, maar hield met veel inspanning stand.
Toch ging het uiteindelijk mis. De wilde paarden konden zich niet handhaven in de snel veranderende wereld. In 1887 stierf het Europese wilde paard, de tarpan, uit en halverwege de 20e eeuw werd het przewalskipaard, de laatste van zijn soort, als uitgestorven in de annalen opgenomen. Abusievelijk, want een kleine populatie was de dodendans ontsprongen. Dertien stuks om precies te zijn. Zij hadden zich wijselijk laten vangen en opsluiten in de dierentuin, waar zij door de mens in leven werden gehouden, gefokt en klaargestoomd om te re-integreren. Met succes, kijk maar in natuurpark Lelystad, maar uiterst onnatuurlijk.
De natuurlijke gang van zaken is, in tegenstelling tot wat veel paardenliefhebbers doen, achter een paard aan rennen en hem opjagen of, beter nog, het beest vanuit een hinderlaag overmeesteren. Daarna een fatale klap toedienen, of iets anders van dien aard. Om vervolgens met smaak of puur uit noodzaak het beest te verorberen. Van origine is het paard namelijk een prooidier, uitverkoren om op te eten.
Het nuttige ros
In een ver verleden snapte men dat. Men waardeerde het paard gewoonweg om zijn vlees. Ze verwachtten er niet meer van; een prooi als alle anderen. Zelfs de eerste jaren na de domesticatie werd het paard louter gehouden als levende vleesvoorraad.
Pas nadat het verdommingsproces het beest mak genoeg had gemaakt en het vernuft de mens in staat stelde de juiste toepassingen te vinden, ging men het beest voor andere doeleinde gebruiken.
Aanvankelijk ging men voor dommekracht. Men selecteerde de paarden op schapenaard en spiermassa en fokte ermee. Zo procreërden de mens het trek- en lastpaard. Groot en sterk maar ook zo mak als een lammetje. Te gebruiken voor velerlei hand en span diensten. Het eerste werktuig met 1 PK werd een hit.
Vanaf dat moment was er voor het paard geen weg meer terug. In ruil voor levensonderhoud liet hij zich lijdzaam verkwanselen. De mens had vrij spel en bracht de diversificatie van het paard in een stroomversnelling. Het paard verloor zijn wilde haren, maar behield zijn kop en benen. Arbeid adelt niet voor paarden!
Zelfs met zijn heldhaftige optredens als bucefaal verwierf het paard niet de statige lichaamsdelen. De oorlogen boden geen soelaas. Hoe trouw en dienstbaar het paard zich ook opstelde in de ogen van de mens bleef het een lomp strijdros.
Het edele paard
Zijn benen, hoofd en mond verdiende het paard door zich verdienstelijk te maken met de minder essentiële dingen des leven. Vanaf de 16e eeuw had de adel namelijk tijd te veel en te weinig om handen. Uit verveling zaten zij die tijd uit op het paard. Ze bedachten de meest absurde gangen en sprongen en verhieven het paardrijden gaandeweg tot kunst. Hippique werd hip en het paard 'edel'; een trots bezit waarmee gepronkt moest worden.
En zo ontstond er een wedloop om het 'mooiste' paard. Men kruiste en fokte, de één nog mooier dan de ander, om er vervolgens mee te paraderen. Wie het zich kon veroorloven, had er een. Prins Maurits spande de kroon met een door Lodewijk Günther van Nassau geschonken witte Spaanse strijdhengst, buitgemaakt op aartshertog Albertus van Oostenrijk tijdens de Slag bij Nieuwpoort. Wie hem ziet snapt waarom!
Terug bij af
Sinds de auto valt er met het paard niet meer te pronken. En voor het zwaardere werk is hij ook al overbodig. Het paard is in onbruik geraakt. vergane glorie in levende lijve. Alleen kleine meisjes, paardenboeren en Anky van Grunsven zien in de trouwe viervoeter nog het edele beest van weleer. De rest heeft daar geen oog meer voor. Die meesten zien het paard gewoon als paard. Met uitzondering van de vleesindustrie daar zien ze enkel vlees. Zo lijkt het paard weer terug bij af.












