Hij begon zich met de huishouding te bemoeien, iets wat hij in geen twee maanden had gedaan; hoe die zou moeten worden en wat hij eraan zou moeten veranderen, duizend vervelende kleinigheden, die bijna nog erger waren dan de wanhoop. Het is hatelijk een ongeluk in kleine beetje te moeten slikken, het u door een voldongen feit ontnomen terrein voet voor voet te moeten betwisten. Het ongeluk zelf is aanvaardbaar, maar niet het daardoor opgeworpen stof. Eerst heeft de ramp u verpletterd, nu plaagt ze u. Het is de vernedering die de slag verergert, het is een tweede vernietiging die zich voegt bij de eerst en een even grote. Men zinkt een graad verder in het niet. Na het doodskleed de lompen. er is geen treuriger gedachte dan die aan verval. Geruïneerd zijn schijnt eenvoudig. Een heftige slag, een lompheid van het noodlot, een ramp eens voor allemaal. Goed, men aanvaardt die. Alles is uit. Men is geruïneerd, goed, men is dood. Maar neen, men leeft. vanaf de tweede dag bemerkt men dat. Waaraan? Aan speldeprikken. Die voorbijganger daar groet u niet meer, het regent rekeningen, daar loopt een van uw vijanden lachend voorbij. Misschien lacht hij om een aardigheid die hij gehoord heeft, maar dat komt er niet op aan, die woordspeling komt hem zo leuk voor omdat gij geruïneerd zijt. Ge leest uw vernedering zelf in onverschillige gezichten, de mensen die bij u gegeten hebben vinden dat er drie gerechten te veel waren, uw tekortkomingen vallen iedereen op, de ondankbaren die niets meer verwachten kunnen, laten zich kennen, alle idioten hebben voorzien wat u is voorkomen, wie kwaad wil belastert u, wie nog erger is beklaagt u. en dan nog honderd andere kleingeestigheden.