Daar ik een vermorzeld mens ben, liefste Leg ik me behoedzaam neder En tracht in het gebied dat ik verken Geen sporen na te laten. Mijn razernij lijkt afgelopen, Ik zwijg, ik leer begrijpen: Terwijl de zomer in ons loeit Hoor ik de herfst zijn sikkel slijpen: Mijn lichaam laaft jou even, Verdrijft je uit je enge cel Naar een terrein van louter beven Dat ook mij verovert in mijn vel, Intussen gaan de maaiers op het veld te keer En in de schuren houten vlegels, Op, en neer Want niets ontkomt de regels.









