I. De jas van de mevrouw die voor mij op de roltrap staat laat voorzichtig pluisjes los. Ze lijkt zacht. Ik wil hem aaien. De roltrap eindigt en de vrouw loopt naar haar trein. De sporen lijken groter van dichtbij. II. Het meisje naast me lacht harder dan ik dacht. Haar stem doet me aan de Efteling denken. Ik weet niet waarom. Ze lijkt op alles wat ik zou willen zijn. III. Een man dacht dat ik iemand anders was dan ik bleek te zijn. Hij wist niet dat hij gelijk had. IV. Een jongen komt naast me zitten. We doen alsof we elkaar niet kennen. Ik wou dat ik alleen achter was gebleven.














